ECLI:NL:RBNNE:2026:711

ECLI:NL:RBNNE:2026:711

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 18/289576-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het medeplegen van poging tot doodslag. De rechtbank verwerpt het verweer op noodweer en noodweerexces. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/289576-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Veendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Veendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Veendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een wapen heeft meegenomen naar het huis van aangever [slachtoffer] . Daarnaast blijkt uit het dossier niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn broer, medeverdachte

[medeverdachte] . Voorts kan niet bewezen worden dat verdachte opzet heeft gehad op het plegen van enig strafbaar feit. Tot slot is het onduidelijk hoe aangever aan het letsel is gekomen. Verdachte ontkent dat hij en zijn broer dit letsel hebben toegebracht. Tussen het moment dat verdachte en medeverdachte wegreden en het moment dat de politie arriveerde, zit acht minuten. Het is onduidelijk wat er in die tijd is gebeurd. Getuige [getuige 1] , die in de woning van aangever aanwezig was, verklaart dat zij geen bloed bij aangever heeft gezien. Ook verklaart zij dat aangever zich in een verkeerd circuit zou bevinden. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat aangever op een andere manier aan het letsel is gekomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 24 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben samen met mijn broer naar het huis van meneer [slachtoffer] gegaan. Ik heb meneer [slachtoffer] met een voorwerp geslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025293962 d.d. 5 december 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Vandaag, 29 oktober 2025, was ik in mijn woning aan [adres] . Ik zag twee mannen op mijn oprit. De ene man was groot en dik en de andere man was kleiner. Ik wist dat deze kleine man [medeverdachte] was. Ik wist dat de grote dikke man dat dat de broer van [medeverdachte] moest zijn. Ik zag dat die broer een soort van wapenstok bij zich had, althans dat dacht ik. Pas later zag ik dat het een groot mes was. Ik zag en voelde dat [medeverdachte] mij begon te slaan op mijn gezicht, meerdere keren. Ik kreeg die broer ook nog achterop mij en ik moest mij ook tegen hem verdedigen. Ik was over en weer aan het slaan en werd geslagen door [medeverdachte] . Ik zag en voelde dat [medeverdachte] vol op mij begon in te trappen.

3. Een forensisch geneeskundig letselverslag, op 7 november 2025 opgemaakt en ondertekend door [forensisch arts] , forensisch arts KNMG, opgenomen op pagina 154 e.v. van voornoemd dossier) voor zover inhoudend, als zijn/haar geneeskundige verklaring:

De heer [slachtoffer] is op 30 oktober 2025 in aanwezigheid van [forensisch onderzoeker] , Forensisch onderzoeker, in zijn woning onderzocht door [forensisch arts] , Forensisch arts. Van alle letsels zijn foto's gemaakt. Een selectie van de foto's is toegevoegd aan deze verklaring. Het gaat om in totaal 23 letsels.

Het betreffen o.a. meerdere huidbeschadigingen/huiddoorbrekingen (waarvan een aantal zijn gehecht en gelijmd), bloeduitstortingen/huidverkleuringen, en huidbeschadigingen. De genezingsduur wordt geschat op vier weken. Blijvende beperkingen worden niet verwacht.

Uit het ritformulier van de ambulance, het verslag van de spoedeisende hulp en de uitslag van de CT-scan blijkt dat de snijwond op het hoofd een diepe snijwond betreft die reikt tot op het schedelbot. De snijwond had een lengte van ca. 8 cm. Het schedelbot was zichtbaar. Dit is gehecht met vijf hechtingen. Op de CT-scan is aan de linkerzijkant van de schedel een breuk van het schedelbot te zien met een indeuking van een botdeel naar binnen. Op de linker voorzijde van de borstkas is er een diepe snijwond van ca. 8 cm, gehecht met zeven hechtingen. Op de rug ter hoogte van het linker schouderblad is er een diepe wond van ca. 7 cm (reikt tot in het onderhuidse vet), gehecht met zes hechtingen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2025, opgenomen op pagina 141 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 7 november 2025 bekeek ik beveiligingsbeelden afkomstig van een Ring video deurbel. De beelden zijn opgenomen vanaf het perceel [adres] . Dit betreft een woning aan de overzijde van het kanaal, tegenover de woning van het slachtoffer, aan [adres] .

Op 29 oktober 2025 om 16:23:14 uur start de opname. Twee mannen lopen in de richting van de woning van het slachtoffer. Eén man loopt voorop gevolgd door de tweede man. Man 1 heeft donker haar en witte schoenen. Man 2 heeft een fors en gezet postuur, donker haar, een donker shirt, een beige broek, witte schoenen en een donkere jas die hij los in zijn handen draagt.

Om 16:23:53 geeft man 2 het slachtoffer een duw. Je ziet het slachtoffer een stap achterwaarts doen richting de gevel. Hierna ontstaat duw en trekwerk tussen man 1, man 2 en het slachtoffer. Man 1 en man 2 maken beide duw- en slaande bewegingen richting het slachtoffer. Man 2 raakt het slachtoffer meerdere keren ter hoogte van de borst en linkerarm. Man 2 maakt zwaaiende/maaiende bewegingen met zijn rechterarm in de richting van het slachtoffer. Man 2 blijft maaiende bewegingen maken richting het slachtoffer waarbij het slachtoffer meerdere keren op zijn rug dan wel rechterschouder wordt geraakt. Man 1 komt op het slachtoffer af en begint het slachtoffer te schoppen. Man 2 blijft met zijn rechterarm maaiende bewegingen maken op het slachtoffer. In zijn rechterhand houdt man 2 een langwerpig voorwerp vast waarmee hij maaiende bewegingen maakt in de richting van het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer ook daadwerkelijk raakt (16:24:09 uur).

Het duw- en trekwerk gaat verder op de openbare weg voor de woning van het slachtoffer. Man 1 en het slachtoffer staan voor de woning van het slachtoffer. Hier staan het slachtoffer en man 1 stil. Man 1 komt opnieuw naar het slachtoffer lopen en schopt het slachtoffer. Man 2 steekt zijn rechterhand omhoog met daarin een langwerpig voorwerp dat hij boven zijn hoofd houdt. Hierna laat man 2 zijn arm weer zakken. Het slachtoffer loopt vervolgens rustig naar zijn woning en man 1 en man 2 lopen rustig in de richting van hun voertuig. Man 1 stapt achter het stuur, man 2 stapt in als bijrijder en rijden vervolgens rond 16:25:29 uur rustig de straat uit.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 29 oktober 2025 omstreeks 16.33 uur kwamen wij ter plaatse aan [adres] . Het slachtoffer was in de woning op [adres] . Wij zagen dat het slachtoffer meerdere snijwonden op zijn linkerarm had. Toen het slachtoffer zijn trui uitdeed, zagen wij dat het slachtoffer een snijwond op zijn linkerborstkast had en een snijwond op zijn rug. Ook zagen wij dat hij een wond op zijn achterhoofd had.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 november 2025, opgenomen op pagina 195 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 29 oktober 2025 reed ik over [adres] . Ik kwam de bocht om in de auto en ik zag twee gekleurde mensen die knokkerij had met een blanke. Ik zag dat één van de gekleurde mensen op een gegeven moment een kapmes uit zijn jas haalde. Degene die het mes pakte was wat dikker dan de ander. Hij had meer volume dan de ander. Hij trok een mes uit zijn jas toen ik voorbij reed. Ik zag direct dat dit om een mes ging. Ik heb geen van die mannen eerder gezien.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 oktober 2025, opgenomen op pagina 182 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Ik was gisteren op 29 oktober 2025 rond half vijf op weg naar huis van werk. Op een gegeven moment kom ik [adres] in. En dan zie ik drie mannen vechten. Twee kleinere wat dikkere mannetjes, zigeuner types. En een grote blanke man. Op een gegeven moment fiets ik voorbij die mannen. De blanke man krijgt een flinke schop. Iets van 40 meter verderop keek ik achterom en toen zag ik de andere man aan de linker kant, zag ik een enorme hakmes of machete boven zijn hoofd tillen en net of hij wilde slaan. De man met de machete was een dikkig zigeunertype. Ik heb het mes goed kunnen zien, het was een lang kapmes met een handvat, ik denk 50 of 60 centimeter lang. Ik kende de drie mannen niet, nooit eerder gezien.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Feiten en omstandigheden

In de middag van 29 oktober 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte] via WhatsApp contact met zijn ex, mevrouw [naam] . Nadat het gesprek over de nieuwe relatie van mevrouw [naam] gaat, slaat de sfeer al snel om. Uiteindelijk neemt aangever [slachtoffer] het gesprek over van zijn vriendin. Over en weer wordt gescholden, gedreigd en uitgedaagd, waarbij ook het adres van aangever gedeeld wordt.

Enkele minuten later komen verdachte en medeverdachte aan bij het adres van aangever. Aangever komt zijn woning uitlopen en er wordt over en weer geschreeuwd. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte degene is die als eerste een duw uitdeelt. Vervolgens ontstaat er duw- en trekwerk. Er wordt over en weer geslagen en door medeverdachte wordt ook geschopt. Daarnaast wordt aangever door verdachte meerdere keren geslagen met een groot mes (door onafhankelijke getuigen ook wel omschreven als een kapmes of een machete). Nadat het gevecht voorbij is, lopen verdachte en medeverdachte weer richting de auto, stappen in en rijden weg.

Hoewel aangever dit tijdens het gevecht niet heeft gemerkt, blijkt direct na afloop dat hij een groot aantal snijwonden op zijn lichaam heeft. In de ambulance en op de spoedeisende hulp wordt geconstateerd dat aangever een diepe snijwond op zijn hoofd heeft die reikt tot het schedelbot. Deze wond moest gehecht worden. Daarnaast heeft hij een breuk in zijn schedelbot waarbij het bot naar binnen is gedeukt. Op zijn borstkas en op zijn rug zitten nog twee diepe snijwonden die eveneens gehecht moesten worden. De forensisch arts stelt later 23 letsels vast bij aangever.

Anders dan door de verdediging is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het bij aangever geconstateerde letsel is veroorzaakt door het handelen van verdachte en medeverdachte. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte maaiende bewegingen maakt en dat hij daarbij een lang voorwerp in zijn handen heeft. Door twee onafhankelijke getuigen wordt gezien dat dit

voorwerp een kapmes betreft. Getuige [getuige 2] heeft bovendien ook gezien dat verdachte dit mes onder zijn jas vandaan haalt, hetgeen past bij de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte de hele tijd met een jas in zijn handen loopt. Het bij aangever aangetroffen letsel past daarnaast bij het slaan met een (kap)mes. Het alternatieve scenario dat het letsel in de acht minuten na de vechtpartij en vóór het arriveren van de politie zou zijn toegebracht door aangever zelf of door iemand uit het criminele circuit waarin aangever zich volgens medeverdachte zou begeven, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een langwerpig voorwerp heeft afgepakt van aangever en dat hij hiermee twee of drie klappen heeft uitgedeeld. Verdachte weet niet zeker wat voor voorwerp het was, maar het was volgens hem in ieder geval geen mes. Op de camerabeelden is echter op geen enkel moment te zien dat verdachte een voorwerp van aangever (of van iemand anders) afpakt. Bovendien blijkt uit het letsel en de onafhankelijke getuigenverklaring dat er is geslagen met een mes. De rechtbank acht de verklaring van verdachte derhalve ongeloofwaardig.

Poging tot doodslag

Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte met zijn gedragingen opzet heeft gehad op de dood van aangever. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte willens en wetens de intentie heeft gehad om aangever van het leven te beroven. Vol opzet kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden. Derhalve moet gekeken worden of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het overlijden van aangever aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft aangever meerdere malen op snelle en ongecontroleerde wijze geslagen met een kapmes. Hij heeft hem hierbij niet alleen op zijn lichaam, maar ook op zijn hoofd geraakt. Dat er met kracht is geslagen, blijkt niet alleen uit de diepte van de verwondingen, maar ook uit het feit dat er naderhand een schedelbreuk bij aangever is vastgesteld. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is waarin zich vitale organen bevinden, zoals de hersenen. Bovendien bevinden zich bij het hoofd en in de hals een aantal belangrijke (slag)aders. Ook deze hadden, mede door de ongecontroleerde wijze van slaan door verdachte, gemakkelijk geraakt kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank is de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard. Van

contra-indicaties waaruit zou blijken dat hij die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte en medeverdachte

gezamenlijk naar het huis van aangever zijn gegaan, dat ze beiden met aangever in gevecht zijn geweest, dat ze zich allebei niet hebben gedistantieerd van het door de ander gebruikte geweld en dat ze ook gezamenlijk weer weg zijn gegaan.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 29 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Veendam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vanuit aangever, een grote en sterke man. Het was voor verdachte noodzakelijk om zich daartegen te verdedigen. Op het moment dat aangever

uit de woning kwam, nam hij direct een dreigende houding aan. Aangever was ook de eerste die fysiek geweld gebruikte. Bovendien bleef hij steeds de confrontatie opzoeken, ook wanneer verdachte en medeverdachte zich probeerden terug te trekken. Verdachte heeft nog geprobeerd om de situatie te sussen door tussen aangever en zijn broer in te staan. Er was voor verdachte geen redelijke mogelijkheid om zich aan de aanval te onttrekken. Ook het slaan met een voorwerp moet beoordeeld worden binnen de context van een directe, voortdurende aanvalssituatie vanuit aangever zelf.

Het feit dat verdachte en medeverdachte naar de woning van aangever zijn gegaan, staat niet in de weg aan een beroep op noodweer of noodweerexces. Er is in casu geen sprake van culpa in causa. Er is niet gebleken van bewuste provocatie of uitlokking aan de zijde van verdachte. Verdachte en medeverdachte hadden het recht om zich te verdedigen.

Indien wordt aangenomen dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, komt verdachte een beroep op noodweerexces toe.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces dient te worden verworpen.

Oordeel van de rechtbank

Noodweer(exces)

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces allereerst de vraag moet worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging geboden was.

De rechtbank is van oordeel dat er zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het sturen van dreigende appjes door het slachtoffer wat daar verder ook van zij op zichzelf nog geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor oplevert. Nadat er over en weer wordt gedreigd op WhatsApp gaat verdachte samen met medeverdachte naar het huis van aangever om de confrontatie op te zoeken. Vervolgens wordt de eerste duw uitgedeeld door verdachte en hierna ontstaat duw-en trekwerk waarna verdachte en medeverdachten slaande bewegingen maken richting aangever. Verdachte maakt hierbij gebruik van een kapmes. Wanneer het gevecht even stopt, is het medeverdachte die vervolgens weer een trap uitdeelt. Hieruit blijkt dat verdachte en medeverdachte niet alleen aanvankelijk degene zijn die de confrontatie opzoeken, maar ook dat zij bij voortduring in de aanval gaan. Dat zij zich hierbij enkel hebben verdedigd tegen (de dreiging van) een aanval vanuit aangever blijkt niet uit de camerabeelden noch uit de getuigenverklaringen. Bovendien betrof het een situatie van twee tegen één en was verdachte daarbij ook nog eens bewapend. Tot slot is niet gebleken dat verdachte geen mogelijkheid had om zich aan de situatie te onttrekken.

Gelet op het voorgaande wordt het beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook vordert de officier van justitie een contactverbod met aangever en een locatieverbod rondom de woning van aangever, de woning van mevrouw [naam] en de woning van de moeder van mevrouw [naam] , zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van vijf jaar. De officier van justitie vordert daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is en met zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft zijn leven goed op orde en er is geen sprake van recidiverisico. De raadvrouw heeft zich verzet tegen het opleggen van een contact- en locatieverbod zoals bedoeld in artikel 38v Sr.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 29 oktober 2025 in [plaats] schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Verdachte heeft aangever meerdere keren geslagen met een kapmes. Daarnaast heeft medeverdachte aangever meerdere keren (met kracht) geslagen en geschopt. Aangever heeft aan het gevecht meerdere letsels overgehouden, onder andere een schedelbreuk en meerdere snijwonden. Hij is overgebracht naar het ziekenhuis waar een aantal diepe snijwonden gehecht en gelijmd moest worden. Uit de vordering benadeelde partij is gebleken dat aangever fysiek en mentaal nog steeds erg veel last heeft van hetgeen hem is overkomen. Bovendien heeft deze vechtpartij plaatsgevonden op klaarlichte dag en op de openbare weg. Meerdere mensen zijn hiervan getuige geweest. Een ervaring als deze zal het gevoel van veiligheid voor deze omstanders wezenlijk hebben aangetast.

Verdachte heeft met zijn handelen het leven van een ander in gevaar gebracht. Ter terechtzitting heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij probeert de schuld juist volledig af te schuiven op aangever. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uitgangpunt

Gelet op de ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal jaren rechtvaardigt.

Documentatie en de persoon van verdachte

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

In het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 29 januari 2026 staat dat er een aantal beschermende factoren zijn in het leven van verdachte, namelijk huisvesting, inkomen en een goede band met zijn familie. Verdachte is tot anderhalf jaar geleden in behandeling geweest bij de GGZ Drenthe en overweegt zich opnieuw aan te melden voor een behandeling. Verdachte heeft geen hulpvraag in de vorm van een gedragsverandering. De reclassering ziet ook geen responsiviteit bij verdachte om met voorwaarden aan gedragsverandering en/of risicobeheersing te werken. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de strafeis passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Contact- en locatieverbod

Een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, zoals een contact- en locatieverbod, kan slechts worden opgelegd als dit strekt tot beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het (opnieuw) begaan van strafbare feiten terwijl de rechter er rekening mee moet houden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend naar personen toe zal gedragen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel niet is voldaan. Er is geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat verdachte aangever zal opzoeken of contact met hem zal opnemen en dat hij opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend tegen hem zal gedragen.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank geen maatregel ex artikel 38v Sr aan verdachte zal opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 250,00 ter vergoeding van materiële schade en 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vordering gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de gevorderde materiële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze voldoende onderbouwd is en dat de rechtbank hierbij gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door haar bepleite vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft zij bepleit dat de materiële schade niet onderbouwd is en dat de immateriële schade buitenproportioneel is.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de materiële schade, bestaande uit met bloed besmeurde en kapotte kleding, is de rechtbank van oordeel dat deze niet is onderbouwd. Bij de vordering is geen enkele informatie gegeven over de kleding (denk aan merk, aankoopbedrag, jaar van aankoop) en ook zijn er geen fotos van de kapotte kleding overgelegd. De rechtbank beschikt dan ook over te weinig informatie om de schade te kunnen schatten. De rechtbank zal de vordering in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Benadeelde is onder meer geslagen met een kapmes en heeft daarbij letsel opgelopen, onder andere meerdere snij- of steekverwondingen en een schedelfractuur. Bovendien heeft hij aan het bewezenverklaarde meerdere littekens overgehouden die hem de rest van zijn leven aan het voorval doen herinneren. Voorts is benadeelde op andere wijze in zijn persoon aangetast, zoals bedoeld in art. 6:106 onder b BW, doordat hij door het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen. Benadeelde is zeer angstig en kampt met slaapproblemen. Gelet op de aard en ernst van het door benadeelde opgelopen letsel en de psychische gevolgen, wijst de rechtbank de gevorderde immateriële schade toe. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op bedragen die in

vergelijkbare gevallen worden toegekend.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in

mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 72 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. de Ruijter
  • mr. A. Jongsma
  • mr. S. Zoer

Griffier

  • mr. G. Langius

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?