de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister
(gemachtigde: mr. S.G. ten Hertog)
in het beroep van:
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: prof.dr. B.M.J. Van der Meulen)
Inleiding
1. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), dienst van de Minister, heeft aan eiser een boete opgelegd vanwege een overtreding van artikel 85, onder a, van de Geneesmiddelenwet. De gestelde overtreding betreft het maken van publieksreclame voor het geneesmiddel Ivermectine dat uitsluitend op recept ter hand gesteld mag worden. Bij het bestreden besluit van 10 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is de Minister bij dit besluit gebleven.
Bij brief van 24 februari 2026 heeft de Minister stukken ingediend met het verzoek om daarop geheimhouding ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen.
De rechtbank heeft eiser de gelegenheid gegeven op het 8:29-verzoek te reageren. Eiser heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht
2. De Minister merkt in de brief van 24 februari 2026 op dat de rechtbank heeft verzocht om een niet-geanonimiseerd afschrift van de melding van 23 december 2021. Een geanonimiseerd afschrift van de melding maakt reeds deel uit van de overgelegde stukken.
De Minister motiveert het verzoek om beperking van de kennisneming als volgt.
In de eerste plaats heeft de melder aangegeven anoniem te willen blijven. In de tweede plaats kan de persoonlijke levenssfeer van de melder geschaad worden als de persoonsgegevens bekend worden. De Minister verwijst in dit verband naar bedreigingen die op ‘X’ gericht zijn aan medewerkers van de Minister in deze zaak en in vergelijkbare zaken. In de derde plaats gaat het om het behouden van een grote meldingsbereidheid. De IGJ is voor het doen van toezicht sterk afhankelijk van meldingen.
Daarnaast verzoekt de Minister ook beperking van kennisneming wat betreft de behandelaar van de melding. Het is de werkwijze van de IGJ om in zaken betreffende Covid-19 alleen de namen van de betrokken ambtenaren te delen voor zover dat noodzakelijk is. In dit geval gaat het om de naam van een medewerker van het meldpunt die geen rol heeft gespeeld in de besluitvorming.
Beoordeling door de geheimhoudingskamer
Beoordelingskader
3. In de bijlage bij deze uitspraak is de tekst van artikel 8:29 van de Awb opgenomen.
Het recht op een eerlijk proces is onder meer neergelegd in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in deze nationale procedure en omvat onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier. Dit vormt het uitgangspunt. Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn.
Artikel 8:29 van de Awb houdt een beperking in van het recht op gelijke proceskansen. Vereist is dat sprake is van gewichtige redenen. Indien die gewichtige redenen er zijn, beslist de rechter vervolgens of de gewichtige redenen geheimhouding van een stuk rechtvaardigen.
Bij de toepassing van artikel 8:29 van de Awb dient terughoudendheid te worden betracht. Alleen als de voor beperkte kennisneming aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van de andere partij bij kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. Naast de aard en de inhoud van het stuk betrekt de geheimhoudingskamer daarbij ook de aard van de geschilpunten.
Overwegingen
4. Gelet op de motivering van het verzoek én de aard van de informatie waar het verzoek op ziet, oordeelt de geheimhoudingskamer dat de Minister zich terecht op het standpunt stelt dat de kennisneming van de namen van de melder en van de behandelend ambtenaar beperkt dient te blijven tot de bestuursrechter. De door de Minister genoemde redenen zijn gewichtig als bedoeld in het beoordelingskader. Gezien de aard van het geschil heeft eiser geen zwaarwegend belang bij de kennisneming van de namen.
Beslissing
De geheimhoudingskamer bepaalt dat beperking van de kennisneming van een niet-geanonimiseerd afschrift van de melding van 23 december 2021 gerechtvaardigd is.
Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. H.J. Bastin, rechter in de geheimhoudingskamer, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De tussenbeslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Een afschrift van deze tussenbeslissing is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze tussenbeslissing?
Dit is een tussenbeslissing. Daartegen staat geen zelfstandig hoger beroep open. Als tegen de einduitspraak hoger beroep wordt ingesteld, dan kan tegelijkertijd met het hoger beroep tegen die einduitspraak hoger beroep worden ingesteld tegen deze tussenbeslissing.
Bijlage
Artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht