[naam], uit Nieuwe Pekela, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pekela.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om verzoeker een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het perceel [adres]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of er sprake is van spoedeisend belang. Als dat zo is, kan aan de orde komen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat in dit geval geen sprake is van spoedeisend belang.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Procesverloop
2. Op 19 maart 2025 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de last onder dwangsom gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Onverwijlde spoed
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is daarbij bedoeld als spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het beroep is beslist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker per brief van 5 februari 2026 gevraagd om vóór 12 februari 2026 te laten weten of sprake is van onverwijlde spoed en zo ja, om toe te lichten waaruit die onverwijlde spoed bestaat. In dezelfde brief heeft de voorzieningenrechter verzoeker ook in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te betalen vóór 12 februari 2026.
De voorzieningenrechter heeft de brief van 5 februari 2026 met een beveiligd emailbericht aan verzoeker gestuurd en vastgesteld dat het emailbericht door verzoeker ook is geopend. Verzoeker heeft het griffierecht daarna op 9 februari 2026 betaald.
Verzoeker heeft niet gereageerd op het verzoek om te laten weten of sprake is van onverwijlde spoed en die te onderbouwen. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verzoeker in financiële nood dreigt te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom geen sprake van een spoedeisend belang.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen spoedeisend belang kan worden aangenomen, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in beroep in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet overduidelijk is dat het besluit geen stand zal kunnen houden.
Conclusie en gevolgen
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: