[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Groningen (op/aan de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een paar) (zwartkleurige Nike Jordan Force) schoenen en/of een vest (Nike TEC) en/of een (zilveren) halsketting en/of een Iphone 12 en/of een bank/pinpas (ING-bank), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
(- zakelijk weergegeven -) hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en/of (daarmee) de vrije doorgang te beletten/belemmeren en/of vast te pakken en/of te houden en/of tegen een muur te drukken en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam en/of met zijn hoofd tegen een muur te slaan en/of een (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) te tonen en/of tegen de keel te zetten en/of hem, die [slachtoffer] , met (de platte kant van) dat/die (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd te slaan en/of (onverhoeds) een of meer goederen uit zijn zak(ken) te grissen/pakken;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Groningen (op/aan de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een paar) (zwartkleurige Nike Jordan Force) schoenen en/of een vest (Nike TEC) en/of een (zilveren) halsketting en/of een Iphone 12 en/of een bank/pinpas (ING-bank), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door (- zakelijk weergegeven -) hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en/of (daarmee) de vrije doorgang te beletten/belemmeren en/of vast te pakken en/of te houden en/of tegen een muur te drukken en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam en/of met zijn hoofd tegen een muur te slaan en/of een (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) te tonen en/of tegen de keel te zetten en/of hem, die [slachtoffer] , met (de platte kant van) dat/die (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd te slaan en/of (onverhoeds) een of meer goederen uit zijn zak(ken) te grissen/pakken.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde feit gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Overweging
De rechtbank merkt op dat zij de indruk heeft dat niet alle verdachten volledig open en eerlijk zijn geweest over hun aandeel in de straatroof. Daardoor kan niet worden vastgesteld wat de individuele bijdrage van iedere verdacht precies is geweest. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is dit niet vereist. De medeplegers zijn in dit geval over en weer aansprakelijk voor elkaars gedragingen. Niet alle ten laste gelegde (gewelds)handelingen behoeven door iedere verdachte afzonderlijk te zijn begaan, zolang er maar sprake is van een substantiële bijdrage.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 15 april 2025 te Groningen op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, een paar Nike Jordan Force schoenen en een vest Nike TEC en een zilveren halsketting en een iPhone 12 en een pinpas ING-bank, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en daarmee de vrije doorgang te belemmeren en vast te pakken en te houden en tegen een muur te drukken en tegen het hoofd en met zijn hoofd tegen een muur te slaan en een machete te tonen en hem, die [slachtoffer] , met de platte kant van die machete tegen het hoofd te slaan en goederen uit zijn zakken te pakken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met een proeftijd van 2 jaren, en met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot de Gedragsbeïnvloedende Maatregel (hierna: GBM) voor de duur van 1 jaar, te vervangen door 6 maanden jeugddetentie, zoals geadviseerd door de deskundigen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de voorwaarde van elektronische monitoring primair op het standpunt gesteld dat deze voorwaarde niet moet worden gesteld. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de voorwaarde moet worden gewijzigd, in die zin dat een enkelband alleen kan worden aangesloten indien verdachte een gele kaart heeft gekregen van de jeugdreclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan een straatroof. Zij hebben de confrontatie opgezocht met het
slachtoffer en hem vastgehouden en meermalen geslagen terwijl zijn zakken werden leeggehaald en meerdere spullen werden meegenomen. Ook werd er een machete getoond en met de platte kant van de machete werd het slachtoffer tegen zijn gezicht geslagen. Dit is een ernstig feit. Verdachte en de medeverdachten hebben door hun handelen het slachtoffer angst aangejaagd en op geen enkele wijze respect getoond voor andermans eigendom. Zij hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit vond plaats in het openbaar, op straat, en draagt daarmee tevens bij aan versterking van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft allereerst in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, twee maanden voor het bewezenverklaarde feit onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van twee straatroven, waarvoor hij in een proeftijd liep.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de navolgende rapportages. In het pro justitia rapport d.d. 8 januari 2026 wordt door de psycholoog het navolgende geconcludeerd. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van ouder-kind relatieproblemen, verwaarlozing in de kindertijd, concentratie/informatieverwerkingsproblemen en regulatieproblemen naast een ziekelijke stoornis in de zin van een lichte persisterende depressieve stoornis met kenmerken van post traumatische stress.
Bovenstaande uit zich in een vol hoofd, zich somber en leeg voelen, informatieverwerkingsproblemen, anderen niet vertrouwen, problemen met eetlust, slaapproblemen, geen toekomst zien en moeite met het reguleren van boosheid. Er wordt geadviseerd om het hem ten laste gelegde feit in enigszins verminderde mate toe te rekenen.
De kans op gewelddadige recidive wordt als matig hoog ingeschat. Het risico op recidive is voor een belangrijk deel afhankelijk van de structuur en de directe lik-op-stukbenadering die verdachte ervaart. Hij is gemotiveerd voor behandeling en voldoende toegerust zich hieraan te binden. Het advies is om een GBM op te leggen om verdachte de mogelijkheid te geven zijn leven weer op de rails te krijgen. De verwachting is dat een (deels) voorwaardelijke straf met algemene en bijzondere voorwaarden onvoldoende stok achter de deur zal zijn voor verdachte. Met een voorwaardelijke straf kan bovendien onvoldoende snel worden ingegrepen als het mis dreigt te gaan. De Raad voor de Kinderbescherming sluit zich in het rapport d.d. 5 februari 2026 aan bij de conclusies en het advies van de psycholoog. Met de GBM kan verdachte de benodigde behandeling volgen en zal de kans op herhaling op de langere termijn worden verlaagd. Het is ook nodig om ervoor te zorgen dat verdachte goed in zijn vel komt te zitten, zijn verleden kan verwerken en kan leren omgaan met moeilijke situaties. Naast de GBM voor de duur van één jaar adviseert de Raad voor de Kinderbescherming om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, zodat de jeugdreclassering na het einde van de GBM betrokken kan blijven. Er wordt geadviseerd om geen onvoorwaardelijke straf op te leggen. Ten slotte wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van de geadviseerde straf en maatregel geadviseerd. De jeugdreclassering heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van de psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank acht het, gelet op de conclusies van de psycholoog, aannemelijk dat de problematiek van verdachte heeft doorgewerkt in het bewezenverklaarde en zal derhalve bepalen dat er ten aanzien van dit feit sprake is van een enigszins verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.
Straf en maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit, mede gelet op de recidive van verdachte, in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt. In dit geval vindt de rechtbank het echter het meest belangrijk dat verdachte de geadviseerde behandeling gaat volgen, om de kans op herhaling te verkleinen en om ervoor te zorgen dat verdachte zijn verleden kan verwerken en weer goed in
zijn vel komt te zitten.
Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met een proeftijd van 2 jaren, en de oplegging van een GBM voor de duur van één jaar, te vervangen door 6 maanden jeugddetentie, passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten aanleiding geven tot het opleggen van de GBM en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank zal bepalen dat de maatregel het programma bevat zoals de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd, met dien verstande dat het elektronische toezicht slechts aan het programma wordt verbonden indien verdachte een gele kaart, dat wil zeggen een officiële waarschuwing, heeft gekregen van de jeugdreclassering. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd.
De rechtbank zal verder bevelen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht en het programma van de GBM dadelijk uitvoerbaar zijn. Op basis van hetgeen in de hierboven genoemde rapporten is geschreven over het verhoogde recidiverisico moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen. Bovendien is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de jeugdige.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.335,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid en de vordering kan toewijzen tot een bedrag van
1.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling dient op 0 te worden bepaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens het ontbreken van een schriftelijke onderbouwing. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid. De raadsvrouw heeft verzocht om het schadebedrag voor verdachte te fixeren op 75 tot 100 euro en om verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als
bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De vordering is niet naar behoren onderbouwd. Op basis van de ter zitting gegeven toelichting acht de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij 480,00 aan kosten heeft gemaakt om zijn gestolen spullen te vervangen. De rechtbank schat de hoogte van de schade dan ook op 480,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 april 2025, en voor het overige afwijzen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 februari 2025, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang - een jeugddetentie voor de duur van 153 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 14 maart 2025. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 22 januari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis (resterende) voorwaardelijk opgelegde straf. Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.
De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging thans af te wijzen. Tenuitvoerlegging van de resterende voorwaardelijke jeugddetentie zal het traject van verdachte doorkruizen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wb, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen.
Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Groningen ( [adres] ), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar.
Deze maatregel bestaat uit:
5. meewerken aan (geïndiceerde) behandeling van Accare FJP en/of soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan gegeven;
6. meewerken aan verblijf bij GIJP of andere woonvorm die door de jeugdreclassering wordt aangewezen;
7. meewerken aan de netwerkweekenden;
8. meewerken aan school en/of dagbesteding, bijvoorbeeld bij Baasjes;
9. inzicht geven in het sociaal netwerk.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging heeft meegewerkt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 maanden.
Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/206545-25 feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
Wijst het meer of anders gevorderde af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 480,00 (zegge: vierhonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/061505-24:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen d.d. 27 februari 2025.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. M.B.W. Venema en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.