[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Bou-Asrar),
en
Ministerie van Financiën, verweerder
(gemachtigde: S.D. Lerrick).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder om de schuld van eiser bij de Belastingdienst niet over te nemen.
Met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft op 17 mei 2024 (ontvangen op 21 mei 2024) bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2023. Dat is ongeveer negen maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn. Verweerder heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is het bezwaarschrift buiten de termijn ingediend en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Verweerder krijgt gelijk. De redenen voor de te late indiening zijn volgens eiser dat hij slachtoffer is van de toeslagenaffaire en dat hij destijds geen advocaat had. Dit is onvoldoende om verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de bezwaartermijn fors is overschreden. Ook vindt de rechtbank van belang dat in het besluit van 21 juni 2023 staat dat eiser bezwaar kan maken en hoe hij dat moet doen. Eiser heeft geen specifieke of uitzonderlijke omstandigheden genoemd die maken dat hij in de zes weken na 21 juni 2023 – of daarna – niet in staat was bezwaar te maken of juridisch advies te vragen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.