ECLI:NL:RBNNE:2026:472

ECLI:NL:RBNNE:2026:472

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 18.068584.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Vrijspraak artikel 245 Wetboek van Strafrecht (oud). De seksuele handelingen kunnen niet als ontuchtig worden aangemerkt omdat deze naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet in strijd waren met de sociaal ethische norm.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.068584.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 februari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 mei tot en met 13 juni 2024, te [plaats] , in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat de seksuele handelingen die tussen verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en derhalve als ontuchtig kunnen worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen en gevorderd dat hij wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van één dag en daarnaast tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Op grond van de stukken in het dossier en wat tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de toen 18-jarige verdachte en de 14-jarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in de periode zoals ten laste gelegd een relatie hadden waarbinnen zij op verschillende momenten seksueel contact hebben gehad. Dit wordt door verdachte ook niet ontkend.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de seksuele handelingen die tussen [slachtoffer] en verdachte hebben plaatsgevonden als ontuchtig zijn aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Bij de beantwoording van die vraag is van belang of de betreffende handelingen in het algemeen als sociaal-ethisch zijn aanvaard of dat die handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Uitgangspunt is dat seksueel contact met een jongere onder de zestien jaar oud een ontuchtig karakter heeft en strafbaar is, ter bescherming van deze jeugdigen. Maar onder omstandigheden kan volgens de Hoge Raad bij seksueel contact met een persoon tussen de 12 en 16 jaar

het ontuchtig karakter ontbreken, bijvoorbeeld als die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die een affectieve relatie hebben en slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. De handelingen zijn in die gevallen niet in strijd met algemeen aanvaarde sociaal-ethische normen.

Met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van een gering leeftijdsverschil, kan naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid niet direct een scherpe afgrenzing worden gegeven. De rechtbank dient daarom, naast de kalenderleeftijd van [slachtoffer] en verdachte, acht te slaan op de overige omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er sprake was van vrijwilligheid aan de kant van [slachtoffer] en van gelijkwaardigheid in de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte. In dat verband is van belang dat verdachte en [slachtoffer] deel uitmaakten van dezelfde vriendengroep, waarin [slachtoffer] ondanks haar leeftijd niet uit de toon viel. Verder heeft de reclassering over verdachte gerapporteerd dat hij op het gebied van verbaal begrip op licht verstandelijk beperkt niveau functioneert, mogelijk sociaal-emotioneel nog onrijp is en gevoelig voor pedagogische beïnvloeding. Daarom wordt afdoening via het jeugdstrafrecht geadviseerd. Dit nuanceert het feitelijke leeftijdsverschil tussen verdachte en

[slachtoffer] .

[slachtoffer] en verdachte hadden ten tijde van de tenlastegelegde seksuele handelingen sinds enkele maanden een affectieve relatie met elkaar. Tijdens deze relatie hebben zij op verschillende momenten seksuele handelingen met elkaar verricht. Deze momenten waren steeds kort van duur en gaven blijk van seksuele onervarenheid bij zowel [slachtoffer] als ook verdachte. Verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij één keer eerder seks had gehad met een ander vriendinnetje en [slachtoffer] zou hem hebben toevertrouwd dat ook zij één keer eerder iets met een jongen had gedaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij en [slachtoffer] ook meermaals hebben gesproken over wat ze wel en niet wilde op seksueel gebied, hetgeen ook enige bevestiging vindt in [slachtoffer] haar verklaringen. [slachtoffer] gaf daarbij aanvankelijk aan dat ze nog niet klaar voor was voor (penetratie)seks, terwijl ze dat later wel weer wilde proberen, zoals ze hem ook via de in het dossier aanwezige Snapchatberichten liet weten. Na het laatste seksuele contact op 13 juni 2024 hoorden echter [slachtoffer] haar ouders ervan en volgde de aangifte. Daarmee eindigde de relatie.

Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer] onvrijwillig hebben plaatsgevonden of dat er sprake was van een ongelijkwaardige relatie waarin verdachte duidelijk dominant was. Veeleer lijkt sprake te zijn van een wat aarzelende seksuele ontdekkingstocht van twee jeugdigen die zich ondanks een leeftijdsverschil van bijna 4 jaren in een vergelijkbare seksuele ontwikkelingsfase bevonden. Dat [slachtoffer] achteraf, na te zijn geconfronteerd met de hevige afkeuring van de seksuele relatie door haar ouders, verklaart dat zij de laatste seksuele handelingen met verdachte op 13 juni 2024 niet had gewild, is begrijpelijk en passend bij haar jeugdigheid. Maar dat is op zichzelf niet voldoende om te oordelen dat het seksuele contact tussen verdachte en [slachtoffer] in strijd was met de sociaal ethische norm en daarmee ontuchtig.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Bepaalt dat [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en

mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. de Ruijter
  • mr. M.S. van der Kuijl
  • mr. S. Zoer

Griffier

  • mr. L. van der Weide

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?