RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen
[Verzoeker], uit [plaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/519
(gemachtigde: S.D. Kurz),
en
(gemachtigden: N.F. van der Meer en M.J.F. Nuijens).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over acht lasten onder dwangsom die het college aan verzoeker heeft opgelegd. De lasten zien op het beëindigen van bewoning van verschillende bouwwerken en het verwijderen van bouwwerken wegens strijd met het omgevingsplan. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom de lasten bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van een belangenafweging. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat hij zal bewerkstelligen dat het beroep in de bodemprocedure spoedig wordt behandeld. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het primaire en het bestreden besluit tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het besluit van 3 februari 2025 heeft het college aan verzoeker acht lasten onder dwangsom opgelegd. Tegen dat besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 heeft het college het handhavingsbesluit in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft hieraan deelgenomen door middel van een videoverbinding. De gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college waren aanwezig.
Feiten en omstandigheden
3. Op 2 juli 2024 heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt om aan verzoeker acht lasten onder dwangsom op te leggen. Aanleiding hiervoor waren controles door toezichthouders van de gemeente op het perceel [adres] te [plaats]. Tijdens deze controles hebben de toezichthouders geconstateerd dat sprake was van bewoning van drie chalets, een voormalig bedrijfspand en vier bijgebouwen in strijd met het bestemmingsplan, zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Tegen het voornemen zijn zienswijzen ingediend door verzoeker en overige bewoners van het perceel.
Met het besluit van 3 februari 2025 heeft het college aan verzoeker voor acht panden een last onder dwangsom opgelegd. Ten aanzien van de panden met nummer 1/1a, 3a, 8, 9 en 12 wordt verzoeker gelast verzoeker de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden door de bewoning van die panden te beëindigen. Ten aanzien van de panden met nummer 1/1a, 8, 9 en 12 wordt verzoeker ook gelast alle woonvoorzieningen (keuken, badkamer en toilet) die het pand geschikt maken voor bewoning te verwijderen en verwijderd te houden. Ten aanzien van de panden met nummer A, 4, en 5 wordt verzoeker gelast de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, en van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden door de chalets van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Verzoeker dient aan de lasten te voldoen op uiterlijk 15 augustus 2024, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding (per pand) per maand met een maximum van € 7.500,- per last.
Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt door verzoeker en overige bewoners van het perceel. Naar aanleiding van deze bezwaren heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften van de gemeente. Deze heeft een advies uitgebracht aan het college.
Met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 heeft het college het handhavingsbesluit van 3 februari 2025 ongewijzigd in stand gelaten en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het verwijst ter motivering van dit besluit naar het advies van de adviescommissie.
Tegen dat besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat beroep is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/3703.
Ook de bewoners van het perceel hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.
Op 28 januari 2026 heeft verzoeker het college verzocht de begunstigingstermijn te verlengen tot na de uitspraak in de bodemprocedure. Het college heeft laten weten dat het de begunstigingstermijn niet zal verlengen.
Op 9 februari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure.
Desgevraagd heeft het college de voorzieningenrechter laten weten dat het de begunstigingstermijn verlengt tot een maand na de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat in deze zaak grote belangen spelen, omdat de bewoners van het perceel mogelijk dakloos worden als aan de last moet worden voldaan. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat in de bodemprocedure verschillende vragen voorliggen. Zo zijn partijen verdeeld over de vraag of handhavend optreden door het college in het onderhavige geval onevenredig is. Vanwege de grote belangen is de bodemprocedure de geëigende procedure om die vraag te beantwoorden.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom aan de hand van een belangenafweging. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat hij zal bewerkstelligen dat de bodemprocedure spoedig, naar verwachting in mei of juni 2026, op zitting wordt behandeld. Hij weegt de belangen die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. De voorzieningenrechter zal daarbij niet ingaan op de door verzoeker aangevoerde gronden.
Belangenafweging
De uitvoering van de last heeft ingrijpende gevolgen. In de eerste plaats voor de bewoners van het perceel. Zij moeten de woningen waar zij al jaren wonen verlaten. Onder de bewoners zijn bovendien twee minderjarigen. Ook is er een baby op komst. Aan de belangen van kinderen komt een bijzonder gewicht toe en hun belangen moeten kenbaar bij de belangenafweging worden betrokken. In de tweede plaats zijn de belangen voor verzoeker groot. Om te voldoen aan de last moet hij drie chalets verwijderen. Ook moet hij in de panden met nummers 1/1a, 8, 9 en 12 alle woonvoorzieningen verwijderen. Gelet op de laatste begunstigingstermijn die het college heeft vastgesteld zou verzoeker binnen een maand na deze uitspraak van de voorzieningenrechter aan de last moeten voldoen.
Aan de andere kant van de weegschaal liggen de belangen van het college. In het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure vindt de voorzieningenrechter die belangen minder zwaar wegen dan de hiervoor genoemde belangen van de bewoners en van verzoeker. Dat komt omdat het college al sinds tenminste 2019 op de hoogte is van de situatie en de bewoning op het perceel en pas in 2024 is gestart met de eerste handhavingsacties. Desgevraagd heeft het college op de zitting laten weten dat er in 2024 geen concrete aanleiding was om op dat moment over te gaan tot handhaving. Er is niet gebleken van een concreet gemeentelijk of algemeen belang, anders dan het handhavingsbelang als zodanig, om de illegale woonsituatie op het perceel op zeer korte termijn te beëindigen.
Deze belangenafweging leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit van 27 augustus 2025 en het primaire besluit van 3 februari 2025 schorst tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal bewerkstelligen dat de bodemprocedure met spoed op zitting wordt behandeld. Zoals het nu lijkt zal dat in mei of juni 2026 kunnen. Dat betekent dat de schorsing beperkt kan blijven tot enkele maanden. Gelet op het tijdsverloop en de bovengenoemde belangenafweging acht de voorzieningenrechter zo’n relatief korte schorsing gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat alle partijen, waaronder ook de bewoners, meewerken aan een spoedige behandeling ter zitting, bij gebreke waarvan het college de voorzieningenrechter kan verzoeken de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 27 augustus 2025 en het primaire besluit van 3 februari 2025 zijn geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder krijgt verzoeker een reiskostenvergoeding. Het gaat om een vergoeding voor een retour tweede klasse met het openbaar vervoer (€ 66,60) van het station Amsterdam-Zuid naar Groningen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.934,60,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 27 augustus 2025 tot zes weken na de uitspraak op het beroep;
- schorst het besluit van 3 februari 2025 tot zes weken na de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.934,60,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: