ECLI:NL:RBNNE:2026:579

ECLI:NL:RBNNE:2026:579

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 18.166904.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vijf vuurwapens en munitie. Strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.166904.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Volckmann, advocaat te Deventer. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. van Essen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen, althans in Nederland,

althans een wapen van de categorie III van de Wet wapens en munitie en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, onder andere gelet op de bekennende verklaring van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 2 juli 2025, opgenomen op pagina 110 e.v. van deel drie van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 29 mei 2025 te Emmen,

voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapens en munitie van categorie III.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Bij het bepalen van de strafmaat dient de context waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie meegewogen te worden. Op 29 mei 2025 heeft er een schietpartij plaatsgevonden in Emmen waarbij verdachte beschoten werd. Voorafgaand aan het schietincident werd verdachte bedreigd met de dood, is hij mishandeld en is er schade aan zijn auto toegebracht. Gelet op voornoemde dreigende situatie heeft verdachte ter zelfbescherming vuurwapens aangeschaft. Toen verdachte op enig moment in gesprek wilde gaan met de mensen die hem bedreigden, is hij zonder enige aanleiding beschoten. Ondanks dat verdachte op dat moment ook een wapen droeg, heeft hij daarmee niet geschoten en heeft hij zich onttrokken aan de situatie. Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:465) lijkt het dat de Hoge Raad een bepaalde marge voor exoneratie heeft ingebouwd indien iemand onder dreigende omstandigheden en ter zelfbescherming een wapen voorhanden heeft. Daarvan is in onderhavige zaak sprake. Verdachte heeft de wapens niet lichtzinnig aangeschaft, nu er sprake was van een evidente noodzaak tot verdediging. Dit dient in strafmatigende zin meegewogen te worden.

Voorts kan het feit dat er een schietincident heeft plaatsgevonden niet in strafverzwarende zin aan verdachte toegerekend worden, omdat hij degene was die beschoten werd. Tot slot ligt het in de rede om, gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, de totaal op te leggen straf te matigen bij het voorhanden hebben van meerdere wapens in plaats van een optelsom te maken van de straf die voor elk wapen los opgelegd kan worden.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien, is een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies d.d. 17 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vijf vuurwapens en munitie. Op 29 mei 2025 is verdachte betrokken geweest bij een schietpartij in Emmen waarbij hij zou zijn beschoten.

Toen verdachte aangehouden en gefouilleerd werd, is een doorgeladen vuurwapen in zijn jaszak aangetroffen. Vervolgens zijn in de berging behorend bij de woning van verdachte nog vier wapens en munitie in een doos aangetroffen. Naar eigen zeggen werd verdachte al langere tijd bedreigd en heeft hij voor zijn eigen bescherming de wapens aangeschaft. Op 29 mei 2025 wilde verdachte de mensen die hem bedreigden aanspreken, hetgeen vervolgens uitmondde in een schietpartij.

Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voorts onderschrijft onderhavige zaak het feit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan, hetgeen levensgevaarlijke situaties veroorzaakt, ook voor omstanders. Van dit gevaar heeft verdachte zich op geen enkel moment rekenschap gegeven.

De rechtbank rekent verdachte het voornoemde zwaar aan. Gelet op de ernst van het feit alsmede de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, is oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf te rechtvaardigen.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank de context waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde feit, als strafverzwarend. Verdachte heeft met een doorgeladen wapen in de openbare ruimte bewust de confrontatie opgezocht met mensen die hem bedreigden en waarvan hij wist dat ook zij het bezit en het gebruik van vuurwapens niet schuwden. Dit acht de rechtbank geen zelfbescherming of zelfverdediging, maar juist een bewuste keuze van verdachte om bewapend het conflict op te zoeken. Dat verdachte tijdens de confrontatie uiteindelijk niet zelf geschoten heeft, doet daar niet aan af. In de bedreigende situatie zoals door verdachte omschreven, had hij andere keuzes kunnen en moeten maken. Verdachte lijkt dat niet te willen inzien. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte tijdens de behandeling ter zitting te kennen heeft gegeven dat het goed was dat hij de bewuste dag een pistool had meegenomen omdat er door anderen werd geschoten.

Bovendien neemt de rechtbank als strafverzwarend in aanmerking dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd met betrekking tot een (deels) voorwaardelijke veroordeling, ook voor vuurwapen bezit. Hoewel de reclassering een deels voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daartoe over te gaan. De eerdere voorwaardelijke veroordeling heeft verdachte er immers ook niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Bovendien heeft verdachte aangegeven niet bereid te zijn om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. M. Jannink rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.

Mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F. Sieders
  • mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga
  • mr. M. Jannink

Griffier

  • mr. A. Kamphuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?