RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3111
(gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar),
en
(gemachtigde: L. Fukur ).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering in het kader van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2. Verzoeker ontving een uitkering op grond van de Pw. Bij besluit van 5 augustus 2025 heeft het college deze uitkering ingetrokken over de periode van 10 januari 2024 tot 30 juni 2025, omdat verzoeker handelsactiviteiten zou ontplooien op Marktplaats. Het college heeft wegens onverschuldigde betaling een bedrag van € 26.885,25 van verzoeker teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 3 september 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2025 heeft het college het bezwaar gericht tegen het besluit van 5 augustus 2025 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 26/271.
Verzoeker heeft vervolgens op 30 augustus 2025, 3 december 2025, 25 februari 2026 en 29 mei 2026 een Pw-uitkering aangevraagd. Bij besluit van respectievelijk 13 oktober 2025, 31 december 2025, 13 maart 2026 en 22 juni 2026 zijn de aanvragen afgewezen, telkens omdat verzoeker de gevraagde bewijsstukken niet heeft overgelegd waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tegen geen van de afwijzingsbesluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Op 8 augustus 2026 heeft verzoeker opnieuw een Pw-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 9 september 2026 is de aanvraag afgewezen, omdat een aantal bewijsstukken waar het college om heeft gevraagd, niet zijn overgelegd, waardoor het recht op algemene bijstand niet kan worden vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. J. Pearson, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker, en de gemachtigden van de burgemeester. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog de gegevens over te leggen die het college nodig heeft om het recht op uitkering vast te kunnen stellen. Met partijen is afgesproken dat, als zij er samen niet uitkomen, de voorzieningenrechter zonder een nadere zitting uitspraak zal doen.
Bij e-mailbericht van 30 september 2026 heeft het college de voorzieningenrechter meegedeeld dat de gegevens die verzoeker na de zitting heeft overgelegd nog onvoldoende zijn om het recht op uitkering vast te kunnen stellen. Dit betekent dat partijen er samen niet uitgekomen zijn. De voorzieningenrechter zal daarom uitspraak doen.
Standpunt partijen
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat op 5 oktober 2026 zijn woning wordt ontruimd vanwege een huurachterstand die is ontstaan, omdat hij vanaf 5 augustus 2025 geen inkomen heeft. Verder heeft hij aangevoerd dat het college ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht, terwijl daarvan bij een aanvraag geen sprake kan zijn. Het college heeft ten onrechte niet onderzocht of verzoeker in de periode van 8 augustus 2026 tot en met 9 september 2026 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Van enig zelfstandig onderzoek naar het recht op uitkering over de periode vanaf 1 september 2025 is niet gebleken. Verder is hij van mening dat de omvang van de gegevensvraag niet is gemotiveerd en niet evenredig is. Gevraagd wordt om een terugblik van bijna elf maanden. De noodzaak en evenredigheid van de ruime en privacygevoelige uitvraag die het college heeft gedaan is in het geheel niet gemotiveerd. Er wordt vervolgens iets van hem verlangd wat hij redelijkerwijs niet kan leveren, waaronder afschriften van rekeningen die inmiddels zijn opgezegd. Op basis van wat hij heeft aangevoerd, is hij van mening dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Standpunt van het college
4. Het college is van mening dat de aanvullende stukken die verzoeker na de zitting heeft overgelegd, de eerder geconstateerde onduidelijkheden niet wegnemen en dat nog steeds geen volledig en verifieerbaar beeld bestaat van de financiële situatie van verzoeker gedurende de relevante beoordelingsperiode. Het college constateert dat een deel van de door verzoeker alsnog verstrekte informatie niet ziet op de perioden waarnaar in het kader van de aanvraag expliciet is gevraagd. Daardoor ontbreekt nog steeds een volledig en controleerbaar inzicht in de financiële positie van verzoeker gedurende de relevante periode.
Ten aanzien van de handelsactiviteiten merkt het college op dat uit het dossier blijkt van handel in goederen met een hoge waarde, waaronder drones, witgoed, elektronica en huisinrichting. Voor de beoordeling van de aanvraag acht het college van belang inzicht te verkrijgen in de omvang van deze activiteiten, wat deze activiteiten hebben opgebracht, de bestemming van de aanwezige voorraad en de vraag of dergelijke activiteiten nog steeds plaatsvinden. De aanvullende stukken verschaffen hierover naar het oordeel van het college onvoldoende duidelijkheid.
Ook ten aanzien van de gokactiviteiten blijft het college van oordeel dat de beschikbare informatie ontoereikend is. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt van transacties die verband houden met onder meer Unibet . Het college acht daarom nadere accountgegevens, waaronder saldo-, transactie- en speelhistorieën, noodzakelijk om de financiële positie van verzoeker te kunnen beoordelen. Niet is gebleken dat verzoeker redelijkerwijs niet over deze gegevens zou kunnen beschikken.
Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat ook na ontvangst van de aanvullende stukken niet kan worden vastgesteld of verzoeker verkeert in omstandigheden die recht geven op algemene bijstand.
Ten overvloede heeft het college nog opgemerkt dat het opvragen van de financiële gegevens het startpunt vormde van het onderzoek naar het recht op bijstand van verzoeker. Doel daarvan was om eerst een volledig en verifieerbaar beeld van zijn financiële situatie te verkrijgen. Als verzoeker volledig aan het gegevensverzoek had voldaan, zou het onderzoek vervolgens zijn voortgezet naar andere aspecten die voor de beoordeling van het recht op bijstand relevant zijn, zoals bijvoorbeeld zijn woon- en leefsituatie.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De spoedeisendheid
5. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in voldoende mate heeft aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft. Het college betwist dit ook niet.
De aanvraag
6. Het gaat in deze zaak om een besluit waarin de aanvraag om algemene bijstand is afgewezen. De aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken op basis waarvan de aanvraag kan worden toegewezen. De aanvrager moet de nodige duidelijkheid verschaffen en volledige openheid van zaken geven. Het is vervolgens aan het college om de door de aanvrager verstrekte informatie op juistheid en volledigheid te controleren. Als de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een reden om de bijstand te weigeren als het recht op bijstand hierdoor niet kan worden vastgesteld. Anders dan wat verzoeker heeft aangevoerd, geldt de inlichtingenplicht ook bij de aanvraag van een uitkering.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker zijn inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Er bestond voor het college ook voldoende aanleiding om over een relatief langere periode informatie van verzoeker te verlangen. Dit heeft namelijk te maken met de eerder geconstateerde handelsactiviteiten en het feit dat verzoeker vanaf 5 augustus 2025 geen bijstandsuitkering ontvangt, waardoor de vraag rijst waar hij het afgelopen jaar van heeft geleefd. De voorzieningenrechter acht het standpunt van het college navolgbaar dat verzoeker hierover nog onvoldoende informatie heeft verstrekt. Naar zijn voorlopig oordeel heeft het college dan ook op goede gronden besloten verzoeker (nog) geen bijstandsuitkering te verstrekken. Het bezwaar heeft naar zijn oordeel geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: