ECLI:NL:RBNNE:2026:800

ECLI:NL:RBNNE:2026:800

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer LEE 25/359 en LEE 25/851
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Twee inzageverzoeken op grond van de Wjsg. In beide zaken is voldoende gemotiveerd dat de door verweerder genoemde weigeringsgrond uit de Wjsg zich voordoet. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de zaak LEE 25/851 in het verweerschrift heeft aangegeven dat de melding inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling op ‘historisch’ is gezet en dat de gegevens alsnog verwijderd zullen worden na het verstrijken van de bewaartermijn. Verweerder heeft met het voorgaande deels erkend dat het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat deze beroepsgrond van eiser in zoverre slaagt en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Beroep voor het overige ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Centraal Justitieel Incassobureau, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/359 en LEE 25/851

en

(gemachtigden: mr. G. de Groot en L.A. Schiphorst).

1. Deze uitspraak gaat over twee inzageverzoeken van eiser op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Verweerder heeft deze verzoeken toegewezen, inzage verleend in de gegevens en daarbij bepaalde gegevens in de verstrekte documenten gelakt onder verwijzing naar een weigeringsgrond in de Wjsg. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de bestreden besluiten op goede gronden heeft genomen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep in de zaak LEE 25/851 gegrond is omdat verweerder in het verweerschrift alsnog gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen door inzage te verlenen in een deel van de eerder gelakte gegevens. Het beroep in de zaak LEE 25/359 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

LEE 25/359

2. Eiser heeft op 22 mei 2024 op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg verzocht om inzage in alle stukken die zien op de executie in de zaken met parketnummers [parketnummers] . Specifiek heeft hij verzocht om alle (interne) communicatie als e-mails, stukken, notulen en (voornemens tot) besluiten.

Met het primaire besluit van 30 augustus 2024 heeft verweerder het verzoek toegewezen.

Met het bestreden besluit van 4 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

LEE 25/851

3. Eiser heeft op 9 september 2024 op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg verzocht om inzage in over hem verwerkte gegevens gedurende de periode 1 januari 2014 tot en met 9 september 2024. Specifiek verzoekt hij om ‘AICE, boetes, ontnemingen, contacten met het OM/DJI, contacten Justid/Reclassering en alle overige verwerkingen’.

Met het primaire besluit van 9 oktober 2024 heeft verweerder het verzoek toegewezen.

Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

5. Hangende deze beroepsprocedure heeft verweerder stukken overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft de rechtbank in de zaak LEE 25/359 onverschuldigd toestemming verleend om kennis te nemen van deze stukken, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Het is vaste jurisprudentie dat in zaken zoals de onderhavige een met artikel 8:29, zesde lid, van de Awb overeenkomstige handelswijze geldt, zodat automatisch een procedure van beperkte kennisneming door de bestuursrechter geldt.

De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

De voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser stelt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling volledig is uitgezeten op 19 april 2024 en dat die zaak daarom niet meer op ‘actief’ mag staan. Verder stelt hij dat verweerder geen inzage heeft gegeven in alle stukken. Daarnaast heeft verweerder het lakken van gegevens onvoldoende gemotiveerd.

7. Verweerder stelt dat inzage is verleend in alle gegevens die bekend zijn in de systemen. Eiser heeft niet aangevoerd welke stukken er concreet zouden ontbreken. Verweerder stelt dat het idee en de geest van de wet is om te kunnen controleren of de gegevens juist verwerkt worden. Die gelegenheid heeft eiser gehad. Bepaalde gegevens zijn gelakt met verwijzing naar de weigeringsgrond in artikel 21, tweede lid, onder b, van de Wjsg. Uit de gelakte gegevens valt namelijk af te leiden welke stappen verweerder zet tijdens een tenuitvoerleggingsprocedure en komt er naar voren met welke partijen verweerder in bepaalde situaties contact opneemt en wat de werkwijze is. Het is daarom niet wenselijk om inzage te geven in die gegevens.

8. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg de betrokkene, onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens, het recht heeft om op diens schriftelijke verzoek uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien.

In artikel 21, tweede lid, van de Wjsg zijn gronden opgenomen aan de hand waarvan een dergelijk verzoek wordt afgewezen. Uit de bestreden besluiten volgt dat verweerder bij het verlenen van inzage bepaalde gegevens heeft gelakt als een noodzakelijke en evenredige maatregel ter vermijding van nadelige gevolgen voor de tenuitvoerlegging van eisers straf en die van anderen (weigeringsgrond b).

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de stukken en concludeert op basis van die kennisname dat in beide zaken voldoende is gemotiveerd dat de door verweerder genoemde weigeringsgrond uit de Wjsg zich voordoet. Gelet daarop heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij bepaalde gegevens heeft gelakt, namelijk op de grond dat dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in de zaak LEE 25/851 in het verweerschrift heeft aangegeven dat de melding inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling op ‘historisch’ is gezet en dat de gegevens alsnog verwijderd zullen worden na het verstrijken van de bewaartermijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande deels heeft erkend dat het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat deze beroepsgrond van eiser in zoverre slaagt en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank, zoals is overwogen onder 8.2, heeft verweerder immers terecht gesteld dat ten aanzien van een deel van de gegevens de weigeringsgrond van artikel 21, tweede lid, onder b, van de Wjsg zich voordoet. Voor zover door verweerder op een enkel punt een onjuiste formulering is gekozen (intern beraad), passeert de rechtbank dat gebrek omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor wordt benadeeld.

De rechtbank acht verder geen concrete aanknopingspunten aanwezig om te twijfelen aan de volledigheid van het door verweerder gedane onderzoek en aan de volledigheid van de gegevens die verweerder onder toepassing van artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank heeft verstrekt. Eiser heeft daartoe in zijn gronden ook onvoldoende onderbouwing gegeven. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam treft geen doel nu deze ziet op een andere situatie, maar bovendien niet in geschil is dat artikel 51b van de Wjsg ziet op het recht op inzake van tenuitvoerleggingsgegevens, inclusief het verkrijgen van bijbehorende informatie zoals bedoeld in artikel 18 van de Wjsg. De niet gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Arnhem is door eiser niet overgelegd; reeds om die reden slaagt ook de verwijzing daarnaar niet.8.5. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is door eiser ter zitting ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep in de zaak LEE 25/851 is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Verweerder moet in die zaak het griffierecht van eiser vergoeden. Het beroep in de zaak LEE 25/359 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. 9.1. De beide zaken zijn op zitting behandeld aansluitend aan de behandeling van -onder andere- de zaak met nummer LEE 24/2502. In die zaak is aan eiser reeds een vergoeding toegekend van de door hem gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Daarmee zijn er thans geen kosten meer die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

in zaak LEE 25/851

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 13 februari 2025;- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

in zaak LEE 25/359

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)

Artikel 18 De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van Onze Minister binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende justitiële gegevens en, wanneer dat het geval is, om een overzicht van die justitiële gegevens te verkrijgen en om de volgende informatie te verkrijgen: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;b. de betrokken categorie van de gegevens;c. de vraag of de deze persoon betreffende justitiële gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;e. het recht te verzoeken om verbetering, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens;f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;g. alle beschikbare informatie over de oorsprong van de verwerking van hem betreffende justitiële gegevens.

Artikel 21

[…]

2. Een verzoek als bedoeld in artikel 18 of artikel 22, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is:

b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek;[…]

Artikel 51b[…]2. Onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Onze Minister doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende tenuitvoerleggingsgegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?