[naam uit woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, het college
(gemachtigde: mr. V. Djordjevic).
Totstandkoming van het besluit
1. Verzoekster ontvangt sinds 1 januari 2016 algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft bij besluit van 27 januari 2026 de bijstand vanaf 1 januari 2026 geblokkeerd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt mogelijk dat de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting doet. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek gegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig, nu verzoekster vanaf 1 januari 2026 geen bijstand heeft ontvangen.
4. Het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand is rechtmatig indien het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop duiden dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om al tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.
Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van het college is gebleken dat verzoekster waarschijnlijk geen of minder recht heeft op een bijstandsuitkering. Daarbij vermeldt het college dat verzoekster binnenkort een besluit zal ontvangen waarin het gemotiveerd zal aangeven of en zo ja welke gevolgen de conclusies uit het onderzoek hebben voor haar recht op bijstand.
De voorzieningenrechter stelt vast dat een motivering die ziet op het blokkeren van de uitkering ontbreekt. In het bestreden besluit wordt alleen verwezen naar een nog te nemen besluit. Zodanig besluit is nog niet genomen. Omdat het besluit niet gemotiveerd is kan de voorzieningenrechter geen inschatting maken of het door verzoekster ingediende bezwaarschrift kans van slagen heeft. Dit dient voor rekening van verweerder te komen.
5. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Dat betekent dat het blokkeren van verzoeksters bijstandsuitkering wordt geschorst tot zes weken nadat het college een besluit op het bezwaar van verzoekster heeft genomen.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend. Deze proceshandeling heeft een waarde van € 934.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: