RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.254408.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.G. Compagner, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 september 2025 te Assen met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten (zijn nichtje) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019)
een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer]
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 september 2025 te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten (zijn nichtje) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten
en deze poging tot verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 september 2025 te Assen met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten (zijn nichtje) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019)
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het brengen, houden, bewegen, wrijven en/of stoten van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer] en/of
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer]
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte omdat verdachte niet in voldoende mate in staat is om het strafproces te volgen en de gevolgen van het proces te doorzien. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte lijdt aan het velocardiofaciaal syndroom en kampt met een matig tot ernstige cognitieve beperking. Hij begrijpt daardoor veel vragen die hem worden gesteld niet goed, is niet in staat geweest om zijn zaak met zijn raadsvrouw te bespreken en ziet niet welke belangen er spelen. Hij kan daarom niet effectief deelnemen aan het strafproces en daarmee wordt zijn recht op een eerlijk proces geschonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen van verdachte niet dusdanig zijn dat hij in zijn geheel niet in staat is te begrijpen waar de vervolging over gaat. Daarbij heeft zij verwezen naar hetgeen de psycholoog daarover heeft gezegd, te weten dat de psycholoog verdachte in staat acht om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging begrijpen. Dat blijkt tevens uit het gesprek dat ter terechtzitting met verdachte is gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte kan worden aangemerkt als fit to stand trial. Daarbij gaat het erom of verdachte in staat is om op een effectieve wijze deel te nemen aan het strafproces. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van de Rechten van de Mens volgt dat bij de beantwoording van die vraag de volgende aspecten van belang zijn: een verdachte moet in staat zijn in grote lijnen het strafproces te kunnen begrijpen en de eventuele gevolgen te kunnen overzien, hij moet kunnen volgen wat er in de rechtszaal wordt gezegd, hij moet in staat zijn om de zaak met zijn advocaat te bespreken en hij moet in staat zijn om op zitting een verklaring af te leggen.
De rechtbank komt met inachtneming van deze criteria tot de conclusie dat verdachte in staat is om op een effectieve wijze deel te nemen aan het strafproces en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het op 29 december 2025 over verdachte opgemaakte Psychologische Pro Justitia rapport blijkt onder meer dat verdachte kampt met een aanzienlijke cognitieve beperking en dat er sprake is van een forse achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij behaalde de laagste score op het intelligentieonderzoek, kan niet lezen en schrijven en is niet zelfredzaam. Desondanks acht de psycholoog verdachte voldoende in staat om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.
Hierover zegt de psycholoog het volgende:
“Op basis van het psychologisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat verdachte ondanks de duidelijk aanwezige verstandelijke beperking voldoende in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Hij kent de rollen van de advocaat, officier van justitie en rechter en weet dat het plegen van een feit zoals het ten laste gelegde kan leiden tot vervolging en straf. Verdachte vindt het wel lastig om te kunnen overzien welke juridische kaders er precies zijn. Verdachte is in simpele bewoordingen in staat om te begrijpen wat het strafproces inhoudt maar zal tijdens een zitting niet alle gebruikte termen begrijpen. Bij de bejegening van verdachte is het raadzaam korte zinnen en eenvoudige woorden te gebruiken.”
De rechtbank sluit zich op basis van haar eigen waarnemingen ter terechtzitting aan bij deze bevindingen en conclusie van de psycholoog. De rechtbank is ter terechtzitting met verdachte in gesprek gegaan en hoewel er in de bejegening inderdaad in hoge mate rekening gehouden diende te worden met zijn verstandelijke beperking, was het wel mogelijk om met verdachte in gesprek te gaan over hetgeen hem verweten werd en was hij in staat daarover een verklaring af te leggen. Op basis van dat met verdachte gevoerde gesprek en zijn reacties op wat er allemaal op zitting gebeurde heeft de rechtbank tevens de indruk dat verdachte in grote lijnen in staat was te volgen wat er in de rechtszaal werd gezegd. Ook herkent de rechtbank hetgeen de psycholoog beschrijft dat verdachte weet dat het plegen van een feit zoals het hem verweten feit kan leiden tot straf. Zo zei verdachte op enig moment tijdens de zitting tegen de voorzitter: “Als je mij niet gelooft, dan moet je mij maar langer vastzetten. Jij moet beslissen.”
De rechtbank is op basis van bovenstaande van oordeel dat verdachte voldoende in staat is (geweest) om het strafproces te kunnen begrijpen en daaraan effectief deel te nemen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Beoordeling van het bewijs
d.d. 6 januari 2026 opgemaakt door dr. R.J. Bink, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in de verklaringen van haar ouders, de bevindingen van de politie en in de uitkomsten van het DNA onderzoek en zij er derhalve vanuit gaat dat het is gegaan zoals [slachtoffer] heeft verklaard. Gelet op het feit dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte “ging duwen met zijn piemel erin” en dat het pijn deed en ze bijna niet meer kon plassen, kan volgens de officier van justitie worden aangenomen dat verdachte ofwel met zijn penis in haar vagina is geweest, ofwel dat hij met zijn penis tegen haar plasbuis heeft geduwd. Hiermee is sprake van seksueel binnendringen, zodat de primair ten laste gelegde verkrachting van een 12-minner wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken nu hij ontkent enige seksuele handelingen te hebben verricht. Mocht de rechtbank de verklaring van verdachte niet volgen en bewezen achten dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, dan kan in ieder geval niet bewezen worden dat sprake is van binnendringen. De verklaring van [slachtoffer] bij de politie dat de piemel erin zou zijn gegaan is afwijkend van haar eerdere verklaringen en daarom op dit punt niet betrouwbaar.
Daarnaast kan ook op basis van het aangetroffen DNA niet worden bewezen dat er sprake is van
binnendringen. In de eerste plaats staat niet vast dat het aangetroffen DNA van verdachte is, nu het ook van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man afkomstig kan zijn. In de tweede plaats duidt het aantreffen van spermavloeistof op de buitenste schaamlippen en op de venusheuvel niet op binnendringen nu daarvoor vereist is dat de buitenste schaamlippen zijn gepasseerd. Verdachte dient aldus te worden vrijgesproken van seksueel binnendringen. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met zijn zesjarige achternichtje [slachtoffer] . De rechtbank acht niet bewezen dat daarbij sprake is geweest van binnendringen zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank acht wel bewezen dat het handelen van verdachte een poging tot verkrachting oplevert, zoals subsidiair ten laste gelegd, en zal dat hieronder uitleggen.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2026:
Ik ben op 28 september 2025 met [slachtoffer] in mijn woonwagen geweest om snoepjes te halen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2025, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025263399, onderzoek NNRBC25209 - Teak, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Op 28 september 2025 bevond ik mij op [adres] , ter hoogte van [perceelnummer 1] . Wij bevonden ons daar naar aanleiding van een melding van seksueel misbruik van een minderjarig kind.
Toen wij ter plaatse kwamen zag ik dat er een vrouw op ons af kwam lopen, naar later bleek meldster [meldster] . Ik hoorde [meldster] zeggen dat haar dochter [slachtoffer] was misbruikt door een familielid. Dit zou [verdachte] zijn, nader te noemen verdachte. Ik hoorde [meldster] zeggen dat zij met haar man en kinderen op visite waren bij overgrootvader in de woonwagen op [perceelnummer 2] , en dat verdachte daar ook was. Verdachte zou aan dochter [slachtoffer] gevraagd hebben of zij wat snoepjes wilde, wat [slachtoffer] wel wilde. Hierop ging [slachtoffer] alleen met verdachte naar de woonwagen van verdachte, alwaar de snoepjes zouden liggen. Even later was [slachtoffer] teruggekomen bij haar ouders en vertelde ze dat verdachte aan haar "punani" had gezeten, zoals [slachtoffer] haar geslachtsdeel volgens [meldster] noemt. Ik hoorde [meldster] zeggen dat [slachtoffer] had verteld dat verdachte kusjes op haar "punani" had gegeven en dat ze haar onderbroek uit moest doen. Verdachte zou toen ook zijn onderbroek uit hebben gedaan en met zijn geslachtsdeel aan het geslachtdeel van [slachtoffer] hebben gezeten.
Ik hoorde [meldster] aan [slachtoffer] vragen of ze mij wilde vertellen wat er gebeurd was. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat ze met oom [verdachte] meeging naar zijn woonwagen om snoepjes te halen en dat oom [verdachte] toen kusjes ging geven op haar "punani". Ik zag dat [slachtoffer] door emotie haperde in haar verhaal en dat ze tranen in haar ogen kreeg. Ik zag dat [slachtoffer] wel een heldere indruk maakte en goed uit haar woorden kwam. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat "oom [verdachte] haar onderbroek uit deed en ook zijn eigen en dat oom [verdachte] toen met zijn piemel tegen haar punani aanging". Hierop zou verdachte gezegd hebben dat ze naar een kamertje toe zouden. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat ze toen terug naar haar ouders is gegaan.
Ik zag dat hierop de vader van [slachtoffer] naar mij toe kwam. Ik hoorde hem tegen mij zeggen dat hij vlak voordat [slachtoffer] bij hun terug was, gebeld werd door verdachte. Verdachte zou tegen hem gezegd hebben "ze liegt, ze liegt". Vader verklaarde dat hij eerst niet snapte wat verdachte bedoelde, maar toen [slachtoffer] terugkwam met haar verhaal hem duidelijk was wat verdachte bedoelde.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Op 28 september 2025 kregen wij het verzoek te gaan naar het woonwagenkampje gelegen aan [adres] . Aldaar zou een zedenzaak hebben afgespeeld waarbij de dochter van meldster betast zou zijn.
Op enig moment zag ik, verbalisant [verbalisant] , iemand achter de voordeur van de woonwagen nummer [huisnummer] alwaar de verdachte in zou zitten. Ik liep achter collega [verbalisant] aan naar de voordeur. Ik zag dat de persoon in de woonwagen, na wie later bleek verdachte [verdachte] , een erectie leek te hebben. Ik zag dat [verdachte] aan de voorzijde van zijn broek beide handen in zijn broek stak. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij 'iets af moest vegen'. In de woonwagen ( [huisnummer] ) werd aan [verdachte] uitgelegd dat hij was aangehouden en werd hem de cautie medegedeeld.
Inhoudelijk was er nog niet gesproken met [verdachte] over de casus. Ik, [verbalisant] , liep na de aanhouding samen met [verdachte] en collega [verbalisant] naar buiten in de richting van de ingang van het woonwagenkamp alwaar de dienstauto van [verbalisant] stond. Aldaar sprak ik, [verbalisant] met [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] aangaf dat hij niks 'met dat meisje gedaan zou hebben' en dat dat het meisje liegt. Ik zei tegens [verdachte] dat ik niks tegen hem gezegd had over een meisje en wat er gebeurd was. Ik zag duidelijk een soort 'schrikreactie' bij [verdachte] .
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 29 september 2025, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [meldster] :
Gisteren, 28 september 2025, was ik met mijn man en kinderen op bezoek bij opa. [verdachte] was er ook. [verdachte] is een kind van opa. [verdachte] is de oom van [naam] [de rechtbank begrijpt: [naam] , de man van getuige [meldster] en vader van [slachtoffer] ]. Op gegeven moment klopte [verdachte] op [slachtoffer] haar schouder en vroeg: "wil je ook nog smarties". Dit mocht van mij. Ze deed haar schoenen aan en huppelde achter hem aan. Ik dacht op een gegeven moment nog dat het lang duurde. Op dat moment komt [slachtoffer] binnen rennen. [slachtoffer] kwam binnen, gillend en huilend met haar vingers klauwend in haar wangen. Ze zegt: "Ik wilde het niet mama". Ik knielde neer voor haar en pakte haar handen. Ik vroeg: "Wie heeft dit gedaan". Ze zei: " [verdachte] ". [slachtoffer] vertelde: "Hij heeft mijn onderbroek uitgetrokken en zijn onderbroek en heeft zijn piemel over mijn punani gewreven.” Ze was heel erg overstuur “het was heel erg mama, heel stout”. Even later riep [naam] mij en gaf aan dat ik met [slachtoffer] moest gaan praten. Ik liep naar [slachtoffer] . Ik vroeg [slachtoffer] wat er was. [slachtoffer] vertelde: " [verdachte] heeft mij ook kusjes op de mond gegeven en heeft mijn punani gekust". Verder heeft ze verteld dat ze op bed lagen. Hij ging op zijn armen leunen en ging heen en weer boven haar. Hij wreef met zijn piemel over haar punani. Met punani bedoelt [slachtoffer] haar vagina.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2025, inhoudende het studioverhoor van [slachtoffer] , opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
V: Waar kom je over praten?
A: Om sporen te zoeken bij [verdachte] . [verdachte] had lang geleden onderbroek uitgetrokken en toen ging hij met mij hem onderbroek uittrekken. Mij op het bed leggen, hij hield het bed vast, hij ging met de piemel over mijn punani.
V: Jij vertelt dat [verdachte] jouw onderbroek uitgedaan heeft. Is dat 1 keer gebeurd of vaker? A: 1 keer.
V: En dat hij zijn piemel op jouw punani gedaan, is dat 1 keer of vaker gebeurd? A: 1 keer gebeurd.
V: Waar waren jullie toen dit gebeurde? A: Bij hem thuis.
V: Waar was jij precies toen hij jouw onderbroek uitdeed? A: Bij zijn bed.
V: Stond je toen, zat je toen, lag je toen of anders? A: Ik stond.
V: Is jouw broek dan helemaal uit of een klein beetje? A: Een klein beetje. Tot hier.
O: Getuige wijst vlak onder haar knieën V: En jouw onderbroek dan?
A: Ook tot hier.
V: Hoe ver ging zijn broek uit?
O: Getuige wijst onder haar knieën. V: Hoe legde hij jou op bed?
A: Hij pakte me hierzo, bij de oksels en dat deed pijn, ik zei dat hij moest stoppen maar dat deed hij niet. V: Wat deed hij toen?
A: Toen ging hij hem onderbroek en zijn broek uittrekken, en toen ging hij ook bij het bed liggen. V: Hoe ging hij dan liggen?
A: Hij lag niet op het bed. Hij houdde het bed vast.
O: Getuige doet het voor door middel van gebaren. Getuige gaat op haar rug liggen. Daarna draait zij zich op haar buik, maakt stotende bewegingen met haar heupen.
A: Over mijn punani heen.
V: Hij ging op jou liggen. Met zijn piemel tegen jouw punani. Waar kwam zijn piemel? O: Getuige wijst naar haar kruis.
V: Waar waren zijn handen toen hij op jou lag?
O: Getuige bukt en legt haar handen op de grond. Daarna beweegt ze haar achterwerk op en neer. V: Jij was bij [verdachte] in de wagen. Wat was de reden?
A: Hij ging een beetje leugen vertellen. Hij zei: Wil je snoepjes halen? Ik zei ja. Dan zet hij mij bij bed en dan gebeurt dat. Daarna kreeg ik wel snoepjes, na dat gedoe.
V: Wanneer is dit gebeurd? A: Zondag.
V: En jij deed net voor wat hij bij jou deed met zijn piemel tegen en in jouw punani. Heeft hij ook nog andere dingen bij jou gedaan?
A: Nee. Wel kusjes gegeven op lip en op punani. V: Vertel eens over kusjes op je lip.
A: Kusje op lippen, en op punani. V: Was dat 1 keer of vaker?
A: 1 keer.
V: Wat voor soort kusje was dat? A: Hele lange.
V: De punani, wat kan je daarmee? A: Plassen. Dat is het enige.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 1 oktober 2025, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
Op zondag 28 september 2025 kwam ik, naar aanleiding van een melding seksueel
misbruik kind, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] . Dit betreft het [ziekenhuis] .
Slachtoffer: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2019.
Voor de bemonsteringen werd gebruik gemaakt van de zedenset. Onder andere de volgende bemonsteringen zijn afgenomen:
Biologisch spoor:
SIN: ZAAE3103NL.
Wijze veiligstellen: zedenkit.
7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2025.11.14.099, opgenomen als los document bij voornoemd dossier,
Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) autosomaal DNA-onderzoek en van het onderzoek naar het type celmateriaal.
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Om de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten tussen het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte [verdachte] en het Y-chromosomale DNA-profiel van bemonstering ZAAE3103NL#04 (venusheuvel (nat)) te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid, is het onderstaand hypothesepaar beschouwd.
Hypothese 1:
Het mannelijke DNA in bemonstering ZAAE3103NL#04 is afkomstig van verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan verdachte [verdachte] verwante man.
Hypothese 2:
Het mannelijke DNA in bemonstering ZAAE3103NL#04 is afkomstig van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte [verdachte] .
Y-chromosomaal DNA-profiel ZAAE3103NL#04 is zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Bewijsmotivering
[slachtoffer] , toen zes jaar oud, heeft verklaard dat zij op 28 september 2025 met haar oom verdachte mee is gegaan naar zijn woonwagen om snoepjes te halen. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte in de woonwagen haar onderbroek heeft uitgetrokken en haar op bed heeft gelegd. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte daarna ook zijn eigen broek en onderbroek uitgetrokken, heeft haar kusjes gegeven op haar mond en op haar vagina, is op haar gaan liggen en heeft zijn piemel tegen haar vagina aangewreven. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] inderdaad met hem mee is gegaan naar zijn woonwagen om snoepjes te halen, maar hij stelt dat wat [slachtoffer] verklaart niet gebeurd is. Volgens hem is [slachtoffer] gevallen en toen heeft hij haar opgetild en is ze huilend teruggegaan naar opa.
De rechtbank hecht meer geloof aan de verklaring van [slachtoffer] dan aan de verklaring van verdachte en overweegt hiertoe als volgt.
In de eerste plaats heeft [slachtoffer] consistent verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij haar heeft verricht en hoe hij dat heeft gedaan. Ze heeft op verschillende momenten, tegenover verschillende personen gelijkluidend verklaard over wat er in de woonwagen is gebeurd. Wat haar
verklaring daarnaast betrouwbaar maakt, is dat zij direct nadat zij terugkwam uit de woonwagen van verdachte uit eigen beweging heeft verteld wat er is gebeurd en dat haar verklaring, met name haar verklaring bij de politie, zeer gedetailleerd is. In het bijzonder valt op dat [slachtoffer] over seksuele handelingen verklaart en zelfs voordoet waar een meisje van zes nog geen kennis van zou moeten hebben. Een en ander maakt de verklaring van [slachtoffer] zeer authentiek en betrouwbaar.
Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer] op meerdere punten ondersteund. Zo vindt de rechtbank steun voor de door [slachtoffer] beschreven gebeurtenissen in haar gemoedstoestand die door haar moeder werd waargenomen op het moment dat [slachtoffer] terugkwam van de woonwagen van verdachte. [slachtoffer] kwam gillend en huilend binnenrennen met haar vingers klauwend in haar wangen waarbij ze riep Ik wilde het niet mama. Voorts vindt de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer] in de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse. Zo hebben deze verbalisanten, die zeer snel ter plaatse waren, waargenomen dat verdachte een erectie had en dat hij zijn handen in de voorzijde van zijn broek had. Verdachte zei daarbij dat hij iets moest afvegen. Ook beschrijven verbalisanten dat verdachte uit zichzelf aangaf dat hij niks met dat meisje gedaan had, zonder dat met verdachte was gesproken over de zaak. Ookvindt de rechtbank steun in de omstandigheid dat verdachte nog voordat [slachtoffer] terug was van haar bezoek aan zijn woonwagen de vader van [slachtoffer] heeft gebeld en heeft gezegd “ze liegt, ze liegt”. Al deze bevindingen en omstandigheden passen aanzienlijk meer bij de door [slachtoffer] beschreven seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden dan bij het verhaal van verdachte dat [slachtoffer] enkel zou zijn gevallen.
Tot slot vindt de rechtbank ook steun voor het verhaal van [slachtoffer] in het DNA-onderzoek.
Uit het NFI rapport blijkt dat op de venusheuvel van [slachtoffer] een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA is aangetroffen waarna er door middel van Y-chromosomaal onderzoek een match met het DNA-profiel van verdachte bleek. Dit Y-chromosomale DNA-profiel is zeer veel waarschijnlijker wanneer het afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man dan wanneer het afkomstig is van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte.
Hiermee staat echter nog niet vast dat het aangetroffen DNA ook daadwerkelijk van verdachte is. Gelet op het feit dat 1) vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] alleen met verdachte in zijn woonwagen is geweest en 2) er geen enkele aanwijzing is dat een ander mannelijk familielid van verdachte donor zou kunnen zijn van het op de venusheuvel van [slachtoffer] aangetroffen DNA, is de rechtbank anders dan de raadsvrouw van oordeel dat het niet anders kan dan dat het aangetroffen mannelijke DNA op de venusheuvel van [slachtoffer] afkomstig is van verdachte. Zodoende ondersteunt ook het DNA-onderzoek de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte seksuele handelingen met haar heeft verricht.
Daarnaast valt uit het rapport van het NFI af te leiden dat er zowel in de bemonstering van de buitenste schaamlippen als in de bemonstering van de venusheuvel een aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van spermavloeistof. Hoewel in het forensisch onderzoek niet kan worden vastgesteld dat dit afkomstig is van verdachte, ziet de rechtbank gelet op alle overige bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, ook hierin steun voor de verklaring van [slachtoffer] .
Waar de verklaring van [slachtoffer] - zoals hierboven beschreven - op meerdere punten wordt ondersteund, vindt de verklaring van verdachte geen enkele steun in overige feiten en omstandigheden in het dossier. Bovendien is ook de inhoud van zijn verklaring niet aannemelijk nu hij verschillende conclusies trekt over hoe [slachtoffer] precies zou zijn gevallen terwijl hij daar niet bij is geweest. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
Gelet op vorenstaande gaat de rechtbank uit van de verklaring van [slachtoffer] en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat daarbij sprake is geweest van seksueel binnendringen. Hoewel [slachtoffer] in haar studioverhoor bij de politie heeft verklaard dat verdachte met zijn piemel erin is geweest, heeft zij daar in eerste instantie niks over gezegd. In het verhaal dat zij uit eigen beweging aan haar moeder, haar vader en aan de verbalisanten ter plaatse heeft verteld, vertelt zij uitdrukkelijk dat verdachte “met zijn piemel tegen haar punani aanging”. Pas in het studioverhoor bij de politie antwoordt [slachtoffer] op de betrekkelijk sturende vraag “Waar kwam zijn piemel? Op, of naast, of erin?” dat verdachte erin is geweest. Gelet op deze sturende vraag en nu [slachtoffer] in eerste instantie herhaaldelijk iets anders heeft verklaard, is niet goed te duiden wat [slachtoffer] precies heeft bedoeld met erin. Bovendien is er voor het overige geen enkel bewijs voorhanden dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Ook het DNA-onderzoek biedt geen bewijs voor seksueel binnendringen, nu enkel aanwijzingen voor spermavloeistof zijn aangetroffen op de buitenste schaamlippen en op de venusheuvel en niet op de binnenste schaamlippen.
Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor seksueel binnendringen zodat verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting. Gelet op de door [slachtoffer] beschreven handelingen, te weten dat verdachte met zijn piemel tegen haar vagina aan heeft gewreven en daarbij stotende bewegingen heeft gemaakt, komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot verkrachting van [slachtoffer] , nu deze handelingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het delict.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 28 september 2025 te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten zijn achternichtje [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten
en deze poging tot verkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van dwang, door die [slachtoffer]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Subsidiair. poging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ervoor gepleit dat verdachte zo snel mogelijk in een woonvoorziening in de buurt van Assen terecht komt waar men deskundig is op het gebied van zijn problematiek en hij de begeleiding kan krijgen die hij nodig heeft.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting van zijn zesjarige achternichtje [slachtoffer] . Nadat [slachtoffer] met verdachte mee was gegaan naar zijn woonwagen - in de veronderstelling zijnde dat ze snoepjes gingen halen - heeft verdachte haar op bed gelegd, haar onderbroek uitgetrokken en heeft hij geprobeerd haar te verkrachten waarbij hij met zijn piemel tegen haar vagina aan heeft geduwd en gewreven. Waar [slachtoffer] dacht verdachte te kunnen vertrouwen en zich veilig waande bij verdachte thuis, heeft verdachte dat vertrouwen en dat gevoel van veiligheid ernstig geschonden en misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van [slachtoffer] . De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen de psychische en seksuele ontwikkeling van [slachtoffer] wreed verstoord en een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Algemeen bekend is dat misbruik als het onderhavige vaak ernstige psychische gevolgen voor het slachtoffer met zich meebrengt die nog lange tijd kunnen doorwerken. Ook in dit geval is de impact groot, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de door de moeder van [slachtoffer] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze mogelijke gevolgen voor [slachtoffer] en enkel oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeften. Ook dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het door de psycholoog over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapport blijkt - zoals eerder al aan de orde kwam - dat verdachte kampt met forse problematiek. Verdachte heeft het velocardiofaciaal syndroom. Daardoor kampt hij niet alleen met fysieke beperkingen, maar ook met een aanzienlijke cognitieve beperking die doorwerkt op alle levensgebieden. Daarnaast is er sprake van een forse achterstand in de sociaal-emotionele en seksuele ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat verdachte een niet zelfredzame, zeer kwetsbare en weinig weerbare man is wiens ontwikkelingsleeftijd zich bevindt op het niveau van een kind.
Indien het ten laste gelegde bewezen verklaard wordt, acht de psycholoog het zeer aannemelijk dat de vastgestelde problematiek verdachte in grote mate heeft beïnvloed bij zijn gedragskeuzes en gedragingen. Vanuit zijn beperkingen op cognitief en sociaal-emotioneel gebied heeft verdachte volgens de psycholoog onder andere moeite met het begrijpen van relaties en seksualiteit en heeft hij onvoldoende zicht op oorzaak-gevolg relaties. Aannemelijk is dat verdachte zich wel bewust is geweest van de ontoelaatbaarheid van zijn handelen, maar dat hij hiertoe gekomen is omdat hij vanuit zijn verstandelijke beperking niet goed in staat is geweest om de op dat moment bij hem aanwezige nieuwsgierigheid en lustgevoelens te beheersen en onvoldoende besef heeft gehad van de impact van zijn handelen op het slachtoffer. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank kan zich verenigen met deze bevindingen en conclusies en neemt deze over. De rechtbank zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekenen en zal daar in de strafoplegging in hoge mate rekening mee houden in strafmatigende zin.
De psycholoog adviseert voorts dat het gezien de problematiek van verdachte wenselijk is dat hij blijvend ondersteund en begeleid wordt in zijn sociaal-maatschappelijk functioneren in de vorm van 24-uurszorg. Hij is nauwelijks leerbaar en behandelbaar dus de hulpverlening dient zich te richten op het bieden van externe structuur en praktische ondersteuning. Vanuit gedragskundig oogpunt verdient het voorkeur verdachte met een WLZ-indicatie te plaatsen binnen de gehandicaptenzorg in een beschermde woonvorm met 24-uurszorg, waar hij dagbesteding kan volgen en waar voldoende structuur en toezicht geboden wordt. De kans op seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt in een dergelijke setting klein geacht. De psycholoog benadrukt hierbij dat een plaatsing in een forensisch kader niet passend wordt geacht, gelet op de ernst van de cognitieve beperking van verdachte. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psycholoog en adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden en verdachte buiten het
strafrecht, in het kader van de gehandicaptenzorg de zorg te bieden die hij nodig heeft.
De straf
Gezien de aard en ernst van het strafbare feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt is ondanks de verminderde toerekenbaarheid en de kwetsbaarheid van verdachte - enkel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. De rechtbank acht het gelet op het advies van de psycholoog echter ook van groot belang dat verdachte de zorg en begeleiding krijgt die hij nodig heeft en derhalve dat hij geplaatst wordt binnen de gehandicaptenzorg in een 24-uurszorgvoorziening. Een dergelijke plaatsing vindt echter plaats in vrijwillig kader en kan dus door verdachte worden geweigerd. Om ervoor te zorgen dat verdachte meewerkt en de noodzakelijke zorg krijgt en het ook in het kader van het recidiverisico van belang is dat er voldoende toezicht en begeleiding is, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstaf voorwaardelijk op te leggen met medewerking aan de plaatsing in de gehandicaptenzorg als bijzondere voorwaarde.
Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden, maar zal daarvan 6 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 1 jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde dat verdachte dient mee te werken aan een plaatsing in een beschermde woonvorm met 24-uurszorg binnen de gehandicaptenzorg.
Benadeelde partij
[meldster] heeft zich voor haar dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.000,-ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering; primair in verband met de bepleite niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd om ontvangen te worden in het strafproces. Voorts heeft [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank ook daadwerkelijk recht op vergoeding van immateriële schade. In gevallen als de onderhavige brengen de aard en de ernst van de normschending immers mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Daarnaast blijkt uit de onderbouwing van de vordering alsook uit de slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] dat hoewel de toekomst zal moeten uitwijzen welke gevolgen het bewezenverklaarde precies heeft ook nu al de impact op het fysieke en mentale welzijn van [slachtoffer] merkbaar is. [slachtoffer] is bang geworden
voor mannelijke familieleden, durft niet meer buiten te spelen, heeft last van nachtmerries en paniekaanvallen, is snel boos en betrekt alles wat niet goed gaat op haarzelf. [slachtoffer] krijgt samen met haar moeder dan ook hulp van het [instelling] . Dit bevestigt dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van 7.500,-. Bij de begroting van die schade heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, die in de Nederlandse rechtspraak wordt gebruikt als richtlijn bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. Meer specifiek heeft de rechtbank mede gelet op de in de Rotterdamse Schaal genoemde relevante factoren voor de omvang van smartengeld de ernst van de seksuele handelingen en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] meegewogen, de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van [slachtoffer] meegewogen, het feit dat het misbruik heeft plaatsgevonden door een familielid met wie een vertrouwensband bestond alsook dat het misbruik heeft plaatsgevonden in een voor [slachtoffer] vertrouwde omgeving. Alles afwegende acht de rechtbank zoals gezegd, een schadevergoeding ter hoogte van 7.500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Gelet op de jonge leeftijd van [slachtoffer] zal de rechtbank bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019) te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen door deze clausule slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is, vanaf welk moment zij zelf over de gelden kan beschikken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 36f en 250 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op één jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
Veroordeelde werkt mee aan plaatsing en verblijft na die plaatsing in een beschermde woonvorm met 24-uurszorg binnen de gehandicaptenzorg. Veroordeelde houdt zich aan aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven en houdt zich aan de huisregels en het programma van de instelling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan/ten behoeve van [slachtoffer] te betalen:
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,- (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort
op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. M. Jannink, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2026.
Mr. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.