[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1 primair
hij op of omstreeks 21 mei 2024 te Veendam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen (met kracht) met een klauwhamer in de richting van het hoofd en/of op/tegen de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 mei 2024 te Veendam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen (met kracht) met een klauwhamer in de richting van het hoofd en/of op/tegen de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 21 mei 2024 te Veendam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je/hem af en/of ik maak/sla je hartstikke dood en/of ik sla je (keihard) op je schedel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 21 mei 2024 te Veendam, althans in Nederland, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, op/aan [adres] bij een ander, te weten bij [slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten 1 primair, 2 en 3. Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1 primair heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich met een klauwhamer naar de woning van aangever heeft begeven en daar op korte afstand meermalen met kracht bovenhands met de hamer heeft uitgehaald richting het hoofd van aangever. Volgens de officier van justitie is er sprake van vol opzet op de dood van aangever. Tevens levert het meermalen met volle kracht met een klauwhamer op het hoofd slaan een aanmerkelijke kans op levensbedreigend letsel op, aangezien het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel is van het menselijk lichaam.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit 1. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet met de intentie en dus opzet naar de woning van aangever is gegaan om hem te doden of dodelijk te verwonden. Hij heeft aangever niet op zijn hoofd willen slaan met een klauwhamer dan wel gepoogd dit te doen. Dan zou het letsel naar verwachting ook vele malen erger zijn. Wel heeft verdachte tegen de armen van aangever aan geslagen. Slaan met een klauwhamer op de armen of schouders levert geen (vol of voorwaardelijk) opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel op. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair:
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen. Aangever heeft verklaard dat verdachte op hem af kwam stormen en meermaals met een klauwhamer met kracht naar hem uithaalde, door de klauwhamer hoog boven zich te houden en richting het hoofd van aangever te bewegen. Aangever kon de klappen opvangen met zijn armen. Voor de verklaring van aangever dat er door verdachte met de klauwhamer richting zijn hoofd is geslagen, is geen ondersteunend bewijs. Er kan slechts worden vastgesteld dat verdachte met een klauwhamer op de armen van aangever heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat het slaan met een klauwhamer op de armen geen aanmerkelijke kans op levensbedreigend letsel oplevert, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van een poging tot doodslag.
Veroordeling ten aanzien van feit 1 subsidiair:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Op 21 mei 2024 te Veendam stond er een man in mijn hal. Hij hield een klauwhamer in zijn hand. Hij kwam op mij afstormen en haalde meermaals met kracht met de klauwhamer naar mij uit. Elke keer als de man mij sloeg met de klauwhamer heb ik de klap opgevangen met mijn armen. Hierdoor raakte de man mij steeds hard op mijn armen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 mei 2024, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Ik noem mijn broer [verdachte] altijd [bijnaam verdachte] . Op 21 mei 2024 zijn mijn broer [naam] en ik [bijnaam verdachte] gevolgd. [bijnaam verdachte] stormde een woning in. [naam] en ik renden ook de woning in. [bijnaam verdachte] ging die jongen te lijf. [bijnaam verdachte] had een slagwapen bij zich. Die jongen was puur bezig mogelijke slagen tegen te houden.
Overweging
De rechtbank overweegt omtrent de vraag of hier sprake is van een poging tot zware mishandeling het volgende. Vast staat dat verdachte de woning van aangever is binnengestormd en aldaar aangever meermalen met kracht met een klauwhamer heeft geslagen, waarbij aangever op zijn armen werd geraakt. De kans dat daarbij zwaar lichamelijk letsel zou zijn ontstaan is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk geweest. Er bestond een aanmerkelijke kans dat bepaalde gewrichten, pezen of zenuwen zouden worden geraakt en daardoor ernstig hadden kunnen worden beschadigd of ander blijvend letsel zou worden veroorzaakt. Het meermalen met kracht met een klauwhamer slaan, zoals verdachte heeft gedaan, is zozeer gericht op het ontstaan van zwaar letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.
Veroordeling ten aanzien van feiten 2 en 3:
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten 1 subsidiair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 21 mei 2024 te Veendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht met een klauwhamer op/tegen de armen, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 21 mei 2024 te Veendam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak hem af en ik maak/sla je hartstikke dood en ik sla je keihard op je schedel";
3
hij op 21 mei 2024 te Veendam, in de woning aan [adres] bij een ander, te weten bij [slachtoffer] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft hieromtrent primair bepleit dat er sprake is van (putatief) noodweerexces. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de handelingen van verdachte, bestaande uit het maken van slaande bewegingen met een klauwhamer richting de armen van aangever, een rechtstreeks gevolg zijn geweest van een directe en wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanranding. Bij verdachte was sprake van een hevige gemoedsbeweging, hij was heel boos en in paniek, omdat aangever zijn dochter zou hebben verkracht. De genoemde aanranding van verdachte zou bestaan uit het feit dat aangever verdachte bij binnenkomst direct een klap in zijn gezicht gaf. Het feit dat aangever een stuk groter is dan verdachte en aangever op enig moment ook een slagwapen in zijn handen heeft gehad, vergrootte het gevoel van angst en paniek bij verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat er sprake is van psychische overmacht. De gedragingen van verdachte waren het onmiddellijke gevolg van een hevige en van buiten komende psychische druk, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. Hij werd plotseling geconfronteerd met de mededeling dat zijn beperkte dochter was verkracht door aangever.
Oordeel van de rechtbank
Noodweerexces
Met betrekking tot het hiervoor weergegeven beroep van de verdediging op noodweerexces overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Ook is er geen sprake van een situatie waarin verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat zulk een noodzaak bestond. Verdachte is boos en geëmotioneerd naar het huis van aangever toegegaan. Hij is de woning van aangever binnengestormd, gewapend met een hamer in zijn handen. De handelingen van verdachte moeten als aanvallend worden aangemerkt. De agressieve handelingen begonnen bij verdachte zelf en niet bij aangever. Het is alleszins begrijpelijk en aanvaardbaar, dat aangever in deze situatie met gebruikmaking van beperkt geweld zou proberen verdachte tegen te houden om zijn woning binnen te gaan. Het is ook niet op andere wijze aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.
Psychische overmacht
Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de verdediging omtrent psychische overmacht overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Hoewel invoelbaar is dat verdachte, nadat hij van zijn dochter te horen kreeg dat zij door aangever zou zijn verkracht, hevig geëmotioneerd raakte, is niet aannemelijk geworden dat dit gegeven heeft te gelden als een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Verdachte had andere, minder ingrijpende, keuzes kunnen maken die niet waren gericht op vergelding of eigenrichting.
De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw en acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor de oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, bedreiging en huisvredebreuk. Hij heeft de confrontatie met aangever opgezocht door zijn woning binnen te stormen en aangever met een klauwhamer op zijn armen te slaan. Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en hem pijn en letsel toegebracht. Verdachte heeft hierbij geroepen dat hij de aangever dood zou slaan. Dit heeft gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid. De handelingen vonden bovendien plaats in de woning van aangever, dit is een plaats waar aangever zich bij uitstek veilig mocht wanen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering d.d. 14 januari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte zijn leven goed op orde heeft, het bewezenverklaarde wordt gezien als een incident. Er zijn wel zorgen over de gemoedstoestand van verdachte. Verdachte is nog dagelijks met deze zaak bezig en geniet weinig van zijn leven. Bovendien geeft verdachte aan dat zijn dochter nog getreiterd wordt door de aangever. De reclassering schat het risico op recidive en op geweld in als laag. De reclassering ziet geen noodzaak voor interventies of toezicht en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank zal bij de strafbepaling tevens met de volgende feiten en omstandigheden rekening houden. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit en is na deze feiten niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast is er sprake van tijdsverloop in deze zaak en is het letsel van het slachtoffer beperkt gebleven. Ten slotte komt de rechtbank tot een andere kwalificatie dan de officier van justitie en komt daardoor ook tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.
Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten, te meer omdat er nog steeds sprake is van een gespannen situatie tussen (de dochter van) verdachte en aangever.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 300,00 ter vergoeding van materiële schade en 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de
gevorderde materiële schade moet worden afgewezen, nu deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het ten laste gelegde en deze schade ook niet is onderbouwd. De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal verzocht het bedrag van de immateriële schade te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht, wegens het ontbreken van enige onderbouwing, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij de gevorderde materiële schade heeft geleden. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder feiten 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen is verklaard. Hoewel de gestelde psychische schade summier is onderbouwd, brengt de aard en ernst van de normschending naar het oordeel van de rechtbank mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 500,00 billijk is.
De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2024. De vordering zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank acht de inbeslaggenomen hamer vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft met behulp van welke het bewezenverklaarde feit 1 is begaan en deze toebehoort aan verdachte.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 138, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 150 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de drie dagen die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering zijn doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Vordering benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18/201426-24 feiten 1 subsidiair, 2 en 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen hamer.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. L.W. Janssen en
mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.
Mr. O.F. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.