beslissing
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/251814 1KG RK 26/29
Beslissing van 26 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van
mr. C.S. Huizinga,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
De wrakingskamer heeft afgezien van een mondelinge behandeling.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer [nummer] tussen de ING Bank N.V. en verzoeker. Verzoeker is gerekwestreerde in een verzoekschriftprocedure ex artikel 3:268, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek. De ING Bank N.V. heeft de (voorzieningen)rechter verzocht om toestemming om een aan verzoeker toebehorende onroerende zaak (waarop ten gunste van de ING Bank een recht van eerste hypotheek is gevestigd) onderhands te mogen verkopen aan een derde. De zitting stond gepland op 19 januari 2026.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt door zijn op de ochtend van de zitting van 19 januari 2026 gedane verzoek om voornoemde procedure door te halen dan wel aan te houden niet toe te wijzen. Als reden voor dit uitstelverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat de ING Bank N.V. kenbaar had gemaakt dat de procedure geen doorgang (meer) zou vinden. Daarnaast was verzoeker ziek en woonachtig in [woonplaats] , waardoor het voor hem feitelijk niet mogelijk was om op zo’n korte termijn alsnog in Groningen te verschijnen. Door de zitting toch door te laten gaan is bij verzoeker de indruk ontstaan dat de rechter de ene partij wél en de andere partij niet een reële kans geeft om gehoord te worden. Dit wekt aldus verzoeker de schijn van partijdigheid.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten. Hij heeft aangegeven dat de griffie verzoeker reeds bij brief van 11 november 2025, tevens per e-mail verzonden, heeft bericht dat de zitting was bepaald in Groningen op 19 januari 2026 om 14:00 uur in de middag. Verzoeker was aldus geruime tijd tevoren al op de hoogte gesteld van de datum en de locatie van de zitting en daarvoor ook op de juiste wijze opgeroepen. Op 19 januari 2026 rond 08:33 uur heeft verzoeker telefonisch contact gezocht met de griffie en gevraagd of de zitting doorgang zou vinden. Nadat dit werd bevestigd heeft de rechtbank om 08:51 uur van verzoeker een verzoek ontvangen om de lopende procedure door te halen, dan wel de zitting aan te houden. Verzoeker heeft vervolgens rond 10:14 uur bericht gekregen dat zijn verzoek zal worden afgewezen en dat de zitting doorgang zou vinden. De door verzoeker aangehaalde redenen waarom het verzoek tot doorhaling dan wel aanhouding gehonoreerd had moeten worden, liggen aldus de rechter in zijn risicosfeer. Voorts betreft de beslissing op het aanhoudingsverzoek van verzoeker een procesbeslissing, die in beginsel geen grond kan vormen voor wraking.
3. De beoordeling
Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing op een uitstelverzoek moet worden
aangemerkt als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond
voor een wraking. Alleen als de beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo
onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er
grond voor wraking. De door verzoeker aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet. De
wrakingskamer neemt daarbij het volgende in aanmerking.
De griffie heeft verzoeker bij brief van 11 november 2025, tevens per e-mail verzonden,
bericht dat de zitting zal plaatsvinden in Groningen op 19 januari 2026 om 14:00 uur.
Verzoeker was derhalve al ruime tijd op de hoogte van de datum en de locatie van de zitting.
Verzoeker heeft als reden voor zijn pas op de ochtend van de zitting gedane verzoek tot doorhaling
dan wel aanhouding van de procedure aangegeven dat hij op basis van uitlatingen van de ING Bank
N.V. er vanuit was gegaan dat de zitting geen doorgang (meer) zou vinden. Dat verzoeker kennelijk
pas zo laat, namelijk in de ochtend van 19 januari 2026, aanleiding heeft gezien dit bij de rechtbank
te verifiëren komt voor risico van verzoeker. Daar komt bij dat verzoeker gelegenheid had om juist
tijdens de zitting zijn stelling dat de procedure geen doorgang (meer) hoeft te vinden omdat
overeenstemming met de ING Bank N.V. was bereikt, toe te lichten. Dat had ook van verzoeker
verwacht mogen worden omdat de rechter niet zomaar van de juistheid van de stelling van verzoeker
uit kon gaan zonder de andere partij te horen. Daarvoor is juist de mondelinge behandeling. Dat
verzoeker ziek zou zijn is niet nader toegelicht, noch onderbouwd en levert dan ook in het algemeen
onvoldoende grond op voor het honoreren van een aanhoudingsverzoek. Dat verzoeker niet tijdig
vanuit [woonplaats] in Groningen kon zijn is de wrakingskamer evenmin gebleken nu verzoeker
tijdig op de hoogte was van de datum en locatie van de zitting en tussen het moment
waarop verzoeker wist dat de zitting doorgang zou vinden en het geplande aanvangstijdstip daarvan
voldoende tijd zat om die reis alsnog te maken. Gelet hierop acht de wrakingskamer de beslissing
van de rechter niet onbegrijpelijk of onjuist.
Het wrakingsverzoek bevat ook verder geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de
rechter vooringenomen is. Het verzoek is dan ook kennelijk ongegrond. Een mondelinge
behandeling van het verzoek tot wraking kan en zal daarom achterwege blijven.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek – kennelijk – ongegrond;
- bepaalt dat de hoofdzaak (met nummer: [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechter en de ING Bank N.V..
Aldus gegeven door mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. J.S. Bartstra en mr. A.S. Venema-Dietvorst,
rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning op 26 januari 2026.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.