[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Groningen (op/aan de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een paar) (zwartkleurige Nike Jordan Force) schoenen en/of een vest (Nike TEC) en/of een (zilveren) halsketting en/of een Iphone 12 en/of een bank/pinpas (ING-bank), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (- zakelijk weergegeven -) hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en/of (daarmee) de vrije doorgang te beletten/belemmeren en/of vast te pakken en/of te houden en/of tegen een muur te drukken en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam en/of met zijn hoofd tegen een muur te slaan en/of een (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) te tonen en/of tegen de keel te zetten en/of hem, die [slachtoffer] , met (de platte kant van) dat/die (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd te slaan en/of (onverhoeds) een of meer goederen uit zijn zak(ken) te grissen/pakken;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 15 april 2025 te Groningen (op/aan de openbare weg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een paar) (zwartkleurige Nike Jordan Force) schoenen en/of een vest (Nike TEC) en/of een (zilveren) halsketting en/of een Iphone 12 en/of een bank/pinpas (ING-bank), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door (- zakelijk weergegeven -) hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en/of (daarmee) de vrije doorgang te beletten/belemmeren en/of vast te pakken en/of te houden en/of tegen een muur te drukken en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam en/of met zijn hoofd tegen een muur te slaan en/of een (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) te tonen en/of tegen de keel te zetten en/of hem, die [slachtoffer] , met (de platte kant van) dat/die (op een) mes/machete (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd te slaan en/of (onverhoeds) een of meer goederen uit zijn zak(ken) te grissen/pakken.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde feit gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Overweging
De rechtbank merkt op dat zij de indruk heeft dat niet alle verdachten volledig open en eerlijk zijn geweest over hun aandeel in de straatroof. Daardoor kan niet worden vastgesteld wat de individuele bijdrage van iedere verdachte precies is geweest. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is dit niet vereist. De medeplegers zijn in dit geval over en weer aansprakelijk voor elkaars gedragingen, zolang de bijdrage substantieel is geweest. Niet alle ten laste gelegde (gewelds)handelingen behoeven door iedere verdachte afzonderlijk te zijn begaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 15 april 2025 te Groningen op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, een paar Nike Jordan Force schoenen en een vest Nike TEC en een zilveren halsketting en een iPhone 12 en een pinpas ING-bank, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door hem, die [slachtoffer] , in te sluiten en daarmee de vrije doorgang te belemmeren en vast te pakken en te houden en tegen een muur te drukken en tegen het hoofd en met zijn hoofd tegen een muur te slaan en een machete te tonen en hem, die [slachtoffer] , met de platte kant van die machete tegen het hoofd te slaan en goederen uit zijn zakken te pakken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 dagen, met aftrek van voorarrest, en een werkstraf voor de duur van 150 uur, waarvan 75 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij de rechtbank heeft verzocht om bij het bepalen van het aantal uren werkstraf rekening te houden met de draagkracht van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan een straatroof. Zij hebben de confrontatie opgezocht met het slachtoffer en hem vastgehouden en meermalen geslagen terwijl zijn zakken werden leeggehaald en meerdere spullen werden meegenomen. Ook werd er een machete getoond en met de platte kant van de machete werd het slachtoffer tegen zijn gezicht geslagen. Dit is een ernstig feit. Verdachte en de medeverdachten hebben door hun handelen het slachtoffer angst aangejaagd en op geen enkele wijze respect getoond voor andermans eigendom. Zij hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit vond plaats in het openbaar, op straat, en draagt daarmee bij aan versterking van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast extra aan dat hij een machete bij zich had, die later bij de straatroof ook daadwerkelijk is gebruikt.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 9 februari 2026. Daaruit blijkt dat er weinig risicofactoren voor de kans op herhaling zijn. Er zijn veel beschermende
factoren. Zo heeft verdachte betrokken ouders en zet hij zich goed in voor school en stage. Verdachte heeft het contact met de medeverdachten verbroken en is gestopt met blowen. Er lijkt sprake te zijn van een incident, verdachte ziet in dat zijn gedrag fout was en heeft hier spijt van. Verdachte is een jongen die snel overprikkeld raakt, waardoor het mogelijk te veel is om ook nog een leerstraf uit te voeren. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen meerwaarde in het voortzetten van begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Er wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, zonder bijzondere voorwaarden. De jeugdreclassering heeft zich ter zitting aangesloten bij dit advies.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel de oplegging van een forse straf rechtvaardigt. Het is echter wenselijk dat de positieve ontwikkeling van verdachte niet wordt doorbroken. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest, en een werkstraf voor de duur van 150 uur, waarvan 75 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de jeugddetentie gelijk dient te zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank op een totaal van 4 dagen voorlopige hechtenis uit.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.335,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid en de vordering kan toewijzen tot een bedrag van
1.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling dient op 0 te worden bepaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank gebruik maakt van haar schattingsbevoegdheid, het redelijk is om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van 480,00, te weten de kosten die de benadeelde partij blijkens zijn toelichting ter zitting heeft gemaakt om vervangende spullen aan te schaffen.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Hoewel de vordering door de benadeelde partij niet
naar behoren is onderbouwd, acht de rechtbank het, met de verdediging, aannemelijk dat de benadeelde partij 480,00 aan kosten heeft gemaakt om zijn gestolen spullen te vervangen. De rechtbank schat de hoogte van de schade dan ook op 480,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 april 2025, en voor het overige afwijzen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren.
Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 75 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 37 dagen zal worden toegepast.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 37 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Vordering benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/206545-25 feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
Wijst het meer of anders gevorderde af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 480,00 (zegge: vierhonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. M.B.W. Venema en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.