RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], verzoekster
de burgemeester van de gemeente Meppel, de burgemeester
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/220
en
(gemachtigde: mr. L.F. Miltenburg).
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de aanvraag van verzoekster om een exploitatievergunning. Verzoekster is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend om een exploitatievergunning voor een horecabedrijf aan [adres] in [plaats] .
Op 14 november 2025 heeft de burgemeester verzoekster in de gelegenheid gesteld om ontbrekende gegevens in te dienen voor de beoordeling van de aanvraag die nodig zijn in verband met de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet bibob). In het bijzonder heeft de burgemeester verzocht om:
de belastingaangiften over de jaren 2020 tot en met 2024;
een stortbewijs of een rekeningafschrift van het aan eigen middelen in te brengen bedrag.
Op 17 november 2025 heeft verzoekster de volgende gegevens ingediend:
een verklaring van de executeur testamentair van [erflater] ;
belastingaangiften over de jaren 2020 tot en met 2023.
Op 18 november 2025 heeft de burgemeester verzoekster gevraagd om de volgende aanvullende en nieuwe gegevens in te dienen:
een financieringsbegroting met een specificatie van opstartkosten en contractuele verplichtingen;
de wijze van voldoening van de huur en borg;
een bankafschrift van de afgelopen drie maanden;
een toelichting op de reden dat de schenking niet terugkomt in de IB-aangifte.
Op 25 november 2025 heeft verzoekster de volgende stukken ingediend:
een financieringsbegroting en betalingsbewijzen van de voorraad en inrichting van de horecagelegenheid;
de betalingsbewijzen van de voorraad en inrichting;
een betalingsbewijs van de huur van september;
de rekeningafschriften over de periode 24 oktober 2025 tot en met 23 november 2025.
Op 9 december 2025 heeft verzoekster een gesprek gevoerd over de aanvraag met twee ambtenaren van de gemeente. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verzoekster op 9 december 2025 per mail een schermafbeelding gestuurd van een betaling van € 8.000,- overgemaakt naar de privérekening van [bestuurder] , bestuurder van verzoekster.
Op 12 december 2025 heeft de burgemeester verzoekster de volgende aanvullende vragen gesteld:
“1) de herkomst van de € 8.000,- die u ontving op uw privérekening en die u doorstortte naar uw andere privérekening om vervolgens de borg en huur en andere kosten mee te
betalen. Kunt u de herkomst aantonen?
2) tijdens het gesprek gaf u aan dat in de envelop € 8.000 euro in contanten zat. Op het
aanvraagformulier is aangegeven dat € 12.000,- werd geïnvesteerd en gefinancierd met
geld uit een schenking. Dit komt niet overeen. Kunt u hier een verklaring voor geven?
3) op het formulier heeft u aangegeven dat de onderneming werd gefinancierd met €
12.000,- van een schenking, maar blijkens bankoverschrijvingen werd een groot deel
betaald met de € 8.000,- die werd gestort op uw privérekening.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre het geïnvesteerde geld nog van de schenking afkomstig
is?
4) hoe is het gat van € 4.000,- gefinancierd?
5) de aangifte/aanslag van de schenkbelasting van de Belastingdienst en voor wiens
rekening de schenkbelasting komt;
6) de verklaring van de executeur is niet voldoende. Hier ontbreekt de verklaring van
executele. Kunt u deze ook aanleveren?
7) uw IB aangifte over 2024, danwel bij ontbreken daarvan de winst- en verliescijfers over
2024.”
Op 23 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en twee ambtenaren.
Op 23 december 2025 heeft verzoekster een geldleningsovereenkomst overgelegd die verzoekster heeft gesloten met de [de stichting] (de stichting).
Op 29 december 2025 heeft verzoekster schermafbeeldingen van gedeelten van het testament van [erflater] overgelegd.
Op 29 december 2025 heeft de burgemeester verzoekster meegedeeld dat in het gesprek van 23 december 2025 en uit de daarna toegestuurde gegevens feiten zijn gebleken die nader onderzocht dienen te worden. Zo is volgens de burgemeester op het
bibob-formulier niet aangegeven dat verzoekster bestuurder is van de stichting en is op dit formulier ook ten onrechte de geldlening van € 8.000,- van de stichting niet vermeld.
De burgemeester heeft de aanvraag met het besluit van 12 januari 2026 buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag van verzoekster niet compleet is. Daartoe is volgens de burgemeester van belang dat verzoekster gegevens en bescheiden dient aan te leveren over de wijze van financiering van de onderneming. Zonder deze gegevens kan volgens de burgemeester het onderzoek op grond van de Wet bibob niet worden uitgevoerd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vertegenwoordigd door haar bestuurder [bestuurder] , en de gemachtigde van de burgemeester bijgestaan door H. Broekman en R. van der Meer.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat gelet op de door verzoekster overgelegde stukken vast dat zij op het moment van indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en bij gebreke aan een exploitatievergunning meer uitgaven heeft dan inkomsten en dat de bodem van haar reserves in zicht komt. De burgemeester heeft er op zichzelf terecht op gewezen dat verzoekster deze stellingen niet heeft onderbouwd, maar de burgemeester heeft geen feiten of omstandigheden genoemd waaruit kan worden afgeleid dat wat verzoekster stelt over haar financiële situatie onjuist is. De voorzieningenrechter acht daarom voldoende aannemelijk dat de continuïteit van de door verzoekster geëxploiteerde onderneming in geding is. De voorzieningenrechter neemt om die reden het bestaan van een spoedeisend belang aan.
Mocht de burgemeester de aanvraag buiten behandeling stellen?
4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de burgemeester haar verzoek niet buiten behandeling heeft kunnen stellen. Ten onderbouwing stelt verzoekster ten eerste dat van een verzuim geen sprake is omdat zij gedurende de hele procedure actief heeft gecommuniceerd en meegewerkt en dat alle aanvullende gevraagde informatie tijdig is verstrekt. Zij licht toe dat de financiering bestaat uit een schenking van € 8.000,- aan contant geld van wijlen [erflater] aan [bestuurder] en een geldlening van € 8.000.- van de stichting, waarvan € 4.000,- is aangewend voor het betalen van de borg. Deze geldlening heeft verzoekster niet opgegeven op het bibob-formulier, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit geen investering is. Verder brengt verzoekster naar voren dat de buitenbehandelingstelling haaks staat op mededelingen die door Van der Meer zijn gedaan tijdens het gesprek van 23 december 2025. Zo is volgens verzoekster meegedeeld dat “het allemaal duidelijk is” en is gevraagd “heb je de tafels en stoelen al klaar staan”. Daarmee is de volledigheid van de aanvraag volgens verzoekster ook al erkend.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de aanvraag buiten behandeling gesteld kon worden. Desgevraagd heeft de burgemeester op de zitting toegelicht dat de buitenbehandelingstelling is gebaseerd op artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Na het verzoek om aanvulling van de aanvraag van 14 november 2025 zijn volgens de burgemeester nieuwe feiten aan het licht gekomen. Zo is gebleken dat verzoekster een lening heeft bij de stichting en dat de (enig) bestuurder van verzoekster eveneens in het bestuur van de stichting zit. Dat was niet bekend en niet op het bibob-formulier vermeld. Uit de stukken die zijn overgelegd is volgens de burgemeester niet af te leiden wat de herkomst van alle geldstromen naar verzoekster is.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of stukken worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In dit verband bepaalt artikel 7a, tweede lid en onder h, van de Wet bibob dat de betrokkene bij de aanvraag gegevens en bescheiden dient te overleggen waaruit de wijze van financiering blijkt.
Ter zitting is besproken dat volgens de burgemeester een verklaring van executele ontbreekt waaruit blijkt dat [executeur] is benoemd als executeur van de nalatenschap van [erflater] en dat zij die functie heeft aanvaard. Bij gebreke aan deze verklaring is de herkomst van de schenking van € 8.000,- aan contanten aan verzoekster of [bestuurder] nog onvoldoende gebleken. Ook ontbreekt volgens de burgemeester informatie over de herkomst van het bedrag van € 8.000,- dat verzoekster of haar bestuurder [bestuurder] heeft geleend van de stichting. Op de zitting heeft de burgemeester aangegeven dat de herkomst van dit bedrag door verzoekster kan worden aangetoond door het overleggen van het door verzoekster aangehaalde vonnis waaruit zou blijken dat de stichting € 8.000,- heeft verkregen naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak. Verder heeft de burgemeester verduidelijkt dat het ontbreken van de IB-aangifte over het jaar 2024 niet in de weg staat aan het in behandeling nemen van de aanvraag nu deze aangifte nog niet heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft de burgemeester benadrukt dat het indienen van een nieuwe aanvraag met inbegrip van voornoemde stukken voor verzoekster de snelste weg is om een exploitatievergunning te verkrijgen.
De voorzieningenrechter is van oordeel de burgemeester heeft kunnen concluderen dat onvoldoende gegevens zijn overgelegd om de wijze van financiering van verzoekster te kunnen beoordelen nu verzoekster nog geen verklaring van executele heeft overgelegd en het door haar gestelde vonnis van de civiele rechter ontbreekt. De voorzieningenrechter wijst er op dat de burgemeester in het kader van de bibob-toets van artikel 3 van de Wet bibob onderzoek moet (kunnen) doen naar onder meer de vermogensverschaffers van verzoekster. Daarvoor is nodig dat de burgemeester informatie nodig heeft waaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid wie die vermogensverschaffers zijn. Daarbij is mede van belang dat verzoekster op het bibob-formulier de stichting niet als vermogensverschaffer heeft vermeld en over de contante gift van [erflater] heeft gemeld dat dit een erfenis is, die bij leven is gekregen. Dat lijkt tegenstrijdig. Van die schenking uit 2020 is bovendien geen aangifte schenkbelasting gedaan. Daarom is het niet onredelijk dat de burgemeester meer wil weten over de herkomst daarvan.
Het betoog van verzoekster slaagt niet.
Het vertrouwensbeginsel
5. Verder stelt verzoekster dat sprake is van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat aan de toerekenbare en onvoorwaardelijke toezeggingen van Van der Meer tijdens het gesprek van 23 december 2025 de gerechtvaardigde verwachting kon worden ontleend dat de exploitatievergunning zou worden verleend.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat van een toerekenbare toezegging geen sprake is. De door verzoekster aangehaalde uitspraken zijn volgens Van der Meer niet gedaan op de wijze zoals verzoekster stelt. Bovendien is in het gesprek meer aan de orde geweest dan alleen de door verzoekster genoemde passages en uitlatingen. De burgemeester wijst er verder op dat verzoekster tijdens het gesprek op 23 december 2025 heeft aangegeven dat haar bestuurder eveneens medebestuurder van de stichting is waarvan verzoekster het geld heeft geleend.
De voorzieningenrechter acht niet onaannemelijk dat Van der Meer zich constructief heeft opgesteld tijdens het gesprek van 23 december 2025. De door verzoekster aangehaalde uitspraken zijn, mede bij gebreke aan voldoende context, echter onvoldoende om aan te nemen dat een concrete toezegging is gedaan dat de vergunning door de burgemeester wordt verleend.
Het betoog van verzoekster slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, omdat de burgemeester gelet op het hiervoor overwogene heeft kunnen concluderen dat vooralsnog onvoldoende gegevens zijn overgelegd om de wijze van financiering van verzoekster te kunnen beoordelen. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
‘
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: