RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.205220.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
een of meer onbekend gebleven personen (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en/of Heerenveen en/of Groningen, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in verenging met anderen, althans alleen,
(A) (mevrouw) [slachtoffer 1] , (telkens)
(B)
- ( (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (criminele en/of seksuele) uitbuiting van een ander, te weten (mevrouw) [slachtoffer 1] , (sub 6),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 1 juli 2023 tot en met 29 februari 2024 te Assen en/of Heerenveen, althans in Nederland,
opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
2
hij (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 26 september 2023 tot en met 7 februari 2024 te Assen en/of Heerenveen en/of Noordgouwe en/of Slochteren en/of Koudekerke en/of Standdaarbuiten en/of Roosendaal en/of Amsterdam en/of Groningen en/of Oost-Souburg en/of Mill en/of Bergambacht, althans in Nederland,
meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere perso(o)n(en)/aangever(s), te weten:
door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -
houden dat er (anderszins) een probleem en/of onregelmatigheid en/of onduidelijkheid was met betrekking tot zijn/haar/hun bankrekening, en/of
waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde terbeschikkingstellen;
3.
hij (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode 9 januari 2023 tot en met 25 juni 2024 te Assen, althans in Nederland, stoffen, voorwerpen en/of gegevens, te weten (onder meer)
120, althans een (grote) hoeveelheid leads(lijsten), elk bevattende persoonsgegevens van een groot aantal personen (AH-018) en/of
elk bevattende persoonsgegevens van een groot aantal personen (AH-048), en/of
- een belscript met hierin een beschrijving/stappenplan in de Duitse taal voor het plegen van (bankhelpdesk)fraude (AH-029.01),
heeft vervaardigd, ontvangen, zich heeft verschaft, verkocht, overgedragen, verworven, vervoerd, ingevoerd, verspreid, anderszins ter beschikking gesteld en/of voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van een misdrijf omschreven in een van de artikelen 310, 311, 312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1, kort gezegd medeplichtigheid aan mensenhandel. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. De feiten 2 en 3 kunnen bewezen worden. Verdachte erkent deze feiten, waarbij hij met betrekking tot feit 3 heeft aangegeven dat het enkel gaat om bezit en niet om verspreiden. De raadsman heeft met betrekking tot feit 3 aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden ingekort.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat feit 1 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is gebleken dat verdachte ten tijde van zijn samenwerking met aangeefster [slachtoffer 1] weet had van het feit dat zij - kort gezegd - in een situatie zat waarin ze werd uitgebuit door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2024, opgenomen op pagina 653 e.v. van voornoemd dossier;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2024, opgenomen op pagina 704 e.v. van voornoemd dossier;
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2024, opgenomen op pagina 463 e.v. van voornoemd dossier.
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 3 dat zij de pleegperiode zal inkorten. De politie heeft geverbaliseerd dat aangeefster 120 documenten met zogenaamde Leads heeft toegestuurd aan het onderzoeksteam en dat aangeefster die documenten op 9 januari 2023 had ontvangen via de mail. 9 januari 2023 is mogelijk daarom gehanteerd als begindatum voor de pleegperiode. De rechtbank constateert echter dat aangeefster heeft verklaard dat zij (pas) vanaf juni 2023 fraude ging plegen samen met verdachte. Er zijn ook geen aanwijzingen dat ze verdachte voor die tijd al kende en bestanden van hem ontving. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat 9 januari 2023 een (typ)fout is geweest en dat dit 9 januari 2024 moet zijn. Reeds uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte wel degelijk leadlijsten heeft verspreid. Voor het bezitten of verspreiden van deze of andere op de tenlastelegging genoemde bestanden voor die tijd heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten in het dossier gevonden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 26 september 2023 tot en met 7 februari 2024 te Assen en Heerenveen, meerdere malen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
een of meerdere personen, te weten:
door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, zakelijk weergegeven
waardoor die personen werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde terbeschikking stellen.
3.
hij in de periode 9 januari 2024 tot en met 25 juni 2024 te Assen gegevens, te weten
heeft ontvangen, overgedragen, verworven, verspreid, en voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van een misdrijf omschreven in een van de artikelen 310, 311, 312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
2. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
3. Het zich verschaffen, verwerven, overdragen, verspreiden en het voorhanden hebben van gegevens waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van de misdrijven omschreven in artikelen 311 en 326, voor zover het feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 2 en 3 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 333 dagen. Tevens is gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een contactverbod met aangeefster voor de duur van vijf jaren en een locatieverbod ten aanzien van de adressen van de ouders en opa en oma van aangeefster.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf ten hoogste gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft tevens verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages van onder meer 2 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en aan het voorhanden hebben van zogeheten leads(lijsten). Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich in telefoongesprekken en online tegenover de slachtoffers, telkens ouderen, voorgedaan als een bankmedewerker en gezegd dat er een probleem was met hun bankrekening en dat ze het slachtoffer zouden helpen. Vervolgens werd aan de slachtoffers een link gestuurd, waarbij de slachtoffers zonder dat ze het doorhadden bestellingen en betalingen verrichtten en zo hun geld juist kwijtraakten in plaats van veiligstelden.
Bankhelpdeskfraude is een veelvoorkomende vorm van criminaliteit die voor verdachten op relatief gemakkelijke wijze zeer lucratief kan zijn. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen van zorgvuldig uitgekozen (oudere) slachtoffers, die dachten dat zij werden geholpen en dat werd voorkomen dat zij veel geld zouden kwijtraken, terwijl het tegendeel waar bleek. Hierdoor is niet alleen het vertrouwen dat de slachtoffers in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen hadden geschaad, maar is ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens aangetast. Verdachte heeft enkel uit financieel gewin gehandeld en heeft geen oog gehad voor de kwetsbaarheid en de belangen van de slachtoffers.
Daarnaast worden door het bestaan van (leads)lijsten met persoonsgegevens dergelijke vormen van fraude in stand gehouden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte het goed doet op diverse leefgebieden. Verdachte heeft goed meegewerkt aan het toezicht tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en de reclassering ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan hem op te leggen.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 333 dagen, een passende straf is en dat er geen aanleiding is om nog een aanvullend - al dan niet voorwaardelijk - strafdeel op te leggen.
De rechtbank ziet, mede gelet op de vrijspraak voor feit 1, geen aanleiding om aan verdachte tevens een contactverbod en/of locatieverbod met betrekking tot aangeefster op te leggen.
De rechtbank heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.
Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten twee mobiele telefoons van verdachte, vatbaar voor verbeurdverklaring nu de feiten met behulp hiervan zijn begaan en hierop leadslijsten met persoonlijke gegevens (van ouderen) staan.
Benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 234 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 333 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen mobiele telefoons (goednummers PL0100-NNRCC24005_820441 en PL0100-NNRCC24005_820456).
T.a.v. feit 1:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H.R. Eising en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.
Mrs. Eising en Spooren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.