RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
Beoordeling van het bewijs
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafmotivering
Beslag
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
een gevangenisstraf voor de duur van 86 dagen.
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.150470.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen verdachte
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 12 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Ter terechtzitting van 5 februari 2026 is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. F.R.G. Drenth optredend als zaakwaarnemer voor mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hoekman.
De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, - kort gezegd - ten laste gelegd dat:
1. hij zich in de periode van 9 januari 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Groningen en/of op een of meerdere (andere) locaties in Nederland en/of Roemenië en/of Litouwen heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen) van mensenhandel (seksuele uitbuiting, sub 1, 3, 4, 6 en 9) ten aanzien van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;
2. hij zich in de periode van 17 december 2022 tot en met 17 juli 2023 te Groningen en/of op een of meerdere (andere) locaties in Nederland en/of Roemenië en/of Litouwen heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen/schuldwitwassen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2.
De raadsman heeft daartoe kort weergegeven aangevoerd dat geen sprake is geweest van mensenhandel. Het neefje van verdachte (medeverdachte [medeverdachte 1] ), zijn zoon (medeverdachte [medeverdachte 2] ) en schoondochter zijn allemaal actief in de prostitutie. Hier is niets geks of verdachts aan voor verdachte. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] . Daarbij kan niet bewezen worden dat hij enige weet had van wat er achter de schermen gebeurde bij de verschillende stellen en dus van het eventueel gebruik van dwangmiddelen of misbruik van de gestelde kwetsbare positie van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] .
Als er al sprake was van uitbuiting, was verdachte daar niet van op de hoogte en kon hij daar ook niet redelijkerwijs van op de hoogte zijn.
Het geld dat door verdachte verstuurd werd naar Roemenië en daar werd ontvangen, is daarom niet uit enig misdrijf afkomstig. Mocht het geld afkomstig zijn uit strafbare feiten gepleegd door de medeverdachten, dan nog kan verdachte niet worden aangerekend dat hij dat ofwel ontvangen ofwel verstuurd zou hebben. Voor zover verdachte weet, was er sprake van legale prostitutie op basis van instemming van alle betrokkenen.
Oordeel van de rechtbank
Korte inleiding
De zaak van verdachte maakt deel uit van het politieonderzoek Bjarna. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de vervolging van zes Roemeense verdachten, te weten, verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .
Deze verdachten worden - in wisselende samenstelling - verdacht van het (medeplegen) van seksuele uitbuiting, dan wel medeplichtigheid hieraan van drie Roemeense vrouwen, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
Het strafrechtelijk onderzoek is gestart op basis van gegevens uit de webcrawler mensenhandel, die het internet afzoekt naar seksadvertenties met signalen van seksuele uitbuiting. De advertentie van ene [werknaam] viel om die reden op.
Op 12 april 2023 heeft een politiecontrole plaatsgevonden aan de [adres] te Groningen. Aldaar werden aangetroffen [slachtoffer 2] , die werkzaam was onder de naam [werknaam] , en [slachtoffer 1] . Zij verklaarden dat zij vrijwillig sekswerk deden en dat zij alle verdiensten zelf hielden. Hun toekomst zou hier beter zijn dan in Roemenië.
Uit onderzoek in de webcrawler bleek dat dezelfde foto's die bij de advertentie van [werknaam] werden gebruikt, later werden gebruikt bij een seksadvertentie met de werknaam [werknaam] .
Er werd door de politie op 1 juni 2023 een afspraak gemaakt met deze [werknaam] bij [hotel] in Groningen. [werknaam] werd gebracht in een witte Volkswagen Passat voorzien van Roemeens kenteken [kenteken] . In deze auto zaten vier mannen: verdachte en medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [werknaam] bleel dezelfde [slachtoffer 2] te zijn.
Er vonden vervolgens doorzoekingen plaats en telefoons werden in beslag genomen en doorzocht. Ook werden observaties uitgevoerd, telefoons getapt en vond er een financieel onderzoek plaats. Dit heeft geleid tot de aanhouding van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 9 oktober 2023. Tijdens deze aanhouding kwam ook [slachtoffer 3] in beeld. Op 17, 18 en 19 januari 2024 werden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] aangehouden.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de raadsman het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte bij verschillende politiecontroles de chauffeur is van een Volkswagen Passat voorzien van Roemeens kenteken [kenteken] . Op 1 juni 2023 bij de seksafspraak bij het [hotel] in Groningen is hij ook de bestuurder. Uit de inhoud van de WhatsApp gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] volgt dat wordt gesproken over verdachte. De berichten gaan kennelijk over chauffeurswerkzaamheden. Verdachte lijkt ook de chauffeur te zijn voor [slachtoffer 1] . Dit volgt uit de inhoud van de WhatsApp gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en [slachtoffer 1] , alsmede de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] . Daarbij lijkt verdachte enige invloed te hebben op waar hij de vrouwen oppikt en voorziet medeverdachte [medeverdachte 1] hem ook van informatie, waarvan men zich kan afvragen waarom verdachte die nodig heeft: “ [naam] weet dat het gaat om drie uur, 800”. Verdachte krijgt hiervoor tevens betaald. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat zijn bijnaam inderdaad [naam] is, maar hij ontkent enige betrokkenheid te hebben gehad bij de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
Hoewel er op basis van het vorenstaande wel aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken is geweest bij de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , leveren zijn gedragingen (het vervoeren van de vrouwen naar en van seksafspraken) in de kern geen gezamenlijke uitvoering op en ook geen bijdrage die in materiele of intellectuele zin van zodanig gewicht is, dat het ten laste gelegde medeplegen van de seksuele uitbuiting van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] bewezenverklaard kan worden.
Ten aanzien van feit 2
Uit de onder bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte de beschikking heeft gehad over een bankrekening op naam van ene [naam] . Verdachte heeft in de periode van 18 maart 2023 tot en met 30 mei 2023 vanaf deze bankrekening (maar ook contant) via moneygram geld verstuurd naar diverse personen in Roemenië, te weten een bedrag van 2.500,- (vijf transacties van 500,-) giraal en 11.300,- contant. De kosten voor deze moneytransfers bedroegen 550,-.
Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (zijn zoon) in de periode van 17 december 2022 tot en met 17 februari 2023 een totaalbedrag van 10.131,50 cash verzonden via moneygram aan verdachte.
In onderhavig geval kan geen direct verband worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en de hiervoor genoemde geldbedragen. Immers, verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
Dit betekent dat geen gronddelict bekend is. De rechtbank zal daarom gebruik maken van het hiervoor ontwikkelde toetsingskader uit het 6-stappen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481.
Hieruit volgt dat het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” bewezen kan worden indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Allereerst moet worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
Als dit het geval is, dan mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Zodra de verklaring voldoende tegenwicht biedt, is het aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van de geldbedragen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft.
Beoordeling
Verdachte had in Nederland geen aantoonbaar (legaal) inkomen. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder feit 2 opgenomen geldbedragen van in totaal 24.481,50, te weten de door verdachte via moneygram naar Roemenië verzonden alsmede via moneygram van medeverdachte [medeverdachte 2] ontvangen bedragen, zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het veelvuldig versturen van geld via moneygram is een witwasindicator, omdat deze transfers duur zijn en bedoeld zijn om de meldgrens te ontduiken.
Verdachte is geconfronteerd met de verdenking van witwassen en hem is de gelegenheid gegeven om te verklaren over de herkomst van de geldbedragen. Tijdens het verhoor door de politie op 13 februari 2024 heeft verdachte hierover niet willen verklaren en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ter zitting van 5 februari 2026 heeft hij voor het eerst een verklaring afgelegd die naar het oordeel van de rechtbank weinig specifiek is. In de kern komt deze verklaring erop neer dat de via moneygram verstuurde geldbedragen deels uit Roemenië afkomstig waren (meegenomen naar Nederland), alsmede opbrengsten van het pokeren. Deze geldbedragen stuurde hij naar zijn familie in Roemenië. De door verdachte via moneygram
van medeverdachte [medeverdachte 2] ontvangen bedragen waren tevens pokerwinsten. Verdachte stuurde het geld niet via de bank maar via moneygram, omdat hij in Roemenië schulden had en de Staat beslag had gelegd op zijn bankrekening en woning. Verdachte kan wil niet aangeven waar hij heeft gegokt, wanneer en met wie. Ook heeft hij geen bewijzen/bonnetjes afgegeven waar de pokerwinsten uit blijken. Daarnaast heeft verdachte niet kunnen uitleggen waarom het nodig was om het door hem uit Roemenië naar Nederland meegenomen geld terug te sturen naar Roemenië. Verdachte heeft hiermee geen op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke, concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor een mogelijke legale herkomst van het geld. Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte 2] van wie verdachte 10.131,50 cash heeft gekregen via moneygram evenals verdachte geen legaal inkomen had in Nederland en hij is veroordeeld voor het medeplegen van mensenhandel en witwassen. Daarmee blijft naar het oordeel van de rechtbank geen andere reële mogelijkheid over dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist.
Gewoontewitwassen
Gelet op de lange periode waarin verdachte zich aan witwassen heeft schuldig gemaakt en de daarmee gepaard gaande geldbedragen en de vele transacties, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 17 december 2022 tot en met 17 juli 2023 te Groningen en op andere locaties in Nederland, meerdere malen, meerdere voorwerpen, te weten
- heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist, dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf en terwijl hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het bewezen verklaarde levert op:
2. van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 142 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Witwassen is een ernstig strafbaar feit dat ondermijnend is voor de samenleving. Dit feit rekent de rechtbank verdachte dan ook aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Uit informatie uit Roemenië volgt dat verdachte daar in 2019 is veroordeeld voor drugshandel.
Ter terechtzitting is door verdachte naar voren gebracht dat hij inmiddels in Roemenië verblijft en dat hij zijn geld verdiend met zwart werken als taxichauffeur.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met circa 1 maand, uitgaande van de aanvang van de behandeling van de strafzaak op
18 januari 2024, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Gelet op de omvang en complexiteit van deze zaak kan met de constatering dat de termijn in zeer geringe mate is overschreden worden volstaan en behoeven er geen consequenties te zijn voor de op te leggen straf.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting over fraude. Bij een fraudebedrag tussen 10.000,- en
70.000,- geldt een oriëntatiepunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (zijnde 86 dagen) passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het (ook) opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen
340,-, alsmede de onder verdachte niet inbeslaggenomen witwasbedragen. De officier van justitie verwijst daartoe naar artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde contante geldbedrag van
340,- moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft die aan verdachte toebehoort, die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel door middel van of uit de baten van het strafbare feit is verkregen.
De rechtbank ziet af van toepassing van artikel 34 Sr. De witwasgelden zijn niet onder verdachte in beslag genomen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of de betreffende geldbedragen nog aan verdachte toebehoren, dan wel of hij feitelijke macht beheer of zeggenschap hierover heeft. De feitelijke situatie is hiermee te onduidelijk voor een rechtmatige verbeurdverklaring.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurd het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van 340,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.
Mr. S.T. Kooistra en mr. M.M. Spooren zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Bijlage 1
1
hij (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 9 januari 2023 tot en met 9 oktober 2023 te Groningen en/of op een of meerdere (andere) locaties in Nederland en/of in Roemenië en/of Litouwen, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen:
(A)
(een) ander(en), te weten (mevrouw) [slachtoffer 1] en/of (mevrouw) [slachtoffer 2] , (telkens)
seksuele uitbuiting van die ander(en), te weten die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , (sub 1) en/of
(B)
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
(ten aanzien van [slachtoffer 1] )
[slachtoffer 1] had (gehad), en/of
- door die [slachtoffer 1] met prostitutie verdiende gelden in ontvangst genomen en/of afgepakt en/of ingenomen en/of door die [slachtoffer 1] (aan hem en/of zijn mededaders) laten afstaan, en/of
(ten aanzien van [slachtoffer 2] )
(zulks) terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] :
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] geen weerstand aan verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben kunnen bieden;
2
hij (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 17 december 2022 tot en met 17 juli 2023 te Groningen en/of op een of meerdere (andere) locaties in Nederland en/of in Roemenië, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen, (van) een of meerdere voorwerpen, te weten
(a)
Bijlage 2
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ING rekening [naam] d.d. 25 juli 2023, opgenomen op pagina 1960 e.v. van het dossier van eenheid Politie Noord-Nederland, team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel met nummer NNRCC23009 BJARNA (onderzoek Bjarna) d.d. 21 maart 2024, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
In de onder [slachtoffer 2] in beslag genomen mobiele telefoon fotos zijn aangetroffen waarop transacties te zien zijn waarbij Nederlandse mannen geld overmaken naar een ING bankrekening op naam van
[naam] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen moneygram [bedrijf] d.d. 18 oktober 2023, opgenomen op pagina 2085 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Vanaf 25 februari 2023 tot 2 juni 2023 is een totaal bedrag van 18.086,42 euro afgeschreven ten behoeve van [bedrijf] van de ING bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] .
Op 17 oktober 2023 ontving ik van Moneygram de hieronder genoemde gegevens: Van de in totaal 38 betalingen zijn 31 betalingen door Moneygram geïdentificeerd.
Hieruit valt op te maken dat in ieder geval [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [slachtoffer 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] de beschikking hebben gehad over de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [naam] . Alle hierboven genoemde transacties zijn door een begunstigde opgenomen in Roemenië.
[verdachte] heeft in de periode van 20 april 2023 tot en met 30 mei 2023 vanaf de ING-bankrekening [naam] giraal een bedrag van 2.500,- euro in totaal verzonden via moneygram. Dit vond plaats op 20 en 27 april 2023 alsmede 30 mei 2023 met als begunstigden [naam] , [naam] en [naam] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen money transfers met bijlagen d.d. 10 januari 2024, opgenomen op pagina 2065 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 4 juli 2023 heb ik namens de Officier van Justitie een vordering 126nd Wetboek van
Strafvordering doen toekomen aan de Nederlandse Bank ten einde de money transfers te verkrijgen die door [verdachte] zijn gedaan in Nederland.
Moneygram
Vanaf 17 december 2022 tot en met 17 februari 2023 heeft [medeverdachte 2] een totaalbedrag van
13.131.50 euro cash verzonden via Moneygram aan [verdachte] . In de transacties staat een totaalbedrag van 3.000,00 euro op de status “not executed". Dit zou kunnen betekenen dat dit bedrag niet is opgehaald door de ontvanger. Daarom ga ik er van uit dat een bedrag van 10.131,50 euro is ontvangen door [verdachte] .
Vanaf 18 maart 2023 tot en met 30 mei 2023 heeft [verdachte] een totaalbedrag van 13.000,00 euro verzonden via Moneygram aan verschillende personen in Roemenië te weten:
[naam] , [naam] , [naam] , [naam] .
Een(1) transactie van 500,00 euro heeft de status “not executed” Dit zou kunnen betekenen dat dit bedrag niet is opgehaald door de ontvanger.
Daarom ga ik er van uit dat een bedrag van 12.500,00 euro is verzonden door [verdachte] . In totaal heeft [verdachte] dus een bedrag van 10.631,50 euro ontvangen en 13.800,00 euro verzonden via Moneygram.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen witwasdossier verdachte [verdachte] d.d. 29 februari 2024, opgenomen op pagina 2192 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Moneygram
Vanaf 18 maart 2023 tot en met 30 mei 2023 heeft [verdachte] een totaalbedrag van 13.800,00 euro verzonden via Moneygram. Van dit bedrag heeft hij 2.500,00 euro giraal betaald via de ING-bankrekening van [naam] en 11.300,00 euro contant.
Betaald aan Moneygram via ING [naam] 2.500 euro Betaald aan Moneygram contant 11.300 euro
Kosten betaald aan Moneygram 550 euro (3,99%x13.800) Witwassen via [medeverdachte 2] 10.131,50 euro
Totaal 24.481,50 euro