RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/404208-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.H. Wormhoudt, advocaat te Ruinerwold. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door
mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Assen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of in de bil en/of in de vinger, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Assen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of in de bil en/of in de vinger, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan het signalement zoals aangever [slachtoffer] in zijn aangifte heeft omschreven. Ook is niet vastgesteld dat aangever door verdachte is gestoken met een mes. Onder verdachte is een sleutelbos inbeslaggenomen, waar zich bloed op bevond. Onderzoek naar het bloed op de sleutelbos door het NFI heeft niets opgeleverd, zodat onbekend is gebleven of het bloed van verdachte was, of van het slachtoffer. Indien zou kunnen worden vastgesteld dat aangever met een sleutelbos zou zijn geslagen, is niet aannemelijk dat daarmee de dood zou kunnen worden veroorzaakt. Voorts is uit forensisch onderzoek geen enkele link gebleken tussen aangever en verdachte.
De raadsman heeft opgemerkt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel betrokken is, uit het dossier niet blijkt dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had aangever van het leven te beroven, dan wel opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verwardheid van verdachte staat aan (het bewijs van) opzet in de weg, nu hij niet in staat was psychisch behoorlijk te functioneren en zijn bewustzijn was verstoord. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het letsel van aangever niet te kwalificeren valt als zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 december 2024, opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024346626 (onderzoek BEL/NN3R024124) d.d. 2 juni 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :
U vraagt mij wat er vandaag, 20 december 2024, is gebeurd in het AZC in Assen.
Ik ben naar de badkamer gegaan. Toen ik bezig was, kwam die persoon van achter met een mes in zijn hand. (...) Ik zag een man staan met een mes in zijn handen. Ik vroeg "wat wil je" en stapte naar achteren. Ik zag dat de man mij begon aan te vallen met het mes. Ik voelde dat hij mij begon te steken. Hij begon mij gelijk te steken in het hoofd. Ik stapte naar achteren en kwam in de hoek van de badkamer terecht. Ik zag dat hij op mij afkwam en mij weer begon te steken in het hoofd. Hij raakte mij bovenop het hoofd. Ik ben gewond geraakt aan mijn hoofd. Er was verder niemand bij mij in de badkamer. Ik was alleen met die man in de badkamer. U vraagt mij hoe de man is gestopt, nadat de man mij meerdere keren had gestoken in het hoofd, heb ik geprobeerd om te vluchten, ik voelde dat de man mij vastpakte. Ik voelde dat de man mij toen nogmaals stak met een mes. Ik voelde dat de man mij vlak onder mijn linker bil stak.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 21 december 2024, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :
Ik zag dat hij mij probeerde te steken op mijn borst en mijn hand. Ik pakte toen zijn handen vast om te voorkomen dat ik nog een keer werd gestoken.
V: Je geeft aan dat je zag dat de verdachte jou probeerde te steken in jouw borst en hand. Wat zag je dat de verdachte deed?
A: Op dat moment zag ik dat hij in mijn richting bewoog en mij probeerde te steken. Ik zag dat hij zijn rechterarm in mijn richting bewoog. Toen ik hem vasthield probeerde hij zijn arm los te maken om mij alsnog te kunnen steken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2024, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering van verbalisant [verbalisant] :
Op verzoek van de DR naar het AZC aan [adres] te Assen gegaan om beelden op
te halen. Samen met iemand van de beveiliging de beelden opgezocht en deze speelde ze ook af. Ik zag op de beelden het volgende:
Ik zie een man in de gang lopen. Deze draagt een grijze trui en lichte broek, volgens
de beveiliger is dit het slachtoffer. Hij loopt naar een sanitaire ruimte. 4 minuten later komt er uit een van de kamers een man in een lichte hoodie en donkere broek, dit zou de verdachte zijn, volgens de beveiliger. Deze lijkt de deur af te sluiten en loopt ook naar de sanitaire ruimte. Hij laat de deur van de sanitair ruimte open staan. Vanaf achter de deur zie ik het slachtoffer uit de sanitaire ruimte rennen. Dan komt de verdachte uit de ruimte gelopen, waarop het slachtoffer lijkt te reageren. De verdachte heeft iets in zijn linkerhand. Het slachtoffer lijkt verbaasd op de gang staan en de dader komt vervolgens ook weer de gang op. Het slachtoffer heeft iets van een doek op zijn hoofd.
4. Een forensisch medisch letselrapportage, op 27 november 2025 afzonderlijk opgemaakt en ondertekend door [arts], forensisch arts in opleiding, en [arts], forensisch arts, voor zover inhoudend, als hun geneeskundige verklaring:
Datum onderzoek: 20 december 2024.
Betrokkene: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1995.
Letselbeschrijving Hoofd-halsgebied
Letsel 1: Boven op het hoofd in de behaarde hoofdhuid, ongeveer 2 centimeter voor de
kruin en ongeveer 3 centimeter links van het midden, is een lijnvormige, scherp begrensde huidonderbreking zichtbaar van circa 3,5 centimeter lang die middels 5 hechtingen is gesloten. Het betreft scherprandig letsel (snijwond of steekwond), gezien de locatie
meest waarschijnlijk een snijwond.
Handen
Letsel 2: Aan de binnenzijde van de linker middelvinger, circa 4,5 centimeter boven de vingertop, is een diagonaal georiënteerde, lijnvormige, scherp begrensde, oppervlakkige
huidbeschadiging met korstvorming zichtbaar van circa 0,5 centimeter lang. Het betreft een krasverwonding.
Bekken
Letsel 3: Aan de linker bil, circa 1,0 centimeter links van het midden van de bil en circa
2,0 centimeter boven de onderrand van de bil, is een diagonaal georiënteerde, lijnvormige, scherp begrensde, licht wijkende huidonderbreking zichtbaar van circa 1,0 centimeter lang en circa 0,1 centimeter breed. De broek en onderbroek zijn ter hoogte van de huidonderbreking ook kapot. Het betreft scherprandig letsel, meest waarschijnlijk een steekwond.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Geweldshandelingen
Ten aanzien van de identiteit van de dader en de gepleegde geweldshandelingen overweegt de rechtbank als volgt.
De verklaring van aangever wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de beschrijving van het letsel en de beschrijving van de camerabeelden. De rechtbank acht de verklaring van aangever daarom betrouwbaar en gaat uit van de inhoud daarvan.
Uit de aangifte van aangever volgt dat hij op 20 december 2024 in het AZC te Assen naar de badkamer is gegaan en hier uit het niets van achteren is aangevallen door een persoon. Aangever zag een man staan met een mes in zijn handen en aangever voelde dat hij met een mes op zijn hoofd werd gestoken.
Aangever heeft verklaard dat hij probeerde om de handen van de man vast te pakken maar dat de man in
de richting van aangever bewoog en probeerde aangever in zijn borst en hand te steken. Aangever heeft geprobeerd te vluchten, maar voelde dat de man hem vastpakte. De man stak aangever toen onder zijn linker bil. Uit het letselrapport blijkt dat aangever ook daadwerkelijk is geraakt op het hoofd, in zijn bil en vinger. Daarnaast volgt uit de beschrijving van de camerabeelden van het AZC te Assen dat op 20 december 2024 aangever naar de badkamer loopt. Enkele minuten later loopt een man in lichte hoodie en donkere broek naar de badkamer. Volgens de beveiliger zou dit verdachte zijn. Vervolgens rent aangever uit de badkamer en even later komt ook verdachte de ruimte uit lopen. Verdachte heeft iets in zijn linkerhand. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt verder dat niemand, afgezien van verdachte en aangever, vóór en tijdens het incident de badkamer in is gegaan. Verdachte ten slotte heeft niet ontkend dat hij degene is die aangever heeft aangevallen, maar hij kan het zich niet meer herinneren.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door aangever opgegeven signalement van verdachte niet overeenkomt met de beschrijving van de camerabeelden en verdachte dus niet degene kan zijn geweest die aangever in de badkamer heeft aangevallen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte ná aangever de badkamer binnen is gelopen, en niet iemand anders. Evenmin is gebleken dat zich op dat moment nog iemand anders in de badkamer heeft bevonden, zodat het niet anders kan dan dat aangever met verdachte de confrontatie heeft gehad.
Het is aannemelijk dat aangever zich door stress en paniek van het incident heeft kunnen vergissen in het signalement. Aangever is namelijk kort na het incident gesproken en hij kon niet fatsoenlijk gehoord worden. Het politieverhoor is onderbroken voor de komst van de GGD-arts en de forensische recherche.
Dat verdachte heeft gestoken met een mes, kan de rechtbank niet vaststellen. Uit het letselrapport volgt wel dat aangever op zijn hoofd scherprandig letsel heeft, een snijwond of steekwond. Voorts heeft hij aan zijn linker bil scherprandig letsel, meest waarschijnlijk een steekwond. De rechtbank stelt op grond van het voornoemde vast dat het geconstateerde letsel van aangever het gevolg is van een scherp en puntig voorwerp. Een sleutelbos voldoet niet aan die kenmerken. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de raadsman.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorengaande - in onderling verband en samenhang bezien - voldoende is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die aangever meermalen, met een scherp en puntig voorwerp, op het hoofd en in de bil en in de vinger heeft gestoken en gesneden.
Opzet op de dood
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bij de beoordeling van het voorwaardelijk opzet acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.
Met betrekking tot de kans op het intreden van de dood overweegt de rechtbank dat het hoofd en de borst kwetsbare lichaamsdelen zijn. Voorts kan naar algemene ervaringsregels gesteld worden dat het steken met een scherp en puntig voorwerp in de richting van voornoemde lichaamsdelen levensbedreigend is.
Vooral in een situatie zoals in deze zaak, tijdens een schermutseling in de badkamer waarbij verdachte meerdere ongerichte steekbewegingen maakt naar het lichaam van aangever, waaronder het hoofd en de borst en hij ook daadwerkelijk aangevers hoofd heeft geraakt. Ook verdachte moet ondanks zijn gestelde
verwardheid geacht worden van deze algemene ervaringsregel op de hoogte te zijn. Gelet op het vorenstaande heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij aangever in een vitaal en kwetsbaar deel van zijn lichaam zou raken en dat het steken de dood van aangever had kunnen veroorzaken. Door op deze wijze te handelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich van deze aanmerkelijke kans bewust is geweest en dat hij deze ook heeft aanvaard.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het verweer dat een verdachte als gevolg van zijn psychische gesteldheid niet opzettelijk heeft gehandeld slechts slagen als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat bij verdachte, vanwege een psychische stoornis, geen enkel inzicht aanwezig was in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het doden van aangever.
Conclusie
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals in de bewezenverklaring is opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 20 december 2024 te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een scherp en puntig voorwerp op het hoofd en in de bil en in de vinger van die [slachtoffer] heeft gestoken en gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair. poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het ten laste gelegde, verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem het feit niet kan worden toegerekend. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de verwarde indruk die verdachte blijkens het dossier heeft gemaakt. Al voorafgaand aan de aanhouding door de politie viel het gedrag van verdachte op. Tijdens de aan de aanhouding voorafgegane contacten met COA-medewerkers was duidelijk dat verdachte in de war was en dat met verdachte niet goed te communiceren viel. Die situatie is feitelijk onveranderd gebleven, gedurende het gehele strafrechtelijke onderzoek. Contacten met het NIFP en de reclassering maken duidelijk dat sprake lijkt te zijn van psychiatrische problematiek. De raadsman heeft verwezen naar het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 22 december 2025 met daarin onder meer de onderzoeksbevindingen van de deskundigen B.E.W. Nieuwenhuisen, GZ-psycholoog en M.F. de Vries, psychiater. Daarin wordt geconcludeerd dat verdachte onbegrepen gedrag laat zien. De psycholoog en psychiater geven aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte noch vast te kunnen stellen, noch uit te kunnen sluiten. Zij geven geen advies over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Dit betekent dat een eigen beoordeling door de rechtbank moet plaatsvinden, in welk verband de raadsman erop heeft gewezen dat de deskundigen volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet uitsluiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het feit en dat het feit daarom volledig aan verdachte kan worden toegerekend.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier en de rapportages, waaronder het bovengenoemd PBC-rapport en het reclasseringsrapport van 20 januari 2026 die over verdachte zijn opgemaakt. Op basis van deze stukken komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank overweegt hiertoe dat het aannemelijk is dat verdachte in een verwarde toestand verkeerde, gelet op zijn uitlatingen bij de politie en zijn gedrag binnen het AZC. De beschikbare stukken bevatten echter onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was. De conclusies van de GZ-psycholoog B.E.W. Nieuwenhuisen en psychiater M.F. de Vries zijn immers dat een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens niet kon worden vastgesteld. Het is dan ook niet mogelijk geweest om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een eventuele stoornis ten tijde van het ten laste gelegde feit en over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het rapport van het PBC blijkt dat enerzijds verdachte geen psychotische symptomen liet zien en anderzijds dat mensen met een psychose veelal niet in staat zijn psychotische symptomen voor anderen verborgen te houden. Hoewel verdachte in zijn detentie heeft gezegd stemmen te horen, heeft hij later gezegd deze klachten niet te hebben en blijkt hij verder goed te functioneren. De deskundigen betwijfelen dan ook of van deze klachten echt sprake is (geweest).
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd, dat verdachte ter zake het onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft zij gevorderd om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM) aan verdachte op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Ook heeft de raadsman ten aanzien van de gevorderde GVM geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over de persoon van verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 september 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag waarbij hij het slachtoffer met een scherp en puntig voorwerp meermaals heeft gestoken op zijn hoofd, in zijn bil en in zijn vinger. Dat het slachtoffer niet dodelijk is verwond, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Niet alleen is met deze aanval het slachtoffer zijn lichamelijke integriteit geschonden, maar de aanval vond ook plotseling en onverwachts plaats. Zulke geweldsincidenten zorgen bovendien voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en meer specifiek in het betreffende AZC, aangezien het feit zich daarbinnen heeft afgespeeld. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat de gevolgen voor het slachtoffer nog steeds voelbaar zijn blijkt wel uit de slachtofferverklaring die namens hem is voorgedragen ter terechtzitting.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 4 september 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Een onderzoek naar het psychisch functioneren van verdachte werd van belang geacht. Een klinische observatie middels een opname in het PBC heeft aansluitend plaatsgevonden van 15 september tot 24 oktober 2025.
Uit het rapport van het PBC d.d. 22 december 2025 met daarin onder meer de onderzoeksbevindingen van de deskundigen B.E.W. Nieuwenhuisen,
GZ-psycholoog en M.F. de Vries, psychiater volgt - kort samengevat het volgende: Gedurende verdachte zijn observatieperiode in het PBC komen geen evidente aanwijzingen naar voren voor actuele ernstige psychiatrische stoornissen, een depressie of angststoornis, een ontwikkelingsstoornis (zoals een autismespectrumstoornis) of een
trauma-gerelateerde stoornis (zoals PTSS). De beschrijvingen van het gedrag van verdachte in het dossier geven aanwijzingen voor een vorm van psychische ontregeling in de aanloop naar het ten laste gelegde en bij de verhoren, maar vanwege de grote beperkingen in het huidige onderzoek is het niet mogelijk dit gedrag in retrospectief gedragskundig te duiden. Door de beperkte onderzoekbaarheid van verdachte en het gebrek aan informatie, is niet gebleken een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van verdachte zijn geestvermogens vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Omdat een stoornis niet kon worden vastgesteld, noch uitgesloten, konden onderzoekers geen gedragskundige onderbouwing leveren voor een eventuele doorwerking van een eventuele pathologie in de gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Naast bovenstaand overwegingen kan van een mate van acculturatieproblematiek gesproken worden.
Verdachte is de Nederlandse taal niet machtig, lijkt in Nederland geen gestructureerde dagbesteding te hebben, heeft ogenschijnlijk geen Nederlands sociaal netwerk en een onzekere verblijfstatus.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsadvies van 20 januari 2026. De reclassering adviseert om aan veroordeelde op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en de hierboven aangehaalde stukken aanwijzingen aanwezig zijn dat op grond van de doorwerking van verdachte zijn psychosociaal functioneren het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank weegt dit gegeven strafverminderend mee.
De straf
Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer alsmede gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
GVM
De rechtbank acht het voorkomen van herhaling van groot belang. Gelet op de problematiek van verdachte en het hiermee samenhangende recidiverisico, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de mogelijkheid bestaat om verdachte langdurig onder toezicht te stellen.
Om deze reden zal de rechtbank aan verdachte ook de GVM ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan, nu
-
verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten poging tot doodslag.
maatregel eist.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.150,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij in de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partij
Ten aanzien van het onder primair bewezen verklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.150,- (zegge: duizend honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. F. Sieders en
mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.