ECLI:NL:RBNNE:2026:732

ECLI:NL:RBNNE:2026:732

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 18.400799.24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.400799.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 17 februari 2026 en 10 maart 2026 (sluiting). Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2024 te Delfzijl, op een of meer momenten, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten een uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht, immers

[slachtoffer] , zijnde de stiefdochter van verdachte, althans een kind over wie hij het gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2024 te Delfzijl, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, zijnde de stiefdochter van verdachte, althans een kind over wie hij het gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin en/of een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

2

hij in de periode van 1 juli tot en met 18 december 2024 te Delfzijl, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] en/of een of meer anderen, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verworven, in bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1 zoals dat primair is ten laste gelegd. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 subsidiair en feit 2.

De officier heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) consistent heeft verklaard over hetgeen op 29 juni 2024 is gebeurd in de hal van de woning van verdachte. Op camerabeelden is daarnaast te zien dat verdachte [slachtoffer] kust en vervolgens zijn hand in haar broek laat glijden bij haar billen. Deze aanraking druist in tegen de sociaal-ethische norm en is gelet op de plek en de manier van aanraken, onder de kleding, evident seksueel van aard. De verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Voor de overige aanrakingen die worden genoemd in de tenlastelegging, is volgens de officier van justitie onvoldoende steunbewijs voorhanden, zodat verdachte op die onderdelen moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat er een aantal afbeeldingen op de computer en de telefoon van verdachte is gevonden en dat die afbeeldingen door de politie als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Volgens de officier wist verdachte dat deze beelden op zijn telefoon stonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten. Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde aanranding. Volgens de raadsman kan daarnaast op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van de subsidiair ten laste gelegde ontucht. Volgens de verdediging bieden de beschikbare fotos en verklaringen geen steun voor het bestaan van een tongzoen of andere seksuele handelingen. Ook ten aanzien van het gestelde aanraken van de billen bestaat volgens de raadsman, gelet op de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd, onvoldoende duidelijkheid.

Daarnaast heeft de verdediging ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat wel vaststaat dat de aangetroffen beelden van [slachtoffer] zijn, maar dat onduidelijk is wanneer deze in het bezit van verdachte zijn gekomen en welke wetgeving daarop van toepassing is; de nieuwe of de oude zedenwetgeving. Bovendien heeft verdachte, nadat de beelden zichtbaar werden, juist contact gezocht met de politie en juridisch advies ingewonnen, met de bedoeling de beelden over te dragen aan de politie. Tegen deze achtergrond kan het bezit van de beelden verdachte volgens de verdediging niet strafrechtelijk worden verweten.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling van dit feit moet vaststaan dat de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen om ontuchtige handelingen te ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke dwang in deze zaak geen sprake is. Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond weliswaar een afhankelijkheidsrelatie, maar deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een andere feitelijkheid in de zin van artikel 246 (oud) Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor het aannemen daarvan is vereist dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte opzettelijk zodanige psychische druk heeft uitgeoefend op [slachtoffer] , of dat zij in een door hem veroorzaakte bedreigende of afhankelijke situatie heeft gebracht, dat zij zich redelijkerwijs niet kon verzetten of zich niet aan de handelingen kon onttrekken. Juist uit de eigen verklaringen van [slachtoffer] , die de rechtbank betrouwbaar acht, volgt niet dat sprake was van zodanige druk dat zij zich niet aan de gedragingen van verdachte kon onttrekken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 december 2024, opgenomen op pagina 91 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024183066 (onderzoek Lathyrus) d.d. 12 februari 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] (bij de politie in Hongarije):

V: Ik wil je vragen om in je eigen woorden te vertellen wat er precies is gebeurd?

A: Eigenlijk omdat [verdachte] mij heeft gemolesteerd en betast en ik dit meerdere malen tegen mijn moeder heb gezegd, 4 jaar lang, maar ze was niet bereid het te geloven. Elke keer dat ik dit tegen mijn moeder zei, dacht zij dat ik dit alleen maar zei zodat zij uit elkaar zouden gaan, maar ik heb het niet om die reden gezegd, maar mijn moeder geloofde altijd alleen haar partner [verdachte] .

V: Waar en hoe heeft [verdachte] je aangeraakt?

A: Het betekent dat hij aan mijn billen zat, aan mijn borsten en hier aan de binnenkant van mijn dijbenen. En ook hier - De getuige wijst naar haar schaamstreek. - Meestal als hij aan mijn borsten zat, was dat onder mijn kleding, maar ook door een T-shirt heen. Hij heeft vaak aan mijn kont gezeten en over het algemeen had ik dan kleding aan, maar het kwam voor dat hij hier beneden ook met zijn hand onder mijn kleding ging en ook bij mijn billen.

V: Waarmee heeft hij aan je gezeten:

A: Met zijn hand.

V: Ook met een ander lichaamsdeel?

A: Hij heeft mijn rug gelikt, dit was op 29 juni, toen was mama boven aan het slapen, wij waren beneden in de woonkamer en ik vroeg hem aan mijn rug te krabben. Hij geeft gekrabd en toen begon hij te likken. Hij krabde en toen ging hij met zijn hand onder mijn T-shirt om verder te krabben, en toen deed hij mijn T-shirt helemaal naar boven en begon te likken. Het was een heel raar gevoel, ik wist niet hoe ik tegen hem kon zeggen dat hij moest stoppen of dat hij boos zou worden. Hij hield ermee op toen hij zei dat we naar bed moesten gaan omdat we vroeg op moesten staan. Dit duurde ongeveer 10 a 15 minuten. Ik zat op de bank hij lag recht achter mij met zijn hoofd bij mijn rug.

V: Deed hij dit vaker?

A: Dit likken niet.

V: Wat deed hij nog meer?

A: Op dezelfde dag dat we de spullen in de auto deden voor de markt heeft hij beneden in de gang mijn achterste en mijn borsten beetgepakt en heeft hij om kussen gevraagd. Er hangt daar een camera. Dus op dezelfde dag heeft hij op de gang met zijn hand onder mijn kleding aan mijn borsten en billen gezeten en heeft mij gevraagd hem te kussen.

V: Wat houden deze kussen precies in?

A: Op die dag was het alleen mijn mond tegen de zijne maar het is ook wel anders gebeurd. Dit gebeurde trouwens altijd op zaterdagen, als we de spullen hebben ingeladen.

V: Je zei dat op die dag jullie monden elkaar alleen aanraakten, maar dat het ook anders is gebeurd. Wat deed hij dan? Wat gebeurde er?

A: Dan deed hij meestal zijn tong in mijn mond en hij wilde dan op die manier kussen, maar ik stond dan alleen maar daar en volgens mij voelde hij ook wel dat ik het niet wilde.

V: Hoe vaak gebeurde dit ongeveer?

A: Dat hing ervan af hoe vaak het was, 3 a 4 keer per maand. V: Is er ook nog iets anders gebeurd?

A: Hij zat altijd aan mijn borsten en billen. V: Waar aan je billen?

A: Als hij mij omhelsde.

V: En als hij onder je kleding ging wat deed hij dan met zijn hand?

A: Hij kneedde mijn borsten, hij pakte mijn kont en streelde mij daar. V: Waar deed hij deze dingen?

A: Meestal bij de voordeur, bij de eettafel, in mijn kamer en in de woonkamer. V: Hoe oud wasje toen hij voor het eerst zoiets deed?

A: Ik was 9 of 10 jaar.

V: Heb je hierover aan iemand iets verteld?

A: Toen deze dingen gebeurden was ik altijd erg gespannen en wilde ik niet naar huis gaan. Dan verbleef ik de meeste tijd bij mijn vriendin en ik vertelde haar dat [verdachte] mij betastte. De leraar van groep 7 wist ook overal van omdat ik huilend naar school ging en ik te laat kwam. Ik was 12 of 13 jaar oud toen ik het tegen de lerares heb verteld, tegen [lerares] .

V: Aan wie heb je het meeste verteld?

A: Aan [naam] , mijn klasgenoot, en aan de zus van [naam] . V: Wanneer vertelde je hun voor het eerst hierover?

A: We waren 9 of 10 jaar oud.

V: Wanneer heb je voor het eerst hierover motje moeder gesproken?

A: Dat was heel lang geleden. Toen kreeg ik ruzie met mijn stiefvader en toen heb ik hem verteld wat [verdachte] met mij doet en dat ik daardoor zo gespannen ben. Mijn moeder geloofde mij toen niet. En omdat [verdachte] er ook was, kon ik niet open erover praten omdat hij alles ontkende. Dit was vermoedelijk in 2021.

V: Wat was de reden dat [verdachte] jou kuste en omhelsde? A: Hij zei gewoon kus en dan trok hij mij naar zich toe.

V: Wat versta je onder een kus? A: Niet met de tong.

V: Maar je zei dat het ook met de tong is gebeurd. Wanneer was dit? A: Toen we de auto in- en uitlaadden. Bij de voordeur.

V: Je vertelde dat hij je daar beneden bij je geslachtsdeel heeft aangeraakt, gebeurde dit met je kleding aan of onder je kleding?

A: Tussen mijn broek en mijn slipje.

V: Hoe vaak is dit gebeurd?

A: Maar een paar keer omdat daarna alles uitkwam.

O: [slachtoffer] , ik toon je nu fotos die door de Nederlandse autoriteit zijn toegezonden. Wat kun je hierover zeggen?

A: Op de fotos zijn [verdachte] en ik te zien en die zijn gemaakt op 29 juni 2024.

V: Toen je naar de politie bent gegaan, heb je over 3 incidenten gesproken. Bij de voordeur, in de woonkamer en nog een incident. Wat is er in de keuken gebeurd?

A: Toen ik op de avond van de 29ste, toen is het wel gebeurd dat [verdachte] mijn hand beetpakte en op zijn geslachtsdeel legde.

V: Zou je hier iets uitgebreider over kunnen praten alsjeblieft?

A: Daarna probeerde ik van hem weg te sluipen en hij hoorde dat mijn moeder er ook aankwam, en ik kon het niet tegen mijn moeder zeggen omdat [verdachte] achter haar aankwam.

V: Zijn zulke dingen vaker gebeurd? A: Dit maar een keer.

V: En wat voor dingen gebeurden er in de slaapkamer?

A: Hij pakte mij bij de borsten, billen of hij vroeg een kus.

2. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2024, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op donderdag 11 juli 2024 waren wij aan [adres] . Alle digitale gegevens dragers van dhr. [verdachte] moesten inbeslaggenomen worden. Uiteindelijk hebben wij 3 mobiele telefoons, 1 laptop en een micro sd-kaart inbeslaggenomen.

1) Laptop;

2) micro sd-kaart. Zat geplaatst in de voordeurcamera;

3) Apple telefoon, rood van kleur, rechts onderin het scherm een barst;

4) Apple telefoon, rood van kleur, betreft zakelijke telefoon van dhr. [verdachte] ;

5) Apple telefoon, zwart van kleur, betreft privé telefoon van dhr. [verdachte] .

3. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2024, opgenomen op pagina 213 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op vrijdag 26 juli 2024, deed ik, onderzoek naar de inbeslaggenomen goederen. De betrokken micro-SD kaart met goednummer: 1735109, is het geheugenkaart dat in de camera van de verdachte heeft gehangen. Deze stond gericht op de voordeur. In deze gegevens heb ik verschillende afbeeldingen gevonden van zaterdag 29-6-2024 tussen 15.26 uur en 17.07 uur. Daarop is te zien dat de verdachte [verdachte] en het slachtoffer [slachtoffer] , bij de voordeur zijn. Ik zie [slachtoffer] van achteren en zie dat [verdachte] vooroverbuigt en zijn gezicht voor het gezicht van [slachtoffer] brengt. Hierbij is zijn linkerarm om het lichaam van [slachtoffer] en houdt [verdachte] [slachtoffer] op die manier vast. Deze positie wekt de indruk dat [slachtoffer] een kus krijgt of geeft. Nadat [slachtoffer] en [verdachte] enkele tellen los van elkaar bij de voordeur staan, zie ik dat [verdachte] een stap naar voren heeft gedaan en vooroverbuigt en zijn gezicht weer naar het gezicht van [slachtoffer] brengt. Dit wekt de indruk dat er een kus of zoen plaatsvindt. Daarna is te zien dat [verdachte] naast [slachtoffer] staat met zijn hoofd voorovergebogen en met zijn kaak tegen het voorhoofd van [slachtoffer] . Het is te zien dat de linkerhand van [verdachte] in het broekje van [slachtoffer] gaat en zijn hand aan haar billen zit, daar waar je haar bilspleet zou kunnen verwachten. De afbeeldingen bezitten een tijdstempel namelijk:2024 06-29 16.32.13, 2024 06-29 16.32.55 en 2024 06-29 16.33.09. Hiervan is een

aparte bijlage gemaakt en gevoegd bij dit proces-verbaal.

4. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 12 februari 2024, opgenomen op pagina 298 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 11 juli 2024, zijn de volgende digitale gegevensdrager, in beslaggenomen: 1735107 Telefoon - iPhone 11 Pro Max

1735111 Computer Laptop Dell

Over het aangetroffen materiaal merk ik, verbalisant het volgende op. Dat het gaat om afbeeldingen die afkomstig zijn van de telefoon van het slachtoffer [slachtoffer] , 1735106 Telefoon - iPhone 11. Deze afbeeldingen zijn teruggevonden op de telefoon van en laptop van de verdachte namelijk:

1735107 Telefoon - iPhone 11 Pro Max 1735111 Computer Laptop - Dell

Dit zijn vaak herhalende afbeeldingen, welke terugkomen op de bovengenoemde gegevensdragers. Hierbij gaat het om ongeveer 10 unieke beelden welke, op verschillende plekken in de genoemde gegevensdragers terugkomen. Alleen in de gegevens van: 1735111 Computer Laptop - Dell, zag ik het volgende: In de map User\users\pictures onder andere twee mappen, een map genaamd " [slachtoffer] iPhone" en een map genaamd " [slachtoffer] iPhone - kopie". Ik zag in deze mappen meerdere naaktbeelden die voldoen aan de criteria van artikel 252 van het Wetboek van strafrecht dan wel 240B van het Wetboek van Strafrecht. Ik herkende deze afbeeldingen als zijnde afbeeldingen die tevens voorkomen op de telefoon van het slachtoffer [slachtoffer] . De genoemde kinderpornografisch afbeeldingen waren, vanwege de locatie van de bestanden op de gegevensdrager en de rol van verdachte daarbij, voor de gebruiker benaderbaar. Het is dan ook aannemelijk dat de verdachte moet hebben geweten dat die bestanden zich op zijn gegevensdragers bevonden en dat hij ze derhalve in bezit heeft gehad. Deze afbeeldingen zijn in de collectiescan (bijlage I) vermeld met een afbeeldingnummer weergeven hoe ze zijn genummerd, bv. 1 t/m 10.

5. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 december 2024, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

O: We laten je nu enkele opeenvolgende afbeeldingen zien: Bijlage 1 wordt toegevoegd aan dit proces-verbaal.

V: Wat gaat er door jou heen?

A: Ik zie dat hij haar aanrand ik zie dat op de foto. Hij grijpt in haar broek. O: Foto 14 en foto 15.

V; Hoe gaat het nu met je?

A: Nu weet ik in ieder geval de waarheid. Ik heb nooit iets gezien, nooit!

V: Is het gebruikelijk dat [verdachte] , meerdere keren [slachtoffer] op deze wijze kust? A: Hij gaf alleen maar kusjes op haar gezicht zoals hij bij andere kinderen doet.

V: Is het gebruikelijk dat [verdachte] , [slachtoffer] op deze wijze knuffelt?

A: Dat wel, dat heb ik gezien, gewoon met twee armen om haar heen. Maar dat hij met zijn hand bij haar in haar broek gaat, dat heb ik nog nooit gezien. Op die andere foto is het zoenen lijkt het wel, zoiets heb ik nooit gezien.

V: Wat is de reden dat [verdachte] zijn hand bij [slachtoffer] in haar broekje zit, bij haar billen?

A: Hij zal wel ziek zijn. Een normale persoon doet zoiets niet, je gaat niet met je hand in de broek van iemand anders.

V: Wat gaat er door je heen?

A: Dat ik een fout heb gemaakt. [slachtoffer] heeft nooit echt iets gezegd, twee keer heeft ze iets gezegd als ze boos was, maar gaf dan ook aan dat ik haar niet geloofde.

V: Ze heeft twee keer iets gezegd, wat zou dat dan zijn?

A: [slachtoffer] heeft twee keer verteld dat [verdachte] haar zou aanranden, maar ze wilde hier verder niet over praten.

V: Wat is de eerste keer dat [slachtoffer] een uitspraak doet dat [verdachte] haar aanrand: A: Toen ze negen jaar oud was.

V: Wat heeft ze daar verder over gezegd, wat vertelde ze over het moment dat [verdachte] haar aanraakte?

A: Dat [verdachte] haar borsten aanraakte, maar toen ze negen jaar was had ze geen borsten nog. Ik vroeg wat hij meer had gedaan, maar daar heeft ze nooit antwoord op gegeven.

6. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 september 2024, opgenomen op pagina 123 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [leerkracht] :

V: Wanneer was jij [slachtoffer] haar leerkracht?

A: Vorig schooljaar zat ze bij mij in de klas, ze zat toen in groep 8. V: Wat zou jij mij hierover kunnen vertellen?

A: Op een vrijdag ochtend ging ik mijn klas met groep 8 leerlingen op de foto zetten voor hun afscheid. Het was opvallend dat [slachtoffer] eigenlijk op geen enkele foto "wilde" lachen. Ik stelde: "Goh [slachtoffer] valt er soms niets te lachen?" Op dat moment brak [slachtoffer] en wilde zij mij in vertrouwen iets vertellen. Ik heb toen aan [slachtoffer] gevraagd wat er aan de hand was. [slachtoffer]

vertelde mij dat zij aan haar moeder had verteld dat haar stiefvader [verdachte] aan haar had gezeten. Ik vroeg toen aan [slachtoffer] : "Aan jou gezeten? Heeft hij jou pijn gedaan of aan plekken

gezeten wat je niet fijn vindt?" [slachtoffer] zei toen: "Nee, hij heeft op plekken gezeten wat ik niet fijn vind" Ook vertelde [slachtoffer] mij dat zij het gevoel had dat haar moeder haar niet geloofde.

Later die vrijdag werd ik gebeld door [verdachte] . V: Hoe ging dat telefoon gesprek?

A: [verdachte] vertelde dat het maandag nogal uit de hand gelopen was. Ook had [slachtoffer] gezegd dat

[verdachte] aan haar had gezeten. [verdachte] vroeg mij om bevestiging of ik wel eens een 'racist' genoemd was. Ik vond dat een bijzondere vraag want het voelde alsof [verdachte] daarmee de betrouwbaarheid van [slachtoffer] in twijfel wilde trekken. Zo van; "dat klopt toch niet! Dat jij een racist bent of genoemd wordt? Dus als [slachtoffer] dat zegt, dan klopt de rest van haar verhaal ook niet".

V: Jij vertelt dat er eerder een verhaal rond ging, wat kan je daarover zeggen?

A: Er is al eerder iets gezegd dat [verdachte] aan [slachtoffer] had gezeten. Volgens mij was dit ergens vorig jaar dat dit verhaal rond ging.

V: Hoe is dit verhaal ontstaan, hoe werd dat bekend of wat was er aan de hand waardoor dat bekend werd?

A: Ik weet niet wanneer dit precies was, ergens vorig jaar. In die periode kwam ook naar voren dat [verdachte] aan [slachtoffer] zat.

O: In de rapportage wordt rond 23 juni 2023 gerapporteerd over de eerst veilig thuis melding rond [slachtoffer] .

7. ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 januari 2025, opgenomen op pagina 197 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

V: Op welke manier ken jij [slachtoffer] ? A: We waren beste vrienden.

V: Welke jaren waren dat?

A: Ik was volgens mij in groep 5 en mijn zusje [naam] en [slachtoffer] in groep 4 denk ik. V: Vertelde ze ook wel over haar andere familie?

A: Ze zei nog wel over haar andere stiefvader die nu bij haar moeder is. Dat hij haar wel ging aanraken op seksuele dingen enzo en dat haar moeder haar daar niet in geloofde.

V: Weetje nog wanneer ze dit vertelde?

A: Ergens in 2023 of 2022 ergens dat weet ik niet meer. V: Hoe vaak heeft ze dit verteld?

A: Heel weinig, 2 of 3 keer ofzo volgens mij niet meer. V: Hoe oud waren jullie toen?

A: Ik was 11 jaar toen ze het vertelde volgens mij. V: Vertelde ze ook waar ze werd aangeraakt?

A: Nee.

V: Hoe wist je dat het op seksuele wijze was?

A: Dat vertelde ze, hij raakt mij aan, dit en dat en dat ze zich niet veilig voelde. Het was voor mij duidelijk dat het daarom ging.

Bewijsoverwegingen

Feit 1, subsidiair

Juridisch kader in zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich vaak kenmerken doordat het ten laste gelegde feit zich heeft afgespeeld in een situatie waarin alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig waren. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet daarom sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Dit steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Daarnaast is van belang dat uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting, de rechtbank onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . De rechtbank stelt vast dat zij op

hoofdlijnen en op de voor het ten laste gelegde doorslaggevende punten consistent heeft verklaard. Dat op detailniveau verschillen bestaan, doet aan die betrouwbaarheid niet af. Dit geldt zeker nu haar verklaringen op essentiële onderdelen, zoals zoenen, het betasten van de billen en de plaats van handeling, worden bevestigd door andere bewijsmiddelen, waaronder de stills van de beveiligingscamera en de getuigenverklaringen. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat [slachtoffer] al op jonge leeftijd, rond haar negende of tiende jaar, tegenover onder andere haar moeder en een klasgenootje melding heeft gemaakt van het seksuele misbruik. Dat [slachtoffer] haar verklaringen is blijven herhalen, terwijl zij in haar directe omgeving aanvankelijk (en vaak nog steeds) niet werd geloofd, ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Uit de overige verklaringen in het dossier ontstaat bij de rechtbank het beeld dat verdachte overheersend aanwezig was, ook naar derden, en de verklaringen van [slachtoffer] in twijfel probeerde te trekken. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat [slachtoffer] haar verklaring heeft willen aandikken. De rechtbank bezigt daarom de verklaringen van [slachtoffer] voor het bewijs.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Daartoe overweegt de rechtbank dat [slachtoffer] duidelijk en consistent heeft verklaard over de ten laste gelegde handelingen. Haar verklaring bevat bovendien beschrijvingen van concrete en specifieke gedragingen. Zo heeft [slachtoffer] verklaard dat ze bijna elke zaterdag moest helpen met het inladen van de auto en dat verdachte haar dan om kussen vroeg en haar betaste onder en op haar kleding. De camerabeelden van de beveiligingscamera in de hal van het huis van verdachte ondersteunen op cruciale onderdelen die verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank heeft deze beelden bekeken en stelt vast dat te zien is dat verdachte op 29 juni 2024 op twee momenten een kus geeft op de mond van

[slachtoffer] . Daarnaast is te zien dat de verdachte met zijn hand in de legging van [slachtoffer] reikt. De rechtbank stelt vast dat de hand van verdachte ter hoogte van de bilspleet van [slachtoffer] zit en niet op de onderrug, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde gedragingen vindt de rechtbank steun in de verklaringen van de moeder van [slachtoffer] , haar juf en een oud-klasgenootje. Uit deze verklaringen volgt dat [slachtoffer] reeds op negen- of tienjarige leeftijd melding heeft gemaakt van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij is deze verklaringen in de loop der jaren blijven herhalen. De meer gedetailleerde verklaring die zij later bij de (Hongaarse) politie heeft afgelegd, sluit daarbij aan. Tot slot weegt de rechtbank mee dat ze de verklaringen die verdachte heeft afgelegd ongeloofwaardig vindt. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn hand heeft gevoeld in de legging van [slachtoffer] om te controleren of zij wel ondergoed droeg. Volgens verdachte was het niet dragen van ondergoed een discussiepunt binnen het gezin en was ook de moeder van [slachtoffer] hiervan op de hoogte. De moeder van [slachtoffer] heeft hierover echter niets verklaard toen zij met de beelden van de gebeurtenis werd geconfronteerd. Daarnaast weegt de rechtbank ook mee dat deze verklaring van verdachte haaks staat op hetgeen hij daarover zelf bij de rechter-commissaris heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] voor de ten laste gelegde handelingen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen. Het kussen, het (tong)zoenen, likken van de rug, het aanraken van en knijpen in billen en borsten, het aanraken van haar vagina boven en onder haar kleding en het laten aanraken van de penis, zijn handelingen van seksuele strekking die in strijd zijn met de thans geldende sociaal-ethische norm. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte voor een kortere periode dan is ten laste gelegd wordt veroordeeld. Ten laste is gelegd dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in Delfzijl, alwaar verdachte pas vanaf 1 april 2022 ingeschreven stond.

Feit 2

Op 11 juli 2024 zijn een iPhone 11 Pro Max en een Dell-laptop van verdachte in beslag genomen. Op beide apparaten zijn tien unieke beelden aangetroffen die als kinderpornografisch zijn aangemerkt door een gecertificeerde zedenrechercheur. Verdachte heeft verklaard dat hij deze fotos al vóór 29 juni 2024 op zijn laptop heeft gezet, omdat hij op verzoek van [slachtoffer] een reservekopie van haar telefoon heeft gemaakt. Hij zou de beelden hebben laten staan om daarmee naar de politie te gaan. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat zij niet wist dat verdachte de fotos had en dat zij hem daar geen toestemming voor heeft gegeven. Bovendien verklaart deze lezing niet waarom dezelfde beelden ook op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. De aanwezigheid van identieke beelden op twee gegevensdragers duidt immers op een bewuste overdracht en vergt van verdachte een actieve handeling. De rechtbank concludeert dat verdachte onder deze omstandigheden willens en wetens de beschikking heeft gehad over kinderpornografisch materiaal.

De rechtbank verklaart, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, een kortere periode bewezen dan is ten laste gelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij de beelden vóór 29 juni 2024 in zijn bezit had. Artikel 252 Sr uit de nieuwe zedenwetgeving is pas op 1 juli 2024 in werking getreden. De rechtbank kan gelet op de tenlastelegging alleen oordelen over het bezit vanaf die datum. Op 11 juli 2024 zijn de telefoon en laptop van verdachte in beslag genomen. Op dat moment stonden de beelden nog op beide apparaten. Daarmee staat vast dat verdachte de afbeeldingen in ieder geval van 1 juli 2024 tot en met 11 juli 2024 in zijn bezit heeft gehad. De officier van justitie heeft gevorderd de bewezenverklaarde periode te laten doorlopen tot 18 december 2024, de datum van aanhouding van verdachte. De rechtbank heeft echter op basis van het dossier niet kunnen vaststellen of verdachte na 11 juli 2024 opnieuw de beschikking heeft gekregen over de gegevensdragers terwijl de beelden zich daarop nog bevonden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken voor zover het ten laste gelegde betrekking heeft op de periode na 11 juli 2024.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. ​

hij in de periode van 1 april 2022 tot en met 30 juni 2024 te Delfzijl, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, zijnde de stiefdochter van verdachte die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

2

hij in de periode van 1 juli 2024tot en met 11 juli 2024 te Delfzijl, meermalen, althans eenmaal, visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , was betrokken in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten:

- afbeeldingen, te weten foto's en video's, en

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

5. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

6. Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 subsidiair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf vordert de officier van justitie als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] te verbinden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien tot een veroordeling wordt gekomen, verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich gedurende ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn stiefdochter, [slachtoffer] , die toen tussen de elf en dertien jaar oud was. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Hierdoor heeft de verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn rol als stiefvader en heeft zich bij zijn handelen geen rekenschap gegeven van de belangen en gevoelens van [slachtoffer] , maar uitsluitend gehandeld ter bevrediging van zijn eigen (lust)gevoelens. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Daar komt bij dat [slachtoffer] al op jonge leeftijd melding heeft gedaan van het misbruik. Zij heeft haar verhaal meerdere malen verteld, maar werd op voorspraak van verdachte door haar moeder lange tijd niet geloofd. Dat moet voor een jong meisje bijzonder ingrijpend en verwarrend zijn geweest hetgeen wordt onderstreept door de verklaring van [slachtoffer] dat zij niet meer wist of het normaal was of niet wat verdachte deed.

Persoonlijke omstandigheden

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 januari 2026 en de ECRIS-rapportage, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsrapportage van 25 april 2025. Daaruit blijkt dat het risico op herhaling moeilijk is in te schatten, omdat verdachte de feiten stellig ontkend heeft. Daarom heeft de reclassering geen zicht kunnen krijgen op eventuele verbanden tussen de leefgebieden waarop zij problemen signaleren en het eventuele delictgedrag. Ter zitting is gebleken dat verdachte inmiddels met zijn vriendin, de moeder van [slachtoffer] , in Hongarije woont, waar hij een koopwoning heeft. Gebleken is tevens dat er nog steeds financiële problemen zijn en dat verdachte geen werk heeft.

Conclusie

Gelet op het voorgaande en rekening houdende met de strafoplegging in soortgelijke zaken, vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast zal de

rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, zodat daaraan als bijzondere voorwaarde een contactverbod kan worden verbonden.

De rechtbank wijkt ten nadele van verdachte af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een langere periode en meer ontuchtige handelingen bewezen verklaard dan waarmee door de officier rekening is gehouden. Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank verder mee dat verdachte de beschuldigingen consequent heeft ontkend en op onderdelen tegenstrijdig heeft verklaard. Door deze proceshouding heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren op.

Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] verbonden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen goederen verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring nu met betrekking tot of met behulp van deze voorwerpen het bewezen verklaarde onder 2 is begaan en deze voorwerpen toebehoren aan verdachte, te weten:

8. Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5.000,00 ter vergoeding van materiële schade en 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij onvoldoende onderbouwd is en dat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Met inachtneming van de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de zogenoemde Rotterdamse schaal, acht de rechtbank een vergoeding van 5.000,00 billijk.

Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de immateriële schade dan ook op 5.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2024. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

9. Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 247 (oud), 252 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 120 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

1. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010.

Voorwaarde daarbij is dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Beslag

Verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen:

Vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

Wijst het overige deel van de vordering van [slachtoffer] af.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 5.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 50 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. S. Zoer, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C. Brouwer
  • mr. L.W. Janssen
  • mr. S. Zoer

Griffier

  • mr. M. Raven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?