RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.033183.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. Dolinski, advocaat te Assen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 december 2023 tot en met 18 december 2023, te Assen, althans in Nederland,
tezamen en in verenging met anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 24 maanden. De officier van justitie acht bewezen dat aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) op 15 december 2023 door medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is gedwongen om verdachte te pijpen en dat aangeefster op 18 december 2023 is gedwongen om (vaginale) seks te hebben met verdachte.
De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en worden ondersteund door de door verdachte en [medeverdachte] erkende aanwezigheid van verdachte in de woning van aangeefster op 15 december 2023, alsmede de historische locatiegegevens van de telefoon van verdachte op of omstreeks 18 december 2023.
Daarnaast hebben diverse getuigen verklaard dat aangeefster hen heeft verteld over de verkrachtingen en nam een van hen, net als de politie, hevige emoties waar bij aangeefster op het moment dat ze hierover vertelde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en heeft betoogd dat haar verklaringen voorts onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 16 tot en met 18 december 2023 bij aangeefster thuis is geweest en (vaginale) seks met haar heeft gehad.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster met betrekking tot verdachte - samengevat en voor zover hier relevant - inhouden dat verdachte en [medeverdachte] op 15 december 2023 naar de woning van aangeefster kwamen. Aangeefster moest eerst [medeverdachte] pijpen waarna ze naar
verdachte moest kruipen en hem moest pijpen. Aangeefster wilde dit niet, maar ze deed het toch omdat [medeverdachte] het haar opdroeg. Omdat verdachte zag dat ze het niet wilde, zei hij op een gegeven moment dat ze mocht stoppen. [medeverdachte] was het hier niet mee eens. Enkele dagen later stuurde [medeverdachte] aangeefster een bericht waarin stond dat verdachte bij haar zou komen en dat ze hem blij moest maken. Verdachte kwam de woning van aangeefster binnen en ging naakt op haar bed liggen, waarna aangeefster (vaginale) seks met hem had. Aangeefster moest dit doen om te laten zien dat ze loyaal was en dat ze kon luisteren.
Zowel verdachte als [medeverdachte] heeft verklaard dat zij op 15 december 2023 samen bij aangeefster thuis waren. Zij hebben echter verklaard dat er in het geheel geen seksuele handelingen zijn verricht.
Verdachte ontkent voorts dat hij enkele dagen later weer bij aangeefster is geweest.
De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht.
De verklaringen zijn consistent en gedetailleerd en worden ondersteund door (een weergave van) chatgesprekken die aangeefster met regelmaat en over een periode van zes maanden voerde met hulpverleningsinstantie FIER. Daarnaast komen de gebeurtenissen waarover aangeefster heeft verklaard terug in door haar overgelegde fragmenten uit haar dagboek.
De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster veel elementen bevatten die authentiek overkomen. In het bijzonder valt het de rechtbank op dat aangeefster over 15 december 2023 heeft verklaard dat ze trilde en huilde toen ze verdachte van [medeverdachte] moest pijpen en dat ze heel blij was toen verdachte zei dat ze mocht stoppen omdat hij zag dat ze het niet wilde. Ze verklaarde bij de rechter-commissaris hierover dat ze dacht dat verdachte goed voor haar was. Deze beschrijving komt zeer authentiek over en de rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen.
De vraag die de rechtbank (vervolgens) dient te beantwoorden is of er in deze zaak wordt voldaan aan het bewijsminimum als bedoeld in volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad1 leidt de rechtbank af dat volgens artikel 342 lid 2 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen.
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van aangeefster - zoals gezegd - als het gaat om de betrouwbaarheid worden ondersteund door de weergave van haar chatgesprekken met FIER en haar dagboekfragmenten. Deze informatie is in de kern echter telkens afkomstig van aangeefster zelf, en kan dan ook niet worden gezien als bewijsmiddelen afkomstig uit een andere bron, wat noodzakelijk is om te voldoen aan het wettige bewijsminimum.
Datzelfde geldt voor de verklaringen van getuigen ( [getuige 1] en [getuige 2] ), die hebben verklaard over hetgeen aangeefster hen heeft verteld. Dat [getuige 2] en verbalisanten hebben waargenomen dat aangeefster emotioneel was toen ze over de verkrachtingen door verdachte vertelde, maakt dit niet anders
nu het gaat om waarnemingen van emoties ruim nadat het voorval plaatsvond. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet te vergelijken met waargenomen emoties direct na een voorval of bij een plotselinge confrontatie met de dader, zoals het geval was in de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie.2
Nu verdachte en [medeverdachte] ontkennen dat er op 15 december 2023 seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en het dossier evenmin ondersteunende bewijsmiddelen bevat die in de kern afkomstig zijn uit een andere bron dan aangeefster, ziet de rechtbank onvoldoende wettig bewijs dat verdachte en [medeverdachte] aangeefster op 15 december 2023 hebben gedwongen seksuele handelingen te ondergaan.
Ook ten aanzien van het tweede moment waarover aangeefster heeft verklaard, tussen 15 en 19 december 2023, waarbij verdachte alleen naar de woning van aangeefster zou zijn gekomen, ziet de rechtbank onvoldoende steun voor de verklaring van aangeefster uit een andere bron. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte. Door verbalisanten wordt hierover geconcludeerd dat 18 december 2023 de meest waarschijnlijke dag is waarop (de telefoon van) verdachte in de omgeving van de woning van aangeefster is geweest. De rechtbank constateert echter dat de mast die de telefoon van verdachte op het bedoelde moment aanstraalde een mast betreft met een dekkingsgebied waar de woning van aangeefster buiten valt. De telefoon van verdachte straalde blijkens de historische gegevens op geen enkel moment (binnen de onderzochte periode) dezelfde mast(en) aan die de telefoon van aangeefster doorgaans aanstraalt als zij thuis is. Zowel verdachte als aangeefster woonden in Assen in de onderhavige periode. De aanwezigheid van (de telefoon van) verdachte (enigszins) in de omgeving van de woning van aangeefster kan dan ook niet (zonder meer) worden gezien als ondersteunend voor zijn aanwezigheid in de woning.
De rechtbank ziet de historische gegevens van de telefoon van verdachte dan ook niet als (voldoende) ondersteunend bewijs voor de verklaringen van aangeefster en acht derhalve niet bewezen dat verdachte een tweede maal bij aangeefster thuis is geweest.
Het voorgaande brengt met zich mee dat niet wordt voldaan aan het wettelijke bewijsminimum zodat verdachte integraal zal worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H. Eising en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.
Mrs. Eising en Spooren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Onder andere ECLI:NL:HR:2024:686, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
2 ECLI:NL:HR:2014:957 en ECLI:NL:HR:2023:946.