RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/573
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: A.H. van Leeuwen),
en
(gemachtigde: mr. K. Croezen).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel [derde belanghebbenden] , allen te [plaats] .
Procesverloop
1. Bij besluit van 10 februari 2026 heeft het college het bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2025 geschorste besluit van 11 juni 2025 gewijzigd. Verzoekers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. Zij verzoeken om schorsing van het wijzigingsbesluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, via een digitale verbinding bijgestaan door hun gemachtigde mr. van Leeuwen. Voor het college zijn verschenen D. Sanders, bijgestaan door gemachtigde mr. Croezen. Verder zijn namens het college van gedeputeerde staten verschenen S. Kiers en R. Smit, medewerkers van de provincie Drenthe. Voor derde-partijen zijn verschenen [namen] en [naam]
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hij overweegt daarbij het volgende.
Bij besluit van 21 november 2024 heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder aanlegvergunning en daarmee in strijd met het bestemmingsplan aanleggen van aarden wallen, een zandheuvel en een vijver op het perceel [adres] te [plaats] . Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.
Bij besluit op bezwaar van 11 juni 2025 heeft het college verzoekers een nieuwe last onder dwangsom opgelegd om de overtredingen op het perceel voor 1 november 2025 te beëindigen. Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit geschorst totdat door de rechtbank uitspraak is gedaan op het beroep.
Op 10 februari 2026 heeft het college het wijzigingsbesluit genomen. Verzoekers zijn daarbij gelast om de illegale aarden wallen rondom de camping te verwijderen en de zandheuvel af te toppen tot maximaal 2 meter hoog. Voor het beëindigen van de overtredingen is een begunstigingstermijn gesteld tot 1 maart 2026. Daarna wordt voor elke overtreding een dwangsom verbeurd van €2.500 per week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van €25.000 per overtreding. Ten aanzien van de vijver is overwogen dat de last is opgeschort totdat verzoekers de door het college gevraagd gegevens zijn aangeleverd en op de aanvraag om omgevingsvergunning is beslist.
Verzoekers hebben verzocht om schorsing van het besluit van 10 februari 2026. Dat besluit wijzigt de last onder dwangsom in de beslissing op bezwaar van 11 juni 2025. Dat laatste besluit is geschorst door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 22 december 2025 totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strekt de schorsing van de last in het besluit van 11 juni 2025 zich ook uit tot het wijzigingsbesluit van 10 februari 2026. Dat volgt uit artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin artikel 6:19, van de Awb van overeenkomstige toepassing is verklaard op een verzoek om voorlopige voorziening. Een andere lezing zou ertoe leiden dat een bestuursorgaan door wijziging van een geschorst besluit de schorsing zou kunnen omzeilen. Dat is niet alleen ongewenst, maar bovendien in strijd met het systeem van de Awb.
Voor zover de inzet van het college erop was gericht om de overtredingen op korte termijn te beëindigen gelet op het naderende broedseizoen, wijst de voorzieningenrechter erop dat het college op grond van artikel 8:87, tweede lid, van de Awb een verzoek had kunnen doen om de schorsing op te heffen
3. De voorzieningenrechter ziet ondanks de afwijzing van het verzoek, aanleiding om het college in de proceskosten van verzoekers te veroordelen. Het wijzigingsbesluit was er nadrukkelijk op gericht om verzoekers te bewegen tot het ongedaan maken van overtredingen, ondanks de eerdere schorsing. Het college heeft verzoekers hierdoor in de positie gebracht dat zij zich zekerheidshalve tot de voorzieningenrechter moesten wenden. Het college dient daarom aan verzoekers het griffierecht te vergoeden en moet aan verzoekers een vergoeding betalen voor hun proceskosten.
Het griffierecht bedraagt € 200,-. De vergoeding voor proceskosten wordt berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 1868,- ;
- bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht à € 200,- aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
griffier voorzieningenrechter
de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.