RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/281222-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 10 maart 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is ter terechtzitting van 13 februari 2026 verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting van 13 februari 2026 vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente Tynaarlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente Tynaarlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente Tynaarlo aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steek/snijwond in de kin en/of hals en/of overige steek/snijwond(en) in het bovenlichaam heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de kin en/of hals en/of elders in het bovenlichaam te steken/snijden;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , gemeente Tynaarlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde poging tot moord.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot moord, van de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en van de meer subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling met voorbedachte raad. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte heeft niet gehandeld met voorbedachte raad maar in een opwelling en in een roes, zodat poging tot moord niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn de omslag die [partner van verdachte] , de partner van verdachte, bij verdachte ziet op het moment dat hij het mes uit de keukenla pakt, dat verdachte tijdens de autorit naar aangever in een telefoongesprek met zijn schoonmoeder op kinderlijke toon zegt dat zij dan maar boos moet worden als hij tóch naar aangever gaat en, na de gebeurtenis, de paniek bij verdachte die in een telefoongesprek door [getuige 1] is waargenomen. Hieruit volgt dat verdachte in een staat verkeerde waarin hij niet kon nadenken over wat hij aan het doen was en dat er geen sprake was van een planning of doordacht voornemen waarvan verdachte de betekenis en gevolgen kon overzien. De WhatsAppberichten die verdachte op 9 mei 2024 naar zijn partner heeft gestuurd betreffen uitlatingen in een dronken en gefrustreerde bui. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte sinds dat moment een plan had aangever iets aan te doen.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de meest subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 13 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Er is in de jaren dat ik een relatie heb met [partner van verdachte] slechts sporadisch contact geweest tussen mij en [slachtoffer] . Nadat op 1 september 2024 het videobelgesprek had plaatsgevonden en ik van boven in de woning weer naar beneden was gegaan, was ik heel boos. Ik kan me herinneren dat ik met [partner van verdachte] een woordenwisseling heb gehad over [slachtoffer] . Ik heb iets gezegd in de trant van dat [partner van verdachte] eerder de keuze van [slachtoffer] aanneemt dan die van mij. Ik ben toen wel boos geworden. Uit de keukenla heb ik een mes gepakt. Ik heb toen tegen [partner van verdachte] geroepen dat ik wegging. Zij ging voor mij staan en probeerde mij tegen te houden. Ze zei dat ik hier moest blijven. Ik ben toen vanaf mijn toenmalige adres, [adres] , met mijn auto naar de woning van [slachtoffer] in [plaats] gereden. Het klopt dat ik tijdens de rit heb gebeld met [partner van verdachte] en met mijn schoonmoeder.
Ik ben de oprit van het huis van [slachtoffer] opgereden en ik kan me herinneren dat ik eerst te ver was doorgereden. Ik reed terug en sloeg af naar de oprit van [slachtoffer] .
Toen ik ter plaatse kwam, zag ik dat [slachtoffer] buiten stond. Ik ben naar hem toegereden. Het kan zijn dat ik hem heb geraakt met de auto. Wat ik me herinner is dat hij op de grond lag en dat ik op hem zat. Hij lag op zijn rug lag en ik zat bovenop hem met mijn knieën langs zijn lichaam. Ik zat schrijlings op hem. Op dat moment had ik het heft en hij het lemmet van het mes in handen. Ik zag allemaal bloed. U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat ik voordat ik wegging heb gezegd: “Nou is het klaar.” Dat klopt, ik heb inderdaad zoiets gezegd. Ik heb toen gedacht: er is iets vreselijks gebeurd en ik raak alles kwijt. Ik heb niet gebeld met 112. Het klopt dat ik geen hulp heb ingeschakeld voor [slachtoffer] . Ik heb gedacht: ik ben alles kwijt. Ik ben snel in de auto gestapt. Ik ben toen vanuit [plaats] naar Haren gereden en heb met verschillende personen gebeld. Het klopt dat ik in de auto gebeld heb met [getuige 1] en heb gezegd dat er iets heel ergs was gebeurd en haar heb gevraagd mij op te halen. Het klopt ook dat ik gebeld heb met mijn schoonvader, [getuige 2] . Met [getuige 1] had ik afgesproken dat ze me zou ophalen. Ik had met haar afgesproken op de P&R in Haren. U houdt mij voor dat mijn schoonvader heeft verklaard dat ik in het gesprek met hem had aangegeven dat ik [slachtoffer] te grazen heb genomen. Dat kan ik me niet herinneren.
Ik ben niet op de parkeerplaats in Haren gebleven. Ik hoorde helikopters, politiehonden. Iedereen was op zoek naar mij. Ik heb mij eerst verstopt ergens in de bossen. Daarna ben ik naar Groningen gelopen en heb daar contant geld gepind. Later heb ik mijn telefoon uitgezet omdat ik niet gevonden wilde worden. Ik wilde niet de gevangenis in. Het klopt dat in mijn telefoon een WhatsAppgesprek tussen [partner van verdachte] en mij van 9 mei 2024 is aangetroffen. De berichten waar mijn naam bij staat, zijn door mij verstuurd. Het klopt dus ook dat ik tijdens dat gesprek een mes heb vastgepakt, daarvan een foto heb gemaakt en de foto naar [partner van verdachte] heb verstuurd. Tijdens dit gesprek was ik mijzelf uit onzekerheid aan het opfokken, omdat ik voor niemand iets goed doe. Ik was tijdens dit gesprek beneden in onze woning, terwijl [partner van verdachte] boven in bed lag.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (met bijlage) d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024238975 (onderzoek KREEFT / NN3R024075) d.d. 12 november 2024, inhoudend als verklaring van [verdachte] :
V: Wat heb je in de auto onderweg naar [plaats] gedaan?
A: [partner van verdachte] belde mij constant en dat het beter was om terug te komen. Hier komt alleen maar gedoe van.
V: Waar heb je hem geraakt met de auto?
A: De voorzijde van de auto aan de bestuurderszijde. Lamp en motorkap. V: Wat gebeurde er met [slachtoffer] toen je hem raakte?
A: Die viel op de grond.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte (met bijlagen) d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :
A: Ik reed niet vol gas op hem af maar ik reed wel wat harder om naar hem toe te gaan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Gisteren rond de middag stuurde ik een berichtje naar [partner van verdachte] over of ik nog even met
[zoon van slachtoffer] kon bellen. Ze belden mij die avond rond 20.00 uur. Het gesprek was gewoon prima en ook [partner van verdachte] kletste af en toe tussendoor. Op het moment dat de auto voor mijn woning langs reed, zag ik dat [verdachte] achter het stuur zat. Ik ben naar buiten gegaan en toen ik ongeveer 3 meter vanaf mijn overkapping stond, zag ik dat de auto op mijn oprit draaide ten hoogte van de loods. Ik zag dat het voertuig zo gedraaid werd zodat het met de voorkant in mijn richting kwam te staan. Ik liep in de richting van de auto en zag dat het voertuig opeens vol gas gaf en dat het voertuig op mij af kwam. Ik wilde nog aan de kant stappen maar daar was de tijd al niet meer voor. De auto raakte mij met de voorzijde ter hoogte van mijn buik waardoor ik op de motorkap terecht kwam. Hierna kwam ik aan de bestuurderskant op de grond terecht op mijn zij. Direct hierna zag ik dat hij uitstapte met een mes in zijn rechterhand en zag en voelde ik dat hij mij meerdere malen in mijn rug stak met het mes. Ik denk dat hij mij 2 à 3 keer in mijn rug stak. Ik lag toen nog op de grond naast de auto maar probeerde op te staan. Dit lukte niet goed door de pijn die ik voelde. Ik draaide me om en wilde naar het mes grijpen om het steken te stoppen maar dit lukte niet. Hierna stak hij mij meerdere malen op mijn borst en op mijn hoofd waarvan 1 messteek in mijn mond terecht kwam. Deze raakte mijn lip en kwam er aan de onderzijde van mijn kin weer uit. Ik heb ook verwondingen aan de bovenzijde van mijn hoofd maar ik kan u niet vertellen hoe dat gekomen is. Op een gegeven moment kreeg ik het mes te pakken waarop hij mij nog een paar keer stompte om het mes weer terug te krijgen. Ik liet het mes niet los waarna hij opgaf, in stapte en weer weg reed. Na de steekpartij heb ik [verdachte] alleen horen zeggen: “Nou is het klaar”.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Omstreeks 20:33 uur was ik ter plaatse en zag ik circa anderhalve meter voor de openstaande voordeur van een woning een man hevig bloedend op de grond liggen. Ik zag dat naast de man op circa 50 centimeter afstand een groot bebloed vleesmes lag met een lemmet van circa 30 centimeter en een zwart handvat. Ik zag 7 à 8 vermoedelijk steekwonden over het lichaam van de man op de zij, rug, schouder en nabij de hals. Tevens zag ik dat de man een fikse hoofdwond had waaruit het bloed gulpte. Ik heb eerste hulp verleend aan de man door een tweetal steekwonden dicht te drukken in afwachting van de ambulance en MMT.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage van GGD Drenthe d.d. 3 januari 2025, opgesteld door forensisch arts [forensisch arts] , voor zover inhoudend:
Datum onderzoek: 2 september 2024 Betrokkene: [slachtoffer] Samenvatting medische informatie
Op de spoedeisende hulp werden 7 (steek)wonden geconstateerd in de borstkas, buik en aangezicht. Er werd 1 wond op het hoofd geconstateerd. Er werd een wond rechts aan de kaak geconstateerd waarbij er een doorkijk was tot in de mond, deze wond werd gehecht door de mond/kaakchirurg. Op de borstkas werden 3 verwondingen bij de rechterschouder en 2 verwondingen links onder in de flank/rugzijde geconstateerd. Aan de linker bovenarm werd een wond geconstateerd. Aan de rechterhand werden twee snijwonden geconstateerd.
Op de CT-scan van het gehele lichaam werd een scheur/snij/steekverwonding met een bloeduitstorting aan de linkernier geconstateerd.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 september 2024, opgenomen op pagina 220 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [partner van verdachte] :
A: Hij wilde een luier pakken en dat lukte niet, hij trok die luier net wat harder eruit en toen sloeg de stemming compleet om. Hij zei dat ik voor [slachtoffer] koos.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 september 2024, opgenomen op pagina 285 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
U wordt op zondag 1 september 2024, omstreeks 20.30 uur door [verdachte] gebeld.
Ik hoorde dat hij zei "ik ben naar [plaats] gereden en ik heb hem te grazen genomen." Voor dit gesprek had [partner van verdachte] met haar moeder gebeld. Het gesprek: “je moet direct komen, want [verdachte] gaat naar [plaats] ”. Mijn vrouw is toen gelijk naar [partner van verdachte] gereden. In de auto heeft mijn vrouw nog gebeld met [verdachte] . Zij kreeg hem toen aan de telefoon. Zij probeerde hem er nog van te weerhouden om naar [plaats] te gaan. Ze zei tegen [verdachte] als je gaat dan word ik heel boos, je moet nu terugkomen. Hij zei dan word je maar boos'. Hij hing vervolgens op.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2024, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik deed onderzoek naar locatiegegevens in de telefoon van de verdachte. Op de Eufy camerabeelden van de woning van de verdachte valt te zien dat verdachte in zijn auto stapt op 1-9-2025 [de rechtbank begrijpt: 2024], om 20:09:25 uur.
20:09:27: De telefoon van de verdachte is aan het adres: [adres] .
20:16:15: De telefoon van de verdachte verplaatst zich over de [adres] , op weg naar de PD. 20:17:58: De telefoon van verdachte passeert om 20:17:58 de woning van het slachtoffer.
20:18:02: De telefoon van verdachte verplaatst zich om 20:18:02, richting de loods ( [adres] ). 20:18:05: De telefoon van verdachte verplaatst zich enige tijd niet tot nauwelijks op deze locatie.
20:18:33: De telefoon van verdachte komt om 20:18:33 weer in beweging en nadert de woning van het slachtoffer, aan [adres] .
20:18:34: De telefoon van verdachte lijkt de woning van het slachtoffer, [adres] , te benaderen via de oprit, zoals de aangever verklaarde.
20:18:35: De telefoon van verdachte komt aan op de plaats delict, [adres] .
20:18:40: De locatie van de telefoon van de verdachte [verdachte] komt iets terug het terrein op, bij de woning vandaan en blijft op deze exacte coördinaten staan tot 20:19:15.
20:19:50: De telefoon van verdachte [verdachte] komt om 20:19:50 weer in beweging en verlaat hierna de plaats delict.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met bijlage) d.d. 12 september 2024, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
WhatsApp-communicatie tussen de volgende gebruikers: [partner van verdachte] . [verdachte] . [verdachte] 9-5-2024 22:50: Doe eens tegen [slachtoffer]
[verdachte] 9-5-2024 22:51: Hij kan alles maken
[verdachte] 9-5-2024 22:53: Waarom durf je niet tegen die kanker hond in te gaan [verdachte] 9-5-2024 22:57: Tegen mij durf je alles te zeggen
[verdachte] 9-5-2024 22:58: Maar niet als het er op aan komt tegen die kanker kneus [verdachte] 9-5-2024 22:58: Dat maakt mij zo kwaad
[verdachte] 9-5-2024 22:59: Ik wil
[verdachte] 9-5-2024 22:59: Het liefst
[verdachte] 9-5-2024 22:59: Nu
[verdachte] 9-5-2024 22:59: Die kant op [verdachte] 9-5-2024 22:59: En hem dood steken [verdachte] 9-5-2024 22:59: Mag dat van jou
[verdachte] 9-5-2024 22:59: En anders laat ik iemand heen gaan [verdachte] 9-5-2024 22:59: Want ik wil
[verdachte] 9-5-2024 23:00: Dat hij geen partij meer is in ons leven [verdachte] 9-5-2024 23:00: Hij moet dood
[verdachte] 9-5-2024 23:00: Zsm
[verdachte] 9-5-2024 23:00: Gaat gebeuren
[verdachte] 9-5-2024 23:00:
[verdachte] 9-5-2024 23:01: Steek hem naar de kanker [verdachte] 9-5-2024 23:01: Of wil je dat ik het laat doen [verdachte] 9-5-2024 23:01: Wat heb je het liefst
[verdachte] 9-5-2024 23:03 tot en met 23:04: WT wil je. Mag hij dood. Ja of nee. Zeg het. Mag hij dood. Ja of nee. Wat wil je het liefst. Wil je graag dat hij leeft. En z'n stempel kan drukken. Op ons leven. Of mag ik of iemand anders hem vermoorden. Zeg het dan. Groot bek. Nu. Zeggen.
De details laten ons zien dat de foto van het mes, op 9 mei 2024, 23:00:52 via WhatsApp aan [partner van verdachte] werd gestuurd vanaf de telefoon van de verdachte [verdachte] .
Overeenkomsten
Het door de verdachte [verdachte] [de rechtbank begrijpt: [verdachte] ] getoonde mes op de WhatsApp foto, evenals details van het keukenblok en de keukenvloer vertonen sterke gelijkenissen. Het lijkt erop dat deze WhatsApp-foto met daarop het getoonde mes, door de verdachte [verdachte] in de keuken van de woning [adres] werd gemaakt.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeer d.d. 18 september 2024, afzonderlijk geüpload en behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Gelet op de positie en het verloop van de aangetroffen veegsporen op de linkerzijde van de motorkap en het linker voorspatbord en de aangetroffen schade aan de linkerzijde van de voorruit en de grille is het niet onwaarschijnlijk dat deze sporen zijn ontstaan tijdens een botsing met een persoon. De persoon zal hierbij geraakt zijn door de linker voorzijde van de Volvo en daarbij in contact zijn gekomen met de motorkap, het linker voorspatbord en mogelijk de voorruit.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (met fotoblad) d.d. 11 september 2024, opgenomen op pagina 396 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 5 september 2024 was ik, verbalisant [verbalisant] , bezig met het schrijven van het proces-verbaal van de doorzoeking van [adres] . Hierbij had ik een foto voor mij van het mes van het merk "Fissler" wat aangetroffen was op de plaats delict. Op enig moment liep ik, verbalisant [verbalisant] , langs en zag ik de foto van het mes. Ik, verbalisant [verbalisant] , herkende het mes als het koksmes van een spaaractie van de supermarktketen “Jumbo”. Via Google zochten wij deze spaaractie op en vonden we actieformulier met daarop afgebeeld de verschillende producten waarvoor gespaard kon worden. Ik, verbalisant
[verbalisant] , herkende het broodmes, santokumes groot, santokumes klein, schilmes, schaar van de spaaractie als de goederen welke aangetroffen en inbeslaggenomen waren tijdens de doorzoeking op 4 september 2024 aan [adres] .
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Opzet op de dood
Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte met verhoogde snelheid is ingereden op aangever. Vervolgens heeft verdachte met een koksmes ingestoken op het bovenlichaam van aangever, die op dat moment op de grond lag. Verdachte heeft aangever geraakt in onder meer de rug, hals en kin. Deze geweldshandelingen zijn naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat daarmee is komen vast te staan dat verdachte vol opzet op heeft gehad op het doden van aangever.
Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De rechtbank zal hierbij het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor het aannemen van de voorbedachte raad. De rechtbank dient echter ook te bezien of er contra-indicaties bestaan. Dat er sprake is geweest van voldoende tijd voor beraad, hoeft niet in de weg te staan aan het toekennen van een zwaarder gewicht aan contra-indicaties.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
Op 1 september 2024 zijn verdachte en zijn vriendin [partner van verdachte] naar een verjaardag geweest. Nadat zij s avonds thuiskomen, vindt er op verzoek van aangever een videobelgesprek plaats tussen aangever en [zoon van slachtoffer] , de vierjarige zoon van aangever en [partner van verdachte] uit hun eerdere relatie. Uit de verklaringen van [partner van verdachte] en aangever volgt dat dit videobelgesprek goed verliep. Nadat [partner van verdachte] het videobelgesprek heeft afgerond is verdachte met [zoon van slachtoffer] naar boven gegaan.
Nadat verdachte weer beneden is gekomen zegt hij tegen [partner van verdachte] dat zij voor haar ex-partner kiest en pakt verdachte uit de keukenla een mes, naar later blijkt een koksmes met een lemmet van circa 30 centimeter. Hoewel [partner van verdachte] probeert verdachte tegen te houden, stapt verdachte in zijn auto en rijdt hij vanuit [plaats] naar de woning van aangever in [plaats] . Uit de locatiegegevens van verdachtes telefoon blijkt dat hij om 20.09 uur is vertrokken vanaf zijn woning en 9 minuten later, om 20.18 uur, bij de woning van aangever is aangekomen. Tijdens deze rit heeft verdachte telefonisch contact gehad met [partner van verdachte] en haar moeder. Verdachte heeft hierover verklaard dat [partner van verdachte] hem constant belde en tegen hem zei dat het beter was om terug te komen. Verdachte heeft verklaard dat hij hier wel gevoelig voor was, maar dat het de zoveelste keer was dat aangever hen uitdaagde. Over het gesprek met de moeder van [partner van verdachte] , heeft [getuige 2] verklaard dat zij probeerde verdachte ervan te weerhouden naar aangever te gaan en dat zij tegen verdachte heeft gezegd dat als hij zou gaan, zij heel boos zou worden. Verdachte heeft daarop gezegd: “Dan word je maar boos”, en heeft vervolgens de verbinding verbroken.
Aangever heeft vanuit zijn woning gezien dat verdachte langs zijn woning reed en is daarop naar buiten gegaan. De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van aangever, die wordt ondersteund door objectieve bevindingen, vast dat verdachte de oprit is opgereden en met verhoogde snelheid op aangever is ingereden. Als gevolg hiervan is aangever op de motorkap terechtgekomen, is er schade aan de voorruit ontstaan en is aangever vervolgens naast de auto op zijn zij ten val gekomen. Direct hierna is verdachte uitgestapt en heeft hij aangever meerdere malen met het mes in zijn rug gestoken. Vervolgens heeft verdachte aangever in de borst en in het hoofd gestoken. Met één messteek heeft verdachte aangever zodanig geraakt dat er sprake was van een doorkijk vanaf de kaak in de mond. Op een zeker moment heeft aangever het mes kunnen vastpakken bij het lemmet. Aan de rechterhand van aangever zijn letsels geconstateerd aan de middelvinger en duim. Verdachte heeft aangever toen een paar keer gestompt in een poging om weer controle over het mes te krijgen. Het is aangever gelukt het mes vast te blijven houden waarop verdachte heeft gezegd: “Nou is het klaar”. Verdachte is daarna vertrokken. Uit de locatiegegevens van verdachtes telefoon blijkt dat hij 1:15 minuut bij de woning van aangever is geweest. Na de gebeurtenis weet aangever zijn vader en de hulpdiensten te bellen en wordt hij hevig bloedend bij zijn woning aangetroffen. Op de spoedeisende hulp worden onder meer zeven steekletsels geconstateerd.
De rechtbank stelt vast dat hetgeen op 1 september 2024 is voorgevallen, kennelijk een al langer sluimerend voornemen van verdachte was. Uit de telefoon van verdachte blijkt namelijk dat hij ongeveer vier maanden voor de gebeurtenis op 1 september 2024, te weten op 9 mei 2024, via WhatsApp aan zijn partner berichten heeft verstuurd waarin hij aangeeft dat aangever dood moet. Zo stuurt verdachte naar zijn partner dat aangever alles kan maken en dat zijn partner nooit tegen die kankerhond durft in te gaan. Verdachte vervolgt dat dit hem zo kwaad maakt en dat hij het liefst nu die kant op wil om aangever dood te steken, zodat aangever geen partij meer is in het leven van verdachte en zijn partner. Verdachte stuurt dat hij dood moet, zsm, dat dit gaat gebeuren en stuurt daarbij een foto waarop is te zien dat in de keuken van hun woning een mes wordt vastgehouden. Gelet op hetgeen op
1 september 2024 is voorgevallen, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte die avond heeft besloten daadwerkelijk over te gaan tot uitvoering van het scenario dat hij in elk geval reeds op 9 mei 2024 in gedachten had.
De rechtbank overweegt dat de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte wijst op de uitvoering van een tevoren gemaakt plan om aangever van het leven te beroven. Verdachte is van huis vertrokken met een koksmes, is rechtstreeks naar de woning van aangever gereden en heeft, toen hij aangever op de oprit zag staan, aangever direct aangereden en heeft vervolgens zonder aarzeling op aangever ingestoken. Verdachte is op geen enkel moment met aangever in gesprek gegaan, maar is
meteen in de aanval gegaan door aangever eerst aan te rijden en vervolgens, terwijl aangever op de grond lag, meermalen te steken. Hij is slechts 1:15 minuut op de plaats delict aanwezig geweest, hetgeen erop duidt dat verdachte doelgericht te werk is gegaan.
Uit deze vaststelling van de feiten en de omstandigheden van wat zich op de avond van 1 september 2024 heeft afgespeeld, leidt de rechtbank af dat sprake was van een lang tijdsverloop tot aan het inrijden en insteken op aangever. In die tijd heeft verdachte meerdere keuzemomenten gehad.
In de eigen woning in [plaats] heeft [partner van verdachte] geprobeerd verdachte tegen te houden nadat hij het koksmes uit de keukenla had gepakt en duidelijk was dat hij daarmee op weg wilde naar aangever in [plaats] . Tijdens de 9 minuten durende rit naar aangever heeft verdachte telefonisch contact gehad met [partner van verdachte] en met haar moeder, die er beiden bij verdachte op hebben aangedrongen niet naar aangever toe te gaan. Hieruit volgt dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zijn plan te overdenken, maar er desondanks steeds opnieuw bewust voor heeft gekozen zijn plan voort te zetten en uit te voeren. De rechtbank stelt derhalve vast dat verdachte gedurende langere tijd meerdere voor daadwerkelijk beraad geschikte keuzemomenten heeft gehad.
De rechtbank heeft onderzocht of er sprake is van contra-indicaties die in de weg staan aan het aannemen dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende.
Dat verdachte boos was en dat er mogelijk sprake is geweest van gevoelens van krenking en/of jaloezie jegens aangever wil de rechtbank wel aannemen. Deze gevoelens kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter in het licht van het tijdsverloop en de meerdere momenten van keuzemogelijkheid als hiervoor beschreven niet worden geduid als een ogenblikkelijke gemoedsbeweging of opwelling. Hiertoe komt de rechtbank ook niet wanneer zij in ogenschouw neemt dat de draaglast voor verdachte op dat moment zwaarder was dan de draagkracht. Daarbij weegt de rechtbank mee dat ter plaatse aangekomen verdachte overgaat tot een meervoud van handelingen. Hij rijdt aangever eerst met verhoogde snelheid aan en stapt vervolgens uit om aangever, terwijl deze op de grond ligt, meermalen gericht op het bovenlichaam te steken met een groot mes. Als aangever het mes te pakken krijgt, probeert verdachte door hem te stompen het mes zelf weer volledig onder controle te krijgen. Ook hier ziet de rechtbank momenten waarop verdachte kiest om de aanval door te zetten en af te maken. Dit veelvoud aan gedragingen duidt eveneens op geschikte momenten voor daadwerkelijk beraad en niet op een ogenblikkelijke gemoedsbeweging.
Van andere contra-indicaties is de rechtbank evenmin gebleken. Dat verdachte op getuigen [getuige 1] en [getuige 2] overkwam alsof hij in paniek was, kan worden verklaard uit hetgeen zich kort voor deze gesprekken heeft afgespeeld en de angst die verdachte had voor de gevolgen die dat zou hebben voor hem en zijn gezin. Dat verdachte bang was voor de (strafrechtelijke) gevolgen voor hem blijkt uit zijn gedragingen. Verdachte heeft zijn auto achtergelaten en zijn telefoon uitgeschakeld omdat hij niet gevonden wilde worden. Hij was bang dat hij vast zou komen te zitten. De rechtbank acht ook de verklaringen van [partner van verdachte] over de omslag in gedrag en de gemoedstoestand van verdachte voor zijn vertrek van huis van onvoldoende gewicht om aan te merken als contra indicatie voor hetgeen hiervoor is overwogen over de tijdsduur en de keuzemomenten. Nog daargelaten dat [partner van verdachte] wisselend heeft verklaard over de hetgeen thuis is voorgevallen, kan reeds op basis van de inhoud van de Whatsappberichten van 9 mei 2024 worden vastgesteld dat zij niet volledige openheid van zaken heeft gegeven.
Op basis van haar overwegingen hiervoor in onderling samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte vóór en ten tijde van de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De rechtbank komt daarmee tot bewijs van voorbedachte raad.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 september 2024 te [plaats] , gemeente Tynaarlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair poging tot moord
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit er bij de strafbepaling rekening mee te houden dat de psychiater adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, dat verdachte een first offender is, dat verdachte reeds acht maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat verdachtes jonge gezin en zijn bedrijf zwaar zullen worden getroffen als verdachte opnieuw gedetineerd zou raken. De raadsvrouw heeft bepleit om, in geval van bewezenverklaring van het meest subsidiair ten laste gelegde, verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. In het geval de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw bepleit om in aanvulling daarop een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op te leggen met een proeftijd van 2 jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, uit het pro Justitia-rapport dat op 9 februari 2026 is uitgebracht door psychiater/psychoanalyticus dr. T.W.D.P. van Os en uit het advies van Reclassering Nederland van 12 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] , de ex-partner van zijn vriendin, te vermoorden. Verdachte heeft daartoe een koksmes uit de keukenla gepakt en is naar de woning van het slachtoffer toegereden. Daar heeft hij op lafhartige wijze geprobeerd om het slachtoffer het leven te ontnemen door eerst met verhoogde snelheid op hem in te rijden en vervolgens meermalen op hem in te steken terwijl het slachtoffer op de grond lag, eerst zelfs nog met de rug naar verdachte toe.
Het lukte het slachtoffer op een zeker moment om het lemmet van het mes vast te pakken en vast te houden. Het slachtoffer was sterk genoeg om het lemmet van het mes niet meer los te laten, ook niet toen verdachte op hem in stompte om dit voor elkaar te krijgen. Verdachte werd op die manier gedwongen om het steken te staken. Verdachte is vertrokken en heeft het slachtoffer hevig bloedend voor zijn woning achtergelaten. Het slachtoffer heeft vervolgens zelf hulp kunnen inschakelen. Het is enkel aan het handelen van het slachtoffer te danken geweest dat het bij een poging tot moord is gebleven.
Verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, te ontnemen. Met zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer zowel lichamelijk als psychisch leed aangedaan. Het slachtoffer moet tot op de dag van vandaag leven met deze gevolgen. Verdachte heeft
geprobeerd het slachtoffer om het leven te brengen, kennelijk omdat hij niet kon verkroppen dat het slachtoffer via zoon [zoon van slachtoffer] een rol speelde in het gezinsleven van verdachte, zo blijkt uit de door hem op 9 mei 2024 verstuurde appjes. Het slachtoffer moest dood, zodat hij geen partij meer is in ons leven.
Voor verdachte was er in het leven van zijn vriendin geen ruimte voor een ex en in het leven van de vierjarige [zoon van slachtoffer] was slechts plek voor één vader: verdachte. Dat [zoon van slachtoffer] als gevolg van verdachtes voorgenomen plan al op jonge leeftijd zonder zijn biologische vader verder zou moeten leven en hem nooit zou hebben kunnen leren kennen, heeft verdachte kennelijk niet kunnen deren. De rechtbank rekent verdachte dit alles uitermate zwaar aan.
Persoon van verdachte
Uit de door de psychiater opgestelde rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een aanpassingsstoornis. De psychiater beschrijft dat in het jaar voorafgaand aan het feit sprake was van een toenemende disbalans tussen draagkracht en draaglast. Ten aanzien van de draaglast benoemt de psychiater dat verdachte in die periode veel stress ervoer met betrekking tot zijn werk en financiën, dat er een rechtszaak speelde, er gezinsuitbreiding was en er problemen waren in de omgang met aangever. Ten aanzien van de draagkracht benoemt de psychiater dat verdachte moeite had met het adequaat uiten van emoties, moeite had met assertiviteit en dat verdachte een beperkt werkgeheugen had dat vooral vastliep bij verhoogde stress, tijdsdruk of complexe informatieverwerking. Als gevolg daarvan bestond er een kans op impulsiviteit. Het lang aanhouden van stress gecombineerd met toenemende (opgekropte) woede kan op termijn leiden tot destructief gedrag. De psychiater concludeert dat deze aanpassingsstoornis ook bestond ten tijde van het ten laste gelegde en adviseert het ten laste gelegde daarom in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank kan zich met het advies om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen verenigen en neemt dit advies over.
De psychiater schat op basis van een risicotaxatie, waarin is betrokken dat sprake is van diverse beschermende factoren, het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst in als laag tot matig. Om het recidivegevaar te beperken adviseert de psychiater bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een ambulante behandelverplichting op te leggen. Een klinische behandeling acht de psychiater niet nodig.
De reclassering benoemt in haar advies dat verdachte is gestart met een ambulante behandeling bij de Waag en de afgelopen maanden zijn onderneming opnieuw heeft opgebouwd. Verdachte heeft maandenlang niet volledig bij zijn gezin kunnen wonen, wat opnieuw voor veel stress heeft gezorgd. Uit informatie van de Waag komt naar voren dat het opnieuw wegvallen van structuur en andere high impact gebeurtenissen kan zorgen voor een emotionele inzinking bij verdachte. Bij high impact gebeurtenissen moet worden gedacht aan een relatiebreuk, een uithuisplaatsing, het niet meer mogen zien van de kinderen of een uitgesproken vonnis. De oplegging van een gevangenisstraf zal een zeer negatieve impact hebben op zijn gezinssituatie en mentale welzijn. De reclassering adviseert in het geval van veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals een ambulante behandelverplichting.
Straf
Gezien de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de omstandigheid dat het feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank aansluiting gezocht
bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De rechtbank wijkt hiermee aanzienlijk af van de vordering van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat die vordering onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft bij bevel van 10 april 2025 de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 17 april 2025 onder voorwaarden geschorst.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat met een veroordelend vonnis meer gewicht toekomt aan de gronden van voorlopige hechtenis. Er zal sprake zijn van een geschokte rechtsorde als verdachte zijn straf in vrijheid zou mogen afwachten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich gedurende de schorsing aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat er geen gronden aanwezig zijn de schorsing op te heffen. Het persoonlijk belang van verdachte dient te prevaleren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of -maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, geen toereikende grond vormt voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing moet berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. De beslissing moet een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten waaruit blijkt dat de rechter de genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In die belangenafweging kan wel worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).
Aan het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak ligt de 12-jaarsgrond met geschokte rechtsorde ten grondslag.
De belangen van de verdachte zijn -kort gezegd- gelegen in het kunnen voortzetten van zijn bedrijf en gezinsleven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden.
Daar staat het strafvorderlijk belang bij vrijheidsbeneming tegenover. Om het gewicht van dat belang te bepalen weegt de rechtbank allereerst mee dat zij verdachte veroordeelt wegens een poging tot moord. Door de wijze waarop dit feit is begaan, zoals door de rechtbank in dit vonnis is vastgesteld, en door de gevolgen die dit feit heeft voor aangever, is door verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op een zwaarwegend rechtsbelang. Deze gedraging heeft al een ernstige mate van verontrusting in de samenleving bewerkstelligd en zal, indien verdachte na dit veroordelend vonnis zijn straf in vrijheid zou mogen afwachten, opnieuw een ernstige mate van verontrusting veroorzaken in de samenleving.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat uit informatie van de Waag blijkt dat het opnieuw wegvallen van
structuur en andere high impact gebeurtenissen, zoals een veroordelend vonnis, kan zorgen voor een emotionele inzinking bij verdachte.
Afweging van de belangen van strafvordering tegen de belangen van verdachte leidt de rechtbank tot het oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in dit geval noodzakelijk is. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toewijzen. In het licht van de hiervoor vermelde informatie van de Waag en de bij verdachte vastgestelde aanpassingsstoornis is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. De rechtbank zal daarom, naast de 12-jaarsgrond met geschokte rechtsorde, het gevaar voor recidive opnieuw aannemen als grond voor toepassing van de voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.965,69 ter vergoeding van materiële schade en 18.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, gelet op de complexiteit van de vordering en de late indiening ervan. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de toe te wijzen vergoeding wegens immateriële schade ten opzichte van het gevorderde dient te worden gematigd en dat de benadeelde partij in zijn vordering tot vergoeding van kosten van camerabeveiliging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet aannemelijk is dat dit een direct gevolg is van het ten laste gelegde omdat er op het perceel al cameras aanwezig waren. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de overig gevorderde materiële schadeposten.
Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
De rechtbank acht de benadeelde partij ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding nu de rechtbank deze vordering niet complex van aard acht. De rechtbank overweegt in dit verband dat een (concept)rapportage met betrekking tot verlies van verdienvermogen qua omvang het grootste deel van de bijlagen bij de vordering beslaat, maar dat de benadeelde partij deze schade in het kader van de strafzaak niet vordert.
Inhoudelijke beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk, met inachtneming van de toelichting ter terechtzitting namens de benadeelde partij over de camerabeveiliging, dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder primair bewezen verklaarde. De vordering van 1.965,69, waarvan de hoogte voor het overige door de verdediging niet is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 september 2024.
Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder primair bewezen verklaarde.
De aard en de ernst van de normschending is dusdanig dat hieraan een groot gewicht toekomt bij de bepaling van het billijk te achten schadebedrag. De rechtbank acht reeds in het licht van de bewezenverklaarde poging tot moord en de wijze waarop deze is uitgevoerd het gevorderde bedrag van 18.750,00 in ieder geval billijk. De rechtbank zal het gevorderde dit bedrag daarom toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 september 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis, met ingang van heden.
Ten aanzien van het onder primair bewezen verklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 20.715,69 (zegge: twintigduizend zevenhonderdvijftien euro en negenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.965,69 aan materiële schade en 18.750,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 127 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. R. Depping en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.