RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.205201.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd:
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als de bijlage bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) betrouwbaar zijn en worden ondersteund door voldoende andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en chatberichten tussen aangeefster, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Er is onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster.
Verdachte heeft betwist dat hij degene is die onder het Snapchat-account [gebruikersnaam] met aangeefster chatte. Hij heeft weliswaar 5.000,00 van aangeefster ontvangen, maar dit was omdat hij boos op haar was omdat zij zijn mailadres had misbruikt en staat dus los van (eventuele) uitbuiting.
Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman verder - kort gezegd - aangevoerd dat aangeefster weliswaar op enig moment is uitgebuit, maar dat verdachte hier geen rol in heeft gespeeld. Bij het werven van aangeefster (sub 1) en het beschikbaar stellen voor werken (bij medeverdachte [medeverdachte 2] , hierna [medeverdachte 2] ) en bij [Medeverdachte 4] (hierna: [Medeverdachte 4] ) was verdachte niet betrokken (sub 4). Van profiteren van de opbrengst van de werkzaamheden van aangeefster voor [medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] is evenmin gebleken en dus kan voordeeltrekken uit de criminele uitbuiting (sub 6) niet bewezen worden. Verdachte heeft weliswaar eenmalig geld ontvangen van [slachtoffer] , maar daarbij was geen sprake van een uitbuitingssituatie.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden ingekort naar januari 2024 tot 26 maart 2024. Verdachte is in 2023 enkele maanden niet bij aangeefster betrokken geweest. Ook kan uit onder meer de verklaringen van aangeefster worden afgeleid dat ze pas beperkt werd in haar vrijheid vanaf het moment dat ze met [naam 2] had gesproken en [medeverdachte 1] en verdachte daar achter waren gekomen. Uit de chatberichten tussen aangeefster en medeverdachte [medeverdachte 2] kan ook worden afgeleid dat voor die tijd het werken bij [medeverdachte 2] in ieder geval vrijwillig is geweest.
Aangeefster hoefde blijkens de chatberichten ook niet zoveel te werken als zij verklaarde bij de politie.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman verder gewezen op inconsistenties als het gaat om het moment waarop een verkrachting in maart 2024 zou hebben plaatsgevonden. De data en tijden waarover getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) verklaarde, komen niet overeen met de camerabeelden van 22 maart 2024.
Oordeel van de rechtbank
Beoordeling van feit 1: mensenhandel
Juridisch kader mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit artikel staat in titel XVIII, de titel die ziet op de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke of geestelijke integriteit en vrijheid. De in artikel 273f Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die deel uitmaken van artikel 273f Sr.
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de artikel 273f, eerste lid, Sr, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald.1 De rechtbank ziet deze elementen als communicerende vaten: een beperkt gewicht van de ene factor kan worden gecompenseerd door een groter gewicht van de andere factoren. Zo zal er in het geval van prostitutiewerkzaamheden - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting.
Voor oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij of zij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus gewild gevolg meebracht dat de ander door hem of haar werd of zou kunnen worden uitgebuit.
Tot slot overweegt de rechtbank dat instemming van het slachtoffer met de uitbuiting niet in de weg staat aan een bewezenverklaring wanneer er sprake is van gebruik van dwangmiddelen.
Vaststelling van de feiten
Allereerst overweegt de rechtbank met betrekking tot de (screenshots van) chatberichten tussen aangeefster en het account [gebruikersnaam] het volgende. Verdachte ontkent dat hij de gebruiker van dit account is. De rechtbank constateert dat aangeefster op 25 maart 2024 een gesprek heeft met het account waarbij ze vraagt of ze uitstel van betaling mag. Ondanks dat [gebruikersnaam] aangeeft dat “zijn compagnon” dat niet wil, “de 25e is de 25e", gaat hij akkoord met betaling de volgende dag om 10:00 uur, maar dan komt er wel
500,00 rente en 1.500,00 boete overheen. Op 26 maart 2024 geeft aangeefster aan dat ze het geld niet geregeld heeft, waarop [gebruikersnaam] naar aangeefster reageert dat ze dan haar auto kwijt is en een fikse boete krijgt. Om 8:39 uur vraagt [gebruikersnaam] of aangeefster de papieren, pasje en sleutels al bij elkaar heeft gezocht. Om 8:40 uur zegt hij “20 minuten”. Om 8:42 uur “19 minuten”. Om 9:00, 9:02 en
9:06 uur is er door het account gebeld naar aangeefster. Uit camerabeelden volgt dat om 9:05 uur een Mercedes met kenteken [kenteken] langs de woning van aangeefster rijdt. Dit is de auto waarin verdachte rijdt. Die ochtend is getuige [getuige 2] bij de woning van aangeefster aanwezig en hij herkent [verdachte] als de persoon die in de Mercedes reed. Om 11:00 uur stuurt [gebruikersnaam] aangeefster Waar ben jij, op de vlucht? Gelet op deze gang van zaken concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is die het account [gebruikersnaam] gebruikt. De met dit account gevoegde gesprekken - waarin wordt gesproken over opleggen van boetes, sancties, slaan met een riem en rijst en hagelslag over de vloer - zal de rechtbank dan ook opnemen als bewijsmiddel.
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de feitelijke gang van zaken - kort samengevat - vast als het gaat om de voor uitbuiting relevante omstandigheden.
Begin mei 2023 ontmoetten aangeefster, verdachte en [medeverdachte 1] elkaar in een tattooshop, waarna aangeefster en [medeverdachte 1] contact hielden. Aangeefster raakte verliefd op [medeverdachte 1] . Hij was lief voor haar en ze hadden elke dag seks. Aangeefster vertelde hem over de nare relatie met haar drugsverslaafde ex-vriend en [medeverdachte 1] beloofde haar tegen die ex-vriend te beschermen.
Na enkele weken wilde [medeverdachte 1] dat aangeefster ook seks had met verdachte. Dat wilde aangeefster niet, waarna er ruzie ontstond. [medeverdachte 1] kwam bij aangeefster langs met een pistool en zette het pistool op haar hoofd. Hij zei haar dat ze een boete moest betalen, anders zou hij haar vingers eraf knippen. Aangeefster koos ervoor om de boete te betalen. Toen ze de volgende dag aangaf geen contact meer met [medeverdachte 1] te willen, zei hij dat ze zich aan de afspraak moest houden en een boete van 1.500,00 moest betalen. Aangeefster ging dit bedrag voor hem pinnen. Omdat de daglimiet was bereikt bij de pinautomaat, moest ze het resterende bedrag overmaken aan de moeder van [medeverdachte 1] . Deze overboeking was op 1 juni 2023.
[medeverdachte 1] ging zich opstellen als baas van aangeefster. Ze moest hem aanspreken met “meneer”, moest doen wat hij wilde en moest toestemming vragen als ze naar anderen wilde, wat regelmatig werd geweigerd. [medeverdachte 1] zei dat aangeefster zijn bezit was en ze mocht niet met andere jongens praten. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden een trio met aangeefster. Toen [medeverdachte 1] minder tijd voor aangeefster had, zei hij dat ze seks met alleen verdachte moest hebben, wat ook gebeurde. Aangeefster moest ook naar verdachte luisteren. Aangeefster was er inmiddels achter dat [medeverdachte 1] getrouwd was, maar [medeverdachte 1] hield haar voor dat zijn huwelijk alleen zakelijk was. Aangeefster hield hoop dat als zij naar hem luisterde, dat hij voor haar zou kiezen en dat dingen beter zouden worden. Verdachte hield deze situatie ook in stand. Toen aangeefster hem via Snapchat vroeg of [medeverdachte 1] met een andere vrouw was, wilde hij geen antwoord geven, maar zei haar wel “dat het het waard was”.
Aangeefster werd echter door zowel verdachte als [medeverdachte 1] mishandeld en bedreigd. [medeverdachte 1] bedreigde en sloeg haar meermalen met een pistool. Verdachte bedreigde haar met een mes. Ook dreigde [medeverdachte 1] om de familie van aangeefster iets aan te doen. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden de sleutel van de woning van aangeefster en brachten in de zomer van 2023 een kluis met drugs, een tas met geld en een wapen onder in haar woning.
Verdachte en [medeverdachte 1] legden aangeefster allebei boetes op. Op enig moment had aangeefster 17.000,00 aan boetes betaald aan verdachte en [medeverdachte 1] . Ook kocht ze dure kleding, schoenen, brillen en boksbeugels voor hen.
Omdat de opgelegde boetes hoger waren dan het salaris van aangeefster, regelde [medeverdachte 1] dat aangeefster kon “werken” voor kennissen van hem. Ze moest zich ziekmelden bij haar eigen werk en ging bankhelpdeskfraude plegen met medeverdachte [medeverdachte 2] . Aangeefster kreeg drugs van verdachte en [medeverdachte 1] . Op het laatst gebruikte ze elke dag drugs om wakker te blijven. In januari 2024 overhandigde aangeefster 10.000,00 aan verdachte. Ze maakte een opname van de overdracht met haar telefoon. In februari 2024 werd aangeefster door [medeverdachte 1] meegenomen naar een hotel voor een afspraak met medeverdachte [Medeverdachte 4] (hierna: [Medeverdachte 4] ). Daarbij was verdachte ook aanwezig. Verdachte en [medeverdachte 1] wilden dat aangeefster in de prostitutie ging werken. [Medeverdachte 4] werd gevraagd of hij aangeefster naar seksafspraken wilde brengen en [Medeverdachte 4] zou voor 500,00 seks met aangeefster mogen hebben. Hier ging [Medeverdachte 4] niet op in. Wel pleegde aangeefster later samen met hem marktplaatsoplichtingen.
Aangeefster gaf de opbrengst hiervan aan [medeverdachte 1] , waarna [medeverdachte 1] (een deel van) het geld aan verdachte gaf. Verdachte had ook inspraak in de werkzaamheden en gaf aangeefster bijvoorbeeld de opdracht om thuis te blijven totdat ze een pinpas had geregeld voor [Medeverdachte 4] .
Aangeefster kreeg steeds hogere boetes opgelegd en verdachte en [medeverdachte 1] dreigden om haar auto in te nemen en haar familie dood te maken als ze die niet betaalde. Getuige [getuige 1] verklaarde dat ze aangeefster steeds verder zag afglijden. Getuige [getuige 3] zag dat aangeefster steeds magerder werd en een ingevallen gezicht had. Medeverdachte [Medeverdachte 4] omschreef aangeefster als “zwaar aan de coke”. In maart 2024 zochten verdachte en [medeverdachte 1] aangeefster op haar werk op. Toen ze de boetes niet meer kon betalen, vreesde aangeefster in de prostitutie te belanden en zag de geen uitweg meer. Op 26 maart 2024 grijpt hulpverleningsinstantie Fier in en wordt aangeefster naar een veilige plek gebracht, waarmee de situatie tot een einde komt.
Conclusie ten aanzien van feit 1
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of op basis van bovenstaand feitencomplex en met inachtneming van het geschetste juridische kader van mensenhandel kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft uitgebuit samen met [medeverdachte 1] .
De rechtbank constateert met betrekking tot de aard en duur van de diensten en werkzaamheden dat aangeefster gedurende ongeveer tien maanden boetes moest betalen aan en goederen moest kopen voor verdachte en [medeverdachte 1] . Daarnaast heeft ze drugs en een wapen voor hen bewaard en heeft ze criminele activiteiten verricht voor kennissen van [medeverdachte 1] , waarbij ze telkens strafrechtelijk gezien risico liep.
Ten aanzien van de beperkingen voor aangeefster constateert de rechtbank dat zij fors werd mishandeld, werd bedreigd met wapens en haar geld moest inleveren. Hoewel aangeefster een betaalde baan had, slonk haar spaarrekening van mei 2023 tot en met maart 2024 van
8.800,00 naar 342,53. Aangeefster moest haar locatie delen, mocht niet naar feestjes of sport en werd dus ernstig in haar vrijheid beperkt. Vriendin [getuige 1] en buurvrouw [getuige 3] zagen aangeefster achteruitgaan en vermageren. Daarbij acht de rechtbank ook tekenend dat [getuige 1] verklaarde dat aangeefster aanvankelijk overstuur vertelde over wat er met haar gebeurde, maar dat aangeefster op enig moment geen emotie meer toonde en vertelde niets meer te voelen.
Met betrekking tot het economische voordeel voor verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte en [verdachte] meer dan 17.000,00 van aangeefster hebben ontvangen.
Alles bij elkaar opgeteld is de rechtbank van oordeel dat sprake was van uitbuiting.
Daarbij hebben verdachte en [medeverdachte 1] gebruik gemaakt van de dwangmiddelen geweld, bedreiging met geweld, misleiding, afpersing, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Voor het bewijs van door "misbruik" handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake was. Aangeefster kwam uit een langdurige nare relatie met haar drugsverslaafde ex-vriend, waarbij ook seksueel misbruik van haar werd gemaakt. Aangeefster was hiervoor al in contact met hulpverleningsinstantie Fier. Ze had [medeverdachte 1] verteld over de situatie met haar ex-vriend. Verdachte en [verdachte] hadden aangeefster ook laten weten dat ze het goed vonden als ze hiervoor in therapie ging. Bovendien wist verdachte dat aangeefster verliefd was op [medeverdachte 1] en dat ze alles deed voor hem cq. om hem te zien.
Door onder de genoemde omstandigheden - kort gezegd - aangeefster boetes te laten betalen, criminele activiteiten te laten verrichten en hiervan te profiteren heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan mensenhandel, gepleegd in vereniging met [medeverdachte 1] , zoals ten laste gelegd onder feit 1, sub-onderdelen 1, 4 en 6.
Met betrekking tot het plegen in vereniging overweegt de rechtbank het volgende.
Hoewel [medeverdachte 1] de sleutelfiguur was omdat aangeefster verliefd werd op hem en hij aanvankelijk het overwicht op haar creëerde, kwam verdachte (in ieder geval) al na vier weken in beeld. Verdachte was betrokken bij het in de zomer van 2023 plaatsen van een kluis, drugs en wapens in de woning van aangeefster, kwam regelmatig bij haar langs, had ook seks met haar en in een periode dat [medeverdachte 1] niet bij aangeefster kwam, nam verdachte het stokje van hem over. Aangeefster moest naar verdachte luisteren, moest geld betalen als ze [medeverdachte 1] weer wilde zien, en ook legde verdachte haar boetes op.
Boetes die [medeverdachte 1] aan aangeefster had opgelegd, konden (ook) aan verdachte worden betaald, zo blijkt bovendien uit chatberichten van [medeverdachte 1] . Ook met betrekking tot het werken bij [medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] had verdachte zeggenschap, zo leidt de rechtbank onder meer af uit chatberichten tussen aangeefster en verdachte waarin aangeefster vraagt of ze mag overleggen over het werken en verdachte daarmee instemt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] , deels bestaand uit een gezamenlijke uitvoering, waaraan verdachte naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht had.
In reactie op de (overige) verweren van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt.
Dat uit het contact tussen aangeefster, verdachte en [medeverdachte 2] aanvankelijk geen dwang of onvrijwilligheid blijkt, betekent geenszins dat aangeefster het werk en het afstaan van de opbrengsten in opdracht van verdachte en [medeverdachte 1] vrijwillig deed. Bovendien staat, zoals overwogen, (eventuele) vrijwilligheid niet in de weg aan een bewezenverklaring van uitbuiting indien sprake is van gebruik van dwangmiddelen. Dat was het geval, alleen al gelet op (het misbruik van) het onmiskenbare
overwicht dat verdachte en [medeverdachte 1] op aangeefster hadden.
Voor inkorting van pleegperiode - zoals verzocht door de raadsman - ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor overwogen met betrekking tot het medeplegen. Een (eventueel) kleiner aandeel van verdachte bij de uitbuiting van aangeefster kan worden meegewogen in de strafmaat.
Beoordeling van feit 2: verkrachting
De rechtbank constateert dat aangeefster - kort gezegd - heeft verklaard dat zij in maart 2024 door verdachte en [medeverdachte 1] samen is verkracht. Verdachte en [medeverdachte 1] ontkennen dat dit is gebeurd en er waren geen andere personen aanwezig bij de door aangeefster geschetste situatie.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 leidt de rechtbank af dat volgens artikel 342 lid 2 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige - in dit geval aangeefster. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen.
Hoewel er buiten aangeefster geen getuigen zijn die over de verkrachting verklaren uit eigen waarneming, ziet de rechtbank voldoende steun voor de verklaring van aangeefster als het gaat om de door haar naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. De rechtbank wijst daartoe op de verklaring van getuige [getuige 1] en de chatgesprekken tussen aangeefster en zowel verdachte als [medeverdachte 1] , zoals opgenomen in de bijlage met bewijsmiddelen.
[getuige 1] verklaarde - kort gezegd - dat aangeefster haar in maart rond etenstijd belde en aangaf dat “de grote en kleine vriend” (de rechtbank begrijpt: verdachte en [medeverdachte 1] ) zouden komen. Later die avond belde aangeefster [getuige 1] huilend op. Ze liet via haar telefoon zien dat haar huis vies was en dat haar lamp stuk was. [getuige 1] ging naar aangeefster toe en zag dat zij peper in haar haar en een rode striem in haar hals had. Ook zag ze dat er rijst en peper in de woning lag. Aangeefster vertelde dat ze haar hard op haar kont hadden geslagen en een riem om haar hals hadden gedaan tot ze sterretjes zag. Toen was aangeefster maar gaan liggen en had gedacht: "Doe dan maar”. Ook hadden ze haar toilet verstopt.
Dat aangeefster door verdachte en [medeverdachte 1] op haar billen is geslagen en dat zij rijst in haar woning hebben gestrooid volgt tevens uit chatberichten die aangeefster met Fier voerde op 22 maart 2024, maar ook uit chatgesprekken tussen verdachte en aangeefster. Aangeefster stuurt op 25 maart 2024 namelijk aan zowel verdachte als [medeverdachte 1] Snapchatberichten over striemen op haar billen, waarop door hen niet verbaasd of ontkennend wordt gereageerd.
Gelet op de mate van steun voor de omstandigheden waaronder de door aangeefster beschreven verkrachting plaatsvond en het waarnemen van emoties en letsel bij aangeefster kort daarna acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte 1] aangeefster hebben mishandeld en vervolgens - gelet op de omstandigheden onmiskenbaar tegen haar wil - seks met haar hebben gehad, en aldus hebben verkracht.
De raadsman heeft gewezen op inconsistenties met betrekking tot het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond. Uit de verklaring van [getuige 1] kan worden afgeleid dat [getuige 1] in haar telefoon zag dat ze op 22 maart 2024 rond 21:00 uur overstuur werd gebeld door aangeefster, waarna [getuige 1] naar aangeefster toe ging en de reeds beschreven situatie aantrof. Uit camerabeelden kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 1] op 22 maart 2024 omstreeks 17:56 uur bij de woning aankwamen en omstreeks 18:08 uur de woning verlieten. Dit past zowel qua duur als qua moment op de dag niet bij de verklaring van [getuige 1] .
De rechtbank kan dit betoog volgen, maar meent op basis van de verklaringen en chatgesprekken van aangeefster en de camerabeelden dat niet anders kan dan dat [getuige 1] (of de verbalisant) zich heeft vergist in de datum.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en [medeverdachte 1] tijdens hun bezoek aan de woning op 22 maart 2024 een wit-met-zwarte tas van de keten Rituals bij zich droegen. Dat past bij de verklaring van aangeefster inhoudend dat verdachte en [medeverdachte 1] haar op 22 maart 2024 cadeautjes brachten in een Rituals-tas.3 Aangeefster heeft daarover verklaard dat dit niet het hetzelfde bezoek was als het bezoek waarbij verdachte en [medeverdachte 1] haar mishandelden, seks met haar hadden en rijst in haar huis strooiden; dat laatste bezoek was namelijk eerder.4
Uit het verslag van de chatgesprekken tussen aangeefster en hulpverleners van Fier volgt dat aangeefster op 22 maart 2024 op drie momenten contact had met Fier. Tijdens het eerste contactmoment vertelt aangeefster eerst hoe haar dag verliep en zegt dat “de baas en zijn compagnon” in de avond kwamen. Ze beschrijft het bezoek waarbij de mishandeling en verkrachting plaatsvonden. Aan het eind van het gesprek zegt ze dat ze gaat slapen en wenst de hulpverlener nog een fijne avond.
Als start van het tweede contactmoment die dag schrijft de hulpverlener “Wat brengt je hier vanmiddag”. Over het derde contactmoment wordt gezegd dat dit aan het eind van de avond was. Tijdens dit contactmoment vertelt aangeefster dat verdachte en [medeverdachte 1] cadeaus hebben langsgebracht omdat zij bijna jarig is.5
Gelet op deze volgorde en op de inhoud van de gesprekken kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het bezoek met de mishandeling en verkrachting op de (late) avond van 21 maart 2024 heeft plaatsgevonden en dat aangeefster vervolgens na 00:00 uur - en dus op 22 maart 2024 - hierover heeft gechat met Fier.
De rechtbank ziet zich gesterkt in deze opvatting door hetgeen aangeefster vertelde over de afsluiting van het bezoek. Bij vertrek zou [medeverdachte 1] haar namelijk geld hebben willen geven voor haar aanstaande verjaardag, wat door aangeefster werd geweigerd omdat ze wilde dat hij iets voor haar zou kopen. Dit past precies bij de camerabeelden van 22 maart 2024 waarop te zien is dat verdachte en [medeverdachte 1] met een Rituals-tasje naar de woning van aangeefster gingen.
De rechtbank zal 21 maart 2024 dan ook hanteren als pleegdatum. Voor verkrachtingen op andere momenten ziet de rechtbank geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en Heerenveen en Groningen, tezamen en in verenging met een ander,
(A) mevrouw [slachtoffer] , telkens
heeft
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
zulks terwijl die [slachtoffer] :
aldus terwijl die [slachtoffer] zich in een kwetsbare positie bevond en terwijl die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken aan het psychische overwicht dat verdachte en mededader op die [slachtoffer] had, en
2.
hij op 21 maart 2024 te Assen tezamen en in vereniging met een ander, door geweld, te weten:
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. Mensenhandel, in vereniging gepleegd, meermalen gepleegd.
2. Medeplegen van verkrachting.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren.
Voorts heeft de officier van justitie verzocht om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met een kortere pleegperiode en een kleinere rol van verdachte ten opzichte van de medeverdachte. Voorts heeft de raadsman aangegeven dat de criminele en niet de seksuele uitbuiting op de voorgrond stond en dat de ernst van de situatie opliep naarmate de tijd vorderde.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages van onder meer 1 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitbuiting en verkrachting van een jonge vrouw die verliefd op de medeverdachte was. Aanvankelijk was de medeverdachte lief voor het slachtoffer, maar na enkele weken wilde hij dat ze seks had met verdachte, bedreigde hij haar met een vuurwapen en dwong hij haar om geldbedragen te betalen.
De medeverdachte maakte het slachtoffer volledig ondergeschikt aan hem. Zij moest hem en verdachte aanspreken met “meneer”, moest naar hen luisteren en moest haar huis ter beschikking stellen voor de opslag van een kluis, drugs, geld en wapens. Ze moest haar locatie delen en verdachte of de medeverdachte vragen om toestemming om ergens heen te mogen - die ze doorgaans niet kreeg.
Verdachte en de medeverdachte vernederden het slachtoffer en mishandelden haar op sadistische wijze. Zo wijst de rechtbank erop dat aangeefster van verdachte en de medeverdachte moest blaffen als een hond en dat aangeefster moest tellen hoe vaak ze haar sloegen. Uiteindelijk hebben verdachte en de
medeverdachte aangeefster ook gezamenlijk verkracht.
Dit zijn zeer ernstige feiten waarmee verdachte op een grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte en medeverdachte zwaar aan dat zij het slachtoffer (aanvankelijk) in de waan lieten dat de medeverdachte een relatie met (alleen) haar had en (later) dat hij bij zijn vrouw weg zou gaan, om vervolgens samen met de medeverdachte op grove wijze misbruik van haar te maken. Hier ging het slachtoffer uiteindelijk zowel financieel, fysiek als mentaal aan onderdoor. Uit de stukken volgt dat zij bijna anderhalf jaar in het stelsel bewaken en beveiligen heeft gezeten, nog steeds onder psychische behandeling is en nog een lange weg te gaan heeft.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van langere duur op zijn plaats is. Het uitgangpunt voor strafoplegging voor verkrachting is volgens de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 24 maanden. Voor mensenhandel in de zin van financiële uitbuiting bestaan geen oriëntatiepunten. Wel weegt de rechtbank mee dat sprake was van een kwetsbaar slachtoffer als bedoeld in artikel 273f Sr lid 3 onder 2. Het slachtoffer kwam uit een langdurige relatie waarin ze haar drugsverslaafde ex-vriend haar sloeg en seksueel misbruikte. Zij hunkerde naar liefde en veiligheid, die de medeverdachte haar aanvankelijk ook beloofde te bieden.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaren passend en geboden. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ten opzichte van de medeverdachte - aan wie een gevangenisstraf van 5 jaren is opgelegd - een iets geringer aandeel in de uitbuiting van aangeefster heeft gehad. Zo was de medeverdachte in eerste instantie degene die aangeefster heeft ingepalmd en vervolgens aan zijn wil heeft onderworpen, pas daarna kwam verdachte in beeld.
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank is - met inachtneming van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad - met de raadsman van oordeel dat de uitspraak in deze zaak niet maakt dat de belangenafweging van het strafvorderlijk belang enerzijds en de persoonlijke belangen van verdachte anderzijds leidt tot een andere uitkomst dan ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Tot slot zal de rechtbank een contactverbod met aangeefster opleggen voor de duur van vijf jaren met op straffe van overtreding per overtreding zeven dagen vervangende hechtenis. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het gevorderde locatieverbod niet kan worden opgelegd, nu de verdediging hier geen verweer tegen heeft kunnen voeren omdat de adressen onbekend zijn bij de verdediging.
Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 30.409,25 ter vergoeding van materiële schade en 40.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Namens de benadeelde partij heeft mr. Elzinga verzocht om hoofdelijkheid te bepalen ten aanzien van de materiële kosten die verdachte en [medeverdachte 1] gezamenlijk hebben veroorzaakt. Ten aanzien van de individuele materiële schade (bestaand uit alleen door verdachte opgelegde boetes en alleen door verdachte ontvangen goederen) en de immateriële schade heeft de raadsvrouw uitdrukkelijk verzocht om geen hoofdelijkheid te bepalen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde belkosten, de kosten van de auto en de lening. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard met betrekking tot deze posten, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. De factuurdatum van de auto is gelegen in de pleegperiode, toen stond aangeefster nog in contact met verdachten. Dit kan dus niet de auto zijn waarmee ze onbekend voor verdachten wil blijven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot de individueel gevorderde materiële schade de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit gelet op de bepleite vrijspraak.
De verdediging heeft bepleit dat de gezamenlijk gevorderde materiële schade ten aanzien van de kosten van prepaid-telefoons, de aanschaf van een auto, het vervangen van de deurcilinder en de lening geen rechtstreekse schade betreffen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard ten aanzien van deze posten. Met betrekking tot de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering van 2024 en 2025 heeft de raadsman aangevoerd dat deze kosten onvoldoende onderbouwd zijn en dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de verleende geestelijke gezondheidszorg verband houdt met de onderhavige feiten.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat deze schade substantieel dient te worden gematigd. De raadsman heeft erop gewezen dat rekening zou moeten worden gehouden met een kortere pleegperiode, dat aangeefster ook problemen had vanuit haar vorige relatie en dat een volledige beoordeling van op de behandeling van aangeefster betrekking hebbende stukken onmogelijk is nu deze deels zijn zwartgelakt uit privacyoverwegingen. Voorts is de in de onderbouwing van de vordering ter vergelijking aangehaalde uitspraak ernstiger dan de zaak van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade die alleen van verdachte wordt gevorderd heeft geleden
( 6.815,00 aan boetes en 1.254,89 aan voor verdachte gekochte goederen) en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Uit het dossier volgt dat verdachte - niet alleen individueel, maar ook samen met [medeverdachte 1] - boetes heeft opgelegd. De vordering zal daarom op dit punt worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024.
Ten aanzien van de gezamenlijk van verdachte en medeverdachte [verdachte] gevorderde materiële schade - overweegt de rechtbank als volgt. Met betrekking tot de kosten voor gas en licht ( 13,92), en de huur ( 1.150,25), is geen verweer gevoerd. Ten aanzien van deze kosten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom op deze punten hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024.
Ten aanzien van de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (tweemaal 385,00) is de rechtbank van oordeel dat deze posten voldoende zijn onderbouwd. Gelet op het bewezenverklaarde en de overgelegde stukken is evident dat aangeefster in 2024 en 2025 gebruik heeft gemaakt van geestelijke gezondheidszorg en dat dit (in ieder geval deels) verband houdt met wat verdachte en [medeverdachte 1] haar hebben aangedaan. Ten aanzien van de kosten voor prepaid telefoons ( 88,94) overweegt de rechtbank dat deze kosten zien op aangekocht beltegoed zodat aangeefster gebruik kon maken van niet traceerbare telefoons. De rechtbank acht deze kosten - mede gelet op het feit dat aangeefster in het stelsel bewaken en beveiligen zat - voldoende onderbouwd en rechtstreeks voortvloeiend uit de bewezenverklaarde feiten. De vordering zal daarom ook op deze punten hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024.
Ten aanzien van de kosten van de aanschaf van de nieuwe auto is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Het zou gaan om een auto waarvan de verdachten het kenteken niet zouden kennen en waarin aangeefster zich dus veilig zou voelen, maar uit de ter onderbouwing overgelegde factuur volgt dat het gaat om auto die is aangeschaft in november 2023, en dus middenin de pleegperiode, toen aangeefster nog veel contact had met verdachte dan wel de medeverdachte.
Ten aanzien van de kosten voor het afkopen van het internetabonnement en de aanschaf van een nieuwe deurcilinder is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van deze gemaakte kosten onvoldoende is onderbouwd. Omtrent de deurcilinder overweegt de rechtbank dat op het moment van aanschaf aangeefster niet meer in haar woning verbleef en zowel verdachte als [medeverdachte 1] zich in voorlopige hechtenis bevonden.
Ten aanzien van de kosten voor een nieuwe telefoon is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde factuur ziet op de aanschaf van een telefoon op 15 juni 2024, terwijl de oude telefoon van aangeefster al op 26 maart 2024 in beslag is genomen. Niet duidelijk is geworden of aan de politie is verzocht om ten behoeve van onderzoek overgelegde oude telefoon terug te geven aan aangeefster.
Ten aanzien van de afgesloten lening bij [bedrijf] is de rechtbank van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De aangekondigde nadere onderbouwing is niet gekomen en uit het dossier lijkt te volgen dat deze lening is gebruikt voor de aanschaf van een auto, waarmee een rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de voorgaande posten.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard van de feiten evident is dat aangeefster in haar persoon is aangetast en immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde, onverlet haar mogelijke reeds bestaande psychische problematiek. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie mensenhandel en verkrachting, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 20.000,- billijk is. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024. Nu de schade is toegebracht door verdachte en [medeverdachte 1] samen, ziet de rechtbank geen aanleiding om - zoals verzocht namens de benadeelde partij - af te zien van hoofdelijkheid.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering van immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 47, 57, 242 en 273f van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en zes maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon (merk: Apple iPhone).
Ten aanzien van feit 1 en 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een totaalbedrag van 30.093,00, waarvan een deel hoofdelijk en een deel individueel, zoals hierna te bepalen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Wijst de vordering van de benadeelde partij individueel toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte, om aan [slachtoffer] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.023,11 (zegge: tweeëntwintigduizenddrieëntwintig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.023,11 aan materiële schade en 20.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 131 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of zijn mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Legt aan verdachte individueel de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 8.069,89 (zegge: achtduizendnegenenzestig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 65 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H. Eising en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.
Mrs. Eising en Van der Woude zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese Horeca), HR 24 november 2015,
ECLI:NL:HR:2015:3309.
2 Onder andere ECLI:NL:HR:2024:686, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
3 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 6 mei 2024, opgenomen op p.130 e.v. van het
dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC24005 CHIP, d.d. 30 december 2024.
4 Het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris d.d. 24 november 2025.
5 Een overig bescheid, te weten een uitdraai van chatgesprekken tussen aangeefster en
hulpverleningsinstantie Fier, opgenomen op p. 344 t/m 346 van het voornoemde het dossier.