ECLI:NL:RBNNE:2026:662

ECLI:NL:RBNNE:2026:662

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer LEE 26/323
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening over een last onder bestuursdwang wegens het opslaan van autowrakken boven een niet-aaneengesloten bodemvoorziening. Geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers belang om zijn bedrijf te kunnen continueren is een financieel belang. Stelling dat de uitvoering van bestuursdwang feitelijk zal leiden tot beëindiging van verzoekers bedrijf is niet met concrete gegevens onderbouwd. Bij uitvoering van bestuursdwang kan volgens het college het bedrijf nog steeds worden uitgeoefend met de resterende bedrijfsvoorraad. Niet gebleken van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbaar nadeel, in die zin dat de onderneming in haar voortbestaan wordt bedreigd. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[bedrijf], uit Ferwert, verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/323

en

(gemachtigden: mr. T.M. Buma en J. Bosma).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een last onder bestuursdwang wegens het opslaan van autowrakken boven een niet-aaneengesloten bodemvoorziening. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of er sprake is van spoedeisend belang. Als dat zo is, kan aan de orde komen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat zij van oordeel is dat er in dit geval geen sprake is van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 heeft het college verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd wegens het opslaan van autowrakken boven een niet-aaneengesloten bodemvoorziening. De begunstigingstermijn liep tot 6 januari 2026. De last onder bestuursdwang is een vervolg op een eerder opgelegde last onder dwangsom voor dezelfde overtreding.

Verzoeker heeft tegen de last onder bestuursdwang bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college. Verzoeker heeft zich op de dag van de zitting afgemeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoekers belang is het kunnen continueren van zijn bedrijf. De uitvoering van bestuursdwang zal volgens verzoeker betekenen dat auto’s van zijn terrein worden afgevoerd en/of dat ingrijpende werkzaamheden aan het terrein worden verricht. De auto’s maken deel uit van zijn bedrijfsvoorraad en vertegenwoordigen een aanzienlijke economische waarde. Afvoer daarvan leidt dus tot directe en onherstelbare schade en feitelijke stillegging van verzoekers bedrijf.

Het belang van het college is gelegen in de bescherming van de bodem. Het college wil (verdere) milieuschade door de opslag van autowrakken op een niet-vloeistofdichte bodem voorkomen. Het college heeft verzoeker ruimschoots de gelegenheid gegeven om de overtreding te beëindigen en hem ook na afloop van de begunstigingstermijn nog uitgenodigd om daarover afspraken te maken. Verzoeker is niet op die afspraak verschenen. Volgens het college betekent uitvoering van de last onder bestuursdwang niet dat verzoeker zijn bedrijf niet meer kan uitoefenen, omdat het college alleen de autowrakken boven de ongeschikte bodem zal afvoeren en de auto’s die geen autowrak zijn, zal laten staan. Met de resterende bedrijfsvoorraad kan verzoeker volgens het college zijn bedrijf blijven uitoefenen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers belang om zijn bedrijf te kunnen continueren is een financieel belang. Een financieel belang levert op zichzelf geen reden op om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is slechts anders als sprake is van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbaar nadeel, in die zin dat de onderneming in haar voortbestaan wordt bedreigd. Hoewel verzoeker stelt dat de uitvoering van bestuursdwang feitelijk zal leiden tot beëindiging van zijn bedrijf heeft hij die stelling niet met concrete gegevens onderbouwd. Het financieel belang van verzoeker is onvoldoende om onverwijlde spoed aan te nemen.

Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.

De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Wel geeft de voorzieningenrechter het college in overweging om in het besluit op bezwaar voor de volledigheid de definitie van autowrak op te nemen, zoals het dat ook in de eerdere procedure over de last onder dwangsom heeft gedaan. Overigens heeft het college op de zitting aangegeven dat verzoeker een toezichthouder kan uitnodigen om concreet aan te geven welk van de auto’s een autowrak is.

Conclusie en gevolgen

4. Nu geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening en het besluit niet evident onrechtmatig is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J.J. Volk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?