RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 15 januari 2026
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/250113 / FT RK 25/1267
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder 1] en [verhuurder 2], vertegenwoordigd door Slagman & Partners Gerechtsdeurwaarders, correspondentieadres: [adres] , hierna gezamenlijk te noemen de verhuurder.
PROCESGANG
Op 19 november 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 20 november 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 8 januari 2026, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen:
RECHTSOVERWEGINGEN
De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 24 november 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 24 december 2025 heeft de GKB, die de buitengerechtelijke schuldregeling voor verzoeker uitvoert, tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. Vanaf 31 juli 2025 is ten aanzien van verzoeker sprake van beschermingsbewind. De minnelijke regeling en de inventarisatie van de schulden is gestart op 1 december 2025. De huur van de maand november 2025 vanaf de datum van het tussenvonnis (20 november 2025) is betaald op 20 november 2025 en de huurtermijnen van de maanden december 2025 en januari 2026 zijn voldaan op respectievelijk 26 november 2025 en 29 december 2025.
De verhuurder heeft ter zitting verklaard dat gedurende lange tijd sprake is van wanbetaling. De huurachterstand bedraagt inmiddels € 9.376,43. De huur is maar twee keer tijdig betaald. Verder is er de afgelopen 30 huurtermijnen te laat of niet betaald. Ondanks meerdere betalingsvoorstellen is verzoeker geen enkele afspraak nagekomen. Sinds de datum van het tussenvonnis moet er € 801,00 aan huur worden betaald en is € 800,00 betaald. De huur zal per februari 2026 worden verhoogd naar € 835,00 per maand. De verhuurder verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat een paar jaar geleden de financiële problemen zich opstapelden nadat zijn onderneming failliet werd verklaard. Volgens verzoeker heeft hij vanwege psychische problemen in de Ziektewet gezeten en is hij nu aan het re-integreren. Verzoeker heeft aangegeven dat hij momenteel 10 uur werkzaam is als magazijnmedewerker bij [werkgever] . Verder vinden er gesprekken plaats bij een psycholoog. Verzoeker geeft aan dat zijn vader bij hem staat ingeschreven maar feitelijk niet bij hem verblijft en dat hij bezig is om te gaan kijken of hij bij zijn moeder kan gaan wonen.
De heer [schuldhulpverlener] heeft ter zitting verklaard dat de huurtermijnen van de datum van het tussenvonnis tijdig zijn betaald. Inmiddels zijn 33 schuldeisers aangeschreven om hun vordering op verzoeker kenbaar te maken. Daarvan hebben 25 schuldeisers gereageerd. De schuldenlast bedraagt € 46.000,00 en is in handen van 19 schuldeisers.
Mevrouw [beschermingsbewindvoerder] heeft ter zitting verklaard dat er meerdere personen stonden ingeschreven op het adres van verzoeker. De broer van verzoeker staat inmiddels niet meer ingeschreven op het adres van verzoeker. Besproken is dat de vader van verzoeker, die nog wel op het adres van verzoeker staat ingeschreven, kostgeld moet betalen. Vlak voor het indienen van het verzoekschrift heeft hij kostgeld betaald voor de maand november 2025. Het wachten is nog op het kostgeld voor de maand december 2025. Het budget is gelet op de forse huurprijs erg krap ook als de vader van verzoeker niet op het adres meer zou ingeschrevenen staan en verzoeker een kleine aanvulling op zijn inkomen zou ontvangen. De boodschap is dat verzoeker op zoek moet naar goedkopere woonruimte. Inmiddels is het plan dat verzoeker bij zijn moeder gaat wonen. De moeder staat ook onder bewind. Het betalen van de huur heeft de hoogste prioriteit. Volgens mevrouw [beschermingsbewindvoerder] heeft zij het dossier overgedragen gekregen van de afdeling budgetbeheer. In de huurovereenkomst stond een huurbedrag van € 700,00 en daarna is een specificatie ontvangen van de verhuurder, waarin een bedrag wordt genoemd van € 800,00.
De vader van verzoeker heeft verklaard dat hij probeert zijn zoon te helpen maar dat hij ook zijn eigen vaste lasten heeft. Volgens de vader van verzoeker is hij afgekeurd en ontvangt hij een WIA-uitkering.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de schuldhulpverlener dat de huur de afgelopen periode vanaf de datum van het tussenvonnis telkens tijdig is voldaan. De rechtbank constateert voorts dat verzoeker beschermingsbewind heeft, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. Daarbij zal de rechtbank geen consequenties verbinden aan de omstandigheid dat er € 1,00 per maand te weinig huur is betaald nu onduidelijk is in hoeverre verzoeker op de hoogte was dat het huurbedrag geen € 800,00 maar € 801,00 per maand bedraagt.
Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen gaan werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan. Verzoeker dient indien zijn inkomenssituatie niet verbetert binnen de looptijd van deze voorziening op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte nu de beschermingsbewindvoerder van verzoeker ter zitting heeft aangegeven dat zijn inkomen niet toereikend is om de hoge huur en de vaste lasten te voldoen.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.
BESLISSING
De rechtbank
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 september 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 20 november 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op
15 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.