RECHTBANK Noord-Nederland
Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
Zaaknummer: NL:TZ:2504863:R-RK
vonnis van 19 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster,
tegen
Stichting Wierden en Borgen, gevestigd te Bedum, vertegenwoordigd door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, [adres] ,
hierna te noemen: de verhuurder,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
Samenvatting
Verzoekster heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1. De procedure
De procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 27 mei 2025 en het exploot van 16 december 2025 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 8 januari 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
het tussenvonnis van de rechtbank van 2 januari 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door verzoekster worden nagekomen;
- de zitting van donderdag 12 februari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] , voornoemd;
- de heer [partner verzoekster] , partner van verzoekster;
- de heer [budgetbeheerder] van de Groningse Kredietbank, budgetbeheerder van verzoekster;
- mevrouw [schuldhulpverlener] van de Groningse Kredietbank, schuldhulpverlener;
- mevrouw [begeleidster] van Mensenwerk, begeleidster van verzoekster;
- de heer [begeleider] van Mensenwerk, begeleider van verzoekster;
- mevrouw [medewerker verhuurder] van Stichting Wierden en Borgen, de verhuurder.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 27 mei 2025. Verzoekster heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij probeert tot een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers te komen.
In reactie op het verweer van de verhuurder heeft verzoekster aangevoerd dat zij een goede vertrouwensband had opgebouwd met haar voormalige budgetbeheerder. Die budgetbeheerder is vervolgens uitgevallen, waardoor de hulp is stopgezet. Verzoekster vond het lastig om opnieuw met een budgetbeheerder een vertrouwensband op te bouwen. Zij heeft echter aangevoerd dat zij nu adequate hulpverlening om zich heen heeft verzameld, waarmee het contact goed verloopt.
De budgetbeheerder en de schuldhulpverlener hebben ter zitting verklaard dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald. Vanaf eind februari 2026 zal de uitkering van verzoekster bij de budgetbeheerder binnenkomen en zullen de huurbetalingen door de budgetbeheerder worden verricht.
3. Het verweer
De verhuurder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoekster dient te worden afgewezen.
De verhuurder heeft daartoe aangevoerd dat dit de zevende aanzegging tot ontruiming is sinds 2016. In de tussentijd zijn er diverse hulpverleningsinstanties in beeld geweest. De verhuurder heeft de indruk dat de ingeschakelde hulpverlening steeds weer wordt stopgezet, zodra de spreekwoordelijke druk van de ketel is. Gelet op de hoeveelheid aanzeggingen en omdat verzoekster de afspraken die zij met de verhuurder heeft gemaakt steeds niet is nagekomen, is de verhuurder het vertrouwen in verzoekster kwijt.
4. De beoordeling
De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat aan de voorwaarden uit het tussenvonnis is voldaan en omdat er op dit moment hulp is ingeschakeld waarmee het contact goed verloopt. Gelet op deze omstandigheden valt de belangenafweging in het voordeel van verzoekster uit. Verzoekster dient zich er echter van bewust te zijn dat dit een dubbeltje op zijn kant is dat ook in het voordeel van de verhuurder had kunnen uitvallen. De rechtbank acht de hoeveelheid aanzeggingen tot ontruiming die sinds 2016 zijn gedaan fors. Verzoekster dient zich er dan ook van bewust te zijn dat zij vanaf nu geen misstap meer kan maken. De rechtbank wijst het verzoek dan ook toe onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur vanaf heden steeds tijdig en volledig wordt voldaan. Als verzoekster hieraan niet voldoet, kan de verhuurder de ontruiming opnieuw aanzeggen.
Door de toewijzing van het verzoek is de verhuurder de komende zes maanden niet bevoegd om de door verzoekster gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen.
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
Als verzoekster tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers tot stand brengt, moet zij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.
5. De beslissing
De rechtbank:
schorst de tenuitvoerlegging van het op 27 mei 2025 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 2 januari 2026;
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
bepaalt dat de Groningse Kredietbank, die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.