[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres van [adres] ,
thans verblijvende bij het [verblijfplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.H. van Bommel, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2025 tot en met 30 juni 2025 te Hoogeveen en/of Veenhuizen, althans in Nederland en/of in Duitsland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 4 mei 2025 tot en met 5 mei 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een autospiegel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ooit kom ik je tegen en steek dat mes in je strot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle drie de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft - gelet op de bekennende verklaring van verdachte - geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 2 mei 2025 tot en met 30 juni 2025 te Hoogeveen en Veenhuizen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
2.
hij op 4 mei 2025 te Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk een autospiegel, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield;
3.
hij op 4 mei 2025 te Hoogeveen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ooit kom ik je tegen en steek dat mes in je strot".
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat ondanks dat dit betekent dat verdachte terug moet naar de gevangenis, het strafdoel vergelding zwaarder weegt dan continuïteit van het hulpverleningstraject dat is opgestart. Tevens heeft de officier van justitie oplegging gevorderd van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr), inhoudend een contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod
voor haar woonplaats voor de duur van 5 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden zodat het reeds ingezette hulpverleningstraject ononderbroken kan worden voortgezet. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de voorwaarde opname in een zorginstelling dusdanig dient te worden geformuleerd dat de beslissing over de noodzaak en de duur van een dergelijke opname is voorbehouden aan de rechter en niet aan de reclassering. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om het locatieverbod te beperken tot één kilometer rondom de woning van het slachtoffer omdat een locatieverbod ten aanzien van Hoogeveen in zijn geheel een te grote inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid van verdachte aangezien hij in Hoogeveen woont. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de reclassering te stimuleren het locatieverbod zo spoedig mogelijk in te perken. Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat de maatregel ex artikel 38v Sr niet nodig is naast het reeds als bijzondere voorwaarden door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking en bedreiging van zijn ex-partner en aan vernieling van de autospiegel van dezelfde ex-partner. Verdachte heeft gedurende een periode van twee maanden zijn ex-partner zeer intensief belaagd door haar veelvuldig Whatsapp-berichten en e-mails te sturen, te bellen, bij haar woning langs te gaan, zich op te houden bij haar werk en haar te achtervolgen. De inhoud van de berichten was zeer intimiderend, dwingend, beledigend en zelfs bedreigend en verdachte stuurde soms tientallen van dergelijke berichten per dag. Ook heeft verdachte onder verschillende pseudoniemen contact met zijn ex-partner gezocht en haar werkgever een e-mail gestuurd met verschillende leugens over zijn ex-partner. Voorts heeft verdachte, hoewel niet ten laste gelegd, meerdere malen verwezen naar familiedramas waarbij kinderen om het leven zijn gebracht. Ondanks een stopgesprek en betrokkenheid van Veilig Thuis en zelfs ondanks een schorsing van de voorlopige hechtenis met een contact- en locatieverbod dat gemonitord werd met een enkelband, is verdachte doorgegaan met het lastigvallen van zijn ex-partner.
Dit is een zeer ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft met zijn handelen een enorme inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van zijn ex-partner en enorme gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid bij haar veroorzaakt. Uit de door haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij zich niet meer veilig voelde in haar eigen huis en constant op haar hoede was. Ook beschrijft zij dat niet alleen de impact op haarzelf groot is, maar ook op hun gezamenlijke zoon. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij geen enkel moment heeft stilgestaan bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en hun zoon.
Verdachte zegt te hebben gehandeld uit wanhoop, omdat zijn ex-partner volgens verdachte dreigde hem zijn zoontje te ontnemen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit hevige emoties bij verdachte teweeg kan hebben gebracht, had verdachte daar anders mee om moeten gaan en doet dit niets af aan het strafbare gedrag van verdachte.
Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte veroordeeld wordt wegens stalking. In 2018 is verdachte ook veroordeeld wegens belaging van zijn ex-partner, bedreiging en vernieling. Deze veroordeling en de in dit kader ondergane behandeling bij de AFPN hebben niet kunnen voorkomen dat verdachte opnieuw is overgegaan tot het plegen van soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank vindt dit zeer kwalijk en zorgelijk.
Persoonlijke omstandigheden verdachte
Uit de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten blijkt dat bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Daarnaast is er een voorgeschiedenis van psychotrauma vanwege zijn adoptieverleden. Vanuit zijn psychosociaal functioneren is er een gebrek aan vaardigheden om om te gaan met onduidelijkheden, spanning en stress. Dit wordt door de reclassering als zeer risicovol gezien. Tevens worden risicos gezien in de procriminele houding van verdachte en in de signalen dat verdachte aangeefster nog niet los kan laten. Om nieuw delictgedrag te voorkomen en om een stabiel leven op te bouwen acht de reclassering het dan ook noodzakelijk dat verdachte vaardigheden aanleert gericht op (partner)relaties, omgaan met geweld, vasthouden van werk en het opbouwen van een steunend sociaal netwerk. De reclassering adviseert in haar rapport van 10 februari 2026 dan ook een ambulante behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde. Mocht ambulante behandeling niet uitvoerbaar en/of toereikend zijn, dan adviseert de reclassering de opname in een zorginstelling als bijzondere voorwaarde. Verder wordt ter bescherming van aangeefster een contact-en locatieverbod geadviseerd en een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een meldplicht bij de reclassering en dagbesteding. Deze voorwaarden zijn (grotendeels) al van kracht in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis en de reclassering adviseert dit kader te continueren. Zij acht een gevangenisstraf dan ook niet wenselijk aangezien dit zal zorgen voor het doorkruisen van het ingezette traject.
De reclassering adviseert tot slot de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
De straf
De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat het belang van continuïteit van het reeds ingezette hulpverleningstraject en de omgangsregeling die verdachte nu met zijn zoon heeft, zwaarder wegen dan het belang van detentie. De rechtbank zal dan ook een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Met betrekking tot het verzoek om het locatieverbod ten aanzien van Hoogeveen te beperken is de rechtbank van oordeel dat de bescherming van aangeefster en het voorkomen van recidive zwaarder wegen dan het belang van verdachte om terug te kunnen keren naar zijn huurwoning in Hoogeveen. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat de reclassering heeft geconstateerd dat één van de redenen waarom het huidige schorsingstoezicht goed verloopt is gelegen in de fysieke afstand tussen verdachte en aangeefster. De rechtbank zal het locatieverbod dan ook niet beperken.
De opmerkingen van de raadsvrouw met betrekking tot de formulering van een kortdurende klinische opname zijn terecht en de rechtbank zal die bijzondere voorwaarde dan ook conform de eisen van de Hoge Raad formuleren.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 307 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk passend en geboden. Tevens is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De reden hiervoor is dat verdachte eerder is veroordeeld voor stalking en in dat kader ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde opgelegd heeft gekregen en behandeling van verdachte van belang is om recidive te voorkomen. Gelet hierop zal de rechtbank de proeftijd niet op drie maar op vijf jaar bepalen en eveneens de voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr
De rechtbank zal verder, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, bestaande uit een contact- en locatieverbod, overeenkomstig het contact- en locatieverbod zoals opgenomen in de bijzondere voorwaarden. Dat een contact- en locatieverbod nodig is ter bescherming van aangeefster en ter voorkoming van recidive blijkt reeds uit het hiervoor overwogene. De reden om naast bijzondere voorwaarden tevens een contact- en locatieverbod in het kader van artikel 38v Sr op te leggen is hierin gelegen dat in het kader van artikel 38v Sr daadkrachtiger kan worden opgetreden in het geval van overtreding van het contact- of locatieverbod, bovendien zonder dat de uitvoering van de overige bijzondere voorwaarden in het gedrang komt. De maatregel wordt - net als de bijzondere voorwaarden - opgelegd voor de duur van vijf jaren en de rechtbank zal ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, gelet op de hiervoor genoemde risicos.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 290,59 ter vergoeding van materiële schade en 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot het materiële deel van de vordering de gevraagde verlofuren onvoldoende zijn onderbouwd en dat de vordering op dat punt niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van de gevraagde beveiligingskosten heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw betoogd dat deze dient te worden gematigd tot een bedrag van 750,-.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 290,59, bestaande uit kosten die de benadeelde heeft gemaakt in verband met beveiligingsmaatregelen en kosten in verband met verlofuren die de benadeelde van haar werk heeft moeten opnemen in verband met onderhavige zaak.
De kosten gemaakt in verband met beveiligingsmaatregelen zijn voldoende onderbouwd en het rechtstreekse gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde. Deze kostenpost zal dan ook worden toegewezen.
Hoewel er ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met opgenomen verlofuren weliswaar een werkgeversverklaring is overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Uit de werkgeversverklaring blijkt dat de benadeelde op meerdere momenten afwezig is geweest van haar werk in verband met afspraken met de politie, Veilig Thuis en Slachtofferhulp. Ook volgt uit deze verklaring dat de afwezigheid bij de werkgever bekend is en met de werkgever besproken is. Dat er daadwerkelijk verlofuren zijn opgenomen, volgt uit deze verklaring echter niet.
Daarom is niet gebleken dat de benadeelde daadwerkelijk verlofuren heeft opgenomen en in dat kader kosten heeft gemaakt. De vordering zal op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard.
Gelet op vorenstaande zal een bedrag van 179,93 aan materiële schade worden toegewezen.
Immateriële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,- aan immateriële schade ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Niet alleen brengt de aard en de ernst van de normschending mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen, benadeelde heeft ook onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. In de eerste periode heeft benadeelde veel last gehad van slapeloosheid, nachtmerries, uitputting, stress en een voortdurend gevoel van dreiging. Ook nu leeft zij dag in dag uit met angst, alertheid en gevoelens van onveiligheid.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, zoals is bepleit door de raadsvrouw. Redengevend hiervoor zijn de aard, de frequentie en de intensiteit van de belaging, de verschillende manieren van contact zoeken, de volhardendheid van verdachte in het blijven zoeken van contact ondanks een stopgesprek en betrokkenheid van Veilig Thuis, het contact- en gebiedsverbod met enkelband in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de bedragen die in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, die in de Nederlandse rechtspraak wordt gebruikt als richtlijn bij de vaststelling en begroting van immateriële schade.
De rechtbank zal de gevraagde vergoeding van 1.500,- dan ook toewijzen.
De toe te wijzen materiële en immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 juni 2025.
Daarnaast zal de rechtbank, nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan de datum van deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Beslag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon en computer op het standpunt gesteld dat deze verbeurd verklaard dienen te worden nu deze zijn gebruikt bij de bewezenverklaarde belaging en bedreiging.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de mobiele telefoon en de computer. Het verbeurdverklaren is niet proportioneel aangezien de feiten 1 en 3 ook met een andere, willekeurige mobiele telefoon of computer kunnen worden gepleegd, aldus de raadsvrouw.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de mobiele telefoon en de computer verbeurdverklaren nu verdachte beide heeft gebruikt om de onder 1 en 3 bewezenverklaarde berichten te versturen. Beide zijn dan ook gebruikt bij de uitvoering van de strafbare feiten en derhalve vatbaar voor verbeurdverklaring. Dat iedere mobiele telefoon en iedere computer hiervoor gebruikt had kunnen worden, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, maakt niet dat een verbeurdverklaring van de in onderhavige strafzaak gebruikte goederen niet proportioneel of passend zou zijn.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 307 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op vijf jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
veroordeelde zijn medewerking aan deze begeleiding. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met mevrouw [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1996 (zijnde het slachtoffer). Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig acht. Met elektronische monitoring via enkelband en
slachtofferdevice kan de reclassering het genoemde slachtoffer informeren als veroordeelde dichtbij komt. Er is een uitzondering op het contact over het gezamenlijke kind. Dit contact mag enkel plaatsvinden via een professionele derde partij;
6. dat veroordeelde zich niet in Hoogeveen of in het centrum van Assen bevindt. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft;
7. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het hebben van dagstructuur, het verkrijgen van perspectief en het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, strekkende tot beperking van de vrijheid.
Inhoudende dat veroordeelde voor de duur van vijf jaren:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.679,93 (zegge: duizendzeshonderdnegenenzeventig euro en drieënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 179,93 aan materiële schade en 1.500,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 16 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslag
Verklaart verbeurd:
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.B. Soppe, mr. F. Sieders en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.
Mr. F. Sieders en mr. Lamers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.