RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing
Zittingsplaats Assen
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/18/252161 / KG RK 26/51
Beslissing van 12 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker sub 1] B.V.
[verzoeker sub 2] ,
[verzoeker sub 3] B.V.
[verzoeker sub 4] B.V.
[verzoeker sub 5] ,
gemachtigde: [gemachtigde verzoekers] ,
[adres] ,
hierna te noemen: verzoekers,
strekkende tot de wraking van
mr. B. van Walderveen,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter die is belast met de behandeling van de bestuursrechtelijke procedures met zaaknummers [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] en [nummer] . Voormelde zaken hebben betrekking op namens verzoekers ingestelde beroepen ten aanzien van besluiten inzake de heffing dan wel invordering van belasting voor personenauto’s en motorfietsen (afgekort: BPM). Wederpartij in deze zaken is de Inspecteur van de Belastingdienst.
Op 12 december 2025 heeft de gemachtigde van verzoekers in de hiervoor genoemde bestuursrechtelijke procedures eveneens een verzoek tot wraking van de(zelfde) rechter ingediend.
Op 21 januari 2026 heeft de wrakingskamer van deze rechtbank dat wrakingsverzoek kennelijk niet ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek te laat was ingediend.
De gemachtigde van verzoekers heeft aan het onderhavige verzoek tot wraking van 27 januari 2026 onder meer en voor zover van belang het volgende ten grondslag gelegd. De gemachtigde geeft aan dat hij op 26 januari 2026 “vol ongeloof en afschuw” de afwijzing van de wraking van de rechter door de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft ontvangen.
De gemachtigde wraakt deze rechter thans opnieuw, met dezelfde redenen en op dezelfde gronden. Daarbij schetst de gemachtigde van verzoekers de kaders van hoe de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter met inachtneming van het Unierecht moet worden getoetst.
Voorts stelt de gemachtigde zich (wederom) op het standpunt dat, gelet op de aangevoerde gronden in de eerdere procedures en de onverenigbaarheid van de eerdere beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag met een bepaling van het Unierecht, dat de rechter zich in alle zaken die bij de rechtbank Noord-Nederland aanhangig zijn en waarin de gemachtigde namens verzoekers optreedt had moeten verschonen. Verzoekers stellen dat het niet anders kan dan dat de rechter niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk en onpartijdig. Nu de rechter zich niet heeft verschoond, verzoekt de gemachtigde van verzoekers - onder meer - het wrakingsverzoek toe te wijzen en de vragen ten aanzien van het Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De rechter verwijst daartoe naar de eerdere beslissingen van de wrakingskamers van de rechtbank Den Haag van 1 december 2025 en de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2026, waarbij vrijwel identieke wrakingsverzoeken van dezelfde gemachtigde tegen de(zelfde) rechter zijn afgewezen en waarbij een verbod c.q. verboden zijn opgelegd om wederom een wrakingsverzoek in te dienen.
De rechter bestrijdt dat hij het Unierecht niet of niet juist heeft toegepast ten faveure van het nationale recht. Indien al sprake is van een foutieve toepassing van het recht, is dat bovendien geen reden om een wrakingsverzoek gegrond te verklaren. Daarvoor dient een hoger beroep. In een hoger beroep kan ook geklaagd worden over een afwijzende beslissing op een wrakingsverzoek, omdat geen zelfstandig hoger beroep mogelijk is tegen afwijzing van een wrakingsverzoek.
De rechter verzoekt het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren, alsmede te oordelen dat sprake is van misbruik van recht en een wrakingsverbod op te leggen. Het verzoek tot wraking wordt immers louter aangewend voor het actief tegenwerken van een inhoudelijke behandeling van de beroepen en dat is een ander doel dan waarvoor wraking in de wet is opgenomen.
3. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de
toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en liet Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld.
De rechtbank overweegt dat verzoekers reeds eerder op 12 december 2025 een gelijkluidend verzoek tot wraking van deze rechter hebben ingediend. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 21 januari 2026 daarop beslist en het wrakingsverzoek kennelijk niet ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek te laat was ingediend. Verzoekers hebben in hun huidige wrakingsverzoek aangegeven dat zij dezelfde rechter opnieuw wraken, met dezelfde redenen en op dezelfde gronden.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker en hun gemachtigde evenmin in dit hernieuwde wrakingsverzoek kunnen worden ontvangen. Er is immers sprake van een verkapt beroep tegen de eerdere beslissing van deze wrakingskamer en daarvoor leent zich een wrakingsverzoek en de wrakingsprocedure zich niet. Tegen de beslissing op een wrakingsverzoek (zoals ook vermeld in de beslissing van 21 januari 2026) staat geen zelfstandig rechtsmiddel open, (zie ic. art. 8:18, lid 6, Awb). Daarover kan wel (mede) geklaagd worden in een hoger beroepprocedure tegen de beslissing(en) ten gronde in de hoofdzaak.
Omdat laatstgenoemde mogelijkheid ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad aanwezig is, is er geen sprake van strijdigheid van het nationale recht (in het bijzonder art. 8:18, lid 6, Awb) of het Unierecht en bestaat er ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.
Nu verzoekers en hun gemachtigde ten aanzien van het hernieuwde wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, kan en zal een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking achterwege blijven.
Tot slot overweegt de wrakingskamer dat nu verzoekers en hun gemachtigde tot twee keer toe kansloze wrakingsverzoeken hebben ingediend en zij aldus het middel van wraking voor een ander doel, te weten het frustreren van de behandeling van de beroepen, gebruiken dan waarvoor het is gegeven, er sprake is van misbruik van het middel van wraking. De wrakingskamer zal daarom met toepassing van artikel 8:18, lid 5, Awb bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaken met zaaknummers [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] en [nummer] , alsmede de bestuursrechtelijke procedures met zaaknummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] (zoals genoemd in bijlage 1 van het verweerschrift van de rechter, zijnde de in totaal 21 BPM-zaken die nog op zitting moeten komen) niet meer in behandeling zal worden genomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking – kennelijk – niet ontvankelijk;
- bepaalt dat de hoofdzaken (met zaaknummers: [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] en [nummer] ) worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevonden;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechter en de betrokken partij(en);
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken (met zaaknummers: [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] , [nummer] en [nummer] alsmede de bestuursrechtelijke procedures met zaaknummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) niet in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 12 februari 2026.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.