RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 266574778
zaaknummer: 11913221 BU VERZ 25-2109
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 30 januari 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Boete.nu.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R315B – ‘stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 24 mei 2024, om 19:54 uur, in de Kruizebroederstraat in Sneek. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 30 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. M. Kalsbeek aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is en stelt een dwangsom vast. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene stelt dat sprake was van parkeren binnen vijf meter van de bocht. Hiervoor bestaat een meer specifieke feitcode die gebruikt had moeten worden. Uit het opschrift bij de door de verbalisant aangeleverde foto blijkt dat de verbalisant zelf ook meende dat sprake is van parkeren. Verder voert betrokkene aan dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is. Betrokkene heeft een ingebrekestelling gestuurd die op 3 februari 2025 is ontvangen door de CVOM. Vervolgens is niet binnen veertien dagen beslist. Er wordt verzocht om een proceskostenvergoeding.
4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep inhoudelijk ongegrond is omdat de verbalisant heeft verklaard dat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van parkeren. Stilstaan is een breder begrip dan parkeren, dus is de juiste feitcode gebruikt. Over de dwangsom zegt de vertegenwoordigster in eerste instantie dat de ingebrekestelling prematuur was, omdat het verzoek om een termijn voor het indienen van nadere beroepsgronden de beslistermijn opschort. Na bestudering van het dossier stelt zij dat die termijn niet is verleend omdat geen brief is verstuurd, zodat de ingebrekestelling tijdig was en de officier van justitie dus een dwangsom heeft verbeurd.
Overwegingen
Over de boete
5. Betrokkene stelt dat de verkeerde feitcode is gebruikt, doordat voor de situatie een meer specifieke feitcode bestaat. Er zou sprake zijn geweest van parkeren binnen vijf meter van de bocht, waardoor de boete niet opgelegd had mogen worden voor stilstaan op het trottoir.
Uit de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht blijkt dat het voertuig van betrokkene stilstond op een trottoir. In het op ambtseed opgemaakte aanvullend proces-verbaal is verklaard dat het voertuig met twee wielen op het trottoir stilstond. Het voertuig stond binnen vijf meter van een kruispunt stil, maar er kon niet worden geconstateerd of het geparkeerd stond. Daarom is ervoor gekozen om te beboeten voor het stilstaan op het trottoir.
De kantonrechter oordeelt dat de juiste feitcode is gebruikt. De verbalisant heeft twee dingen geconstateerd: betrokkene stond te dicht bij een bocht stil – er is niet geconstateerd dat betrokkene geparkeerd stond – en hij stond stil met twee wielen op het trottoir. Uit de verklaringen blijkt voldoende dat is bedoeld te beboeten voor het stilstaan op het trottoir omdat beboeten voor parkeren binnen vijf meter van een bocht niet mogelijk was. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld.
6. De kantonrechter ziet geen reden voor matiging van de boete.
Over de dwangsom
7. De uiterste beroepsdatum was 19 juli 2024. De officier van justitie moest binnen zestien weken een beslissing nemen op het administratief beroep. Hij heeft deze termijn één keer met tien weken verlengd. Daarmee liep de beslistermijn, met inachtneming van de Algemene termijnenwet, tot 13 januari 2025.
In het administratief beroepschrift is verzocht om een termijn voor het indienen van nadere beroepsgronden. Was deze termijn verleend, dan had dit de beslistermijn opgeschort. Uit de stukken is echter niet gebleken dat de officier van justitie een termijn heeft verleend, dus is de oorspronkelijke uiterste beslisdatum van 13 januari 2025 blijven staan. Betrokkene heeft de officier van justitie op 31 januari 2025 gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Deze ingebrekestelling is op 3 februari 2025 ontvangen door de CVOM.
Uiteindelijk is pas op 19 april 2025 beslist, 95 dagen te laat. Omdat de officier van justitie te laat heeft beslist, is hij een dwangsom verschuldigd aan betrokkene. De maximale termijn voor een dwangsom is 42 dagen. De officier van justitie is daarom de maximale dwangsom van € 1.442,00 verschuldigd.
Over het verzoek om proceskostenvergoeding
8. Volgens eerdere uitspraken wordt er geen proceskostenvergoeding toegekend als het beroep alleen gegrond wordt verklaard omdat betrokkene een dwangsom krijgt. Daarom zal de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.