[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. E. Snuverink en H. Celik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kosten van het betekenen van een dwangbevel die verweerder aan eiser in rekening heeft gebracht naar aanleiding van de definitieve berekening huurtoeslag over het jaar 2023 en de daarop gebaseerde terugvordering.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht kosten van betekening van een dwangbevel in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft op 27 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit (dwangbevel) van verweerder van 20 februari 2025 omdat daar in staat dat hij € 198,- moet betalen voor de kosten van de betekening van dat dwangbevel.
Eiser heeft de hoogte van de dwangbevelkosten niet betwist, maar vindt het niet redelijk dat hij die kosten moet betalen. Het dwangbevel is betekend vanwege een openstaande schuld bij verweerder in verband met te veel ontvangen huurtoeslag over het jaar 2023. Eiser dacht dat hij daarover een betalingsregeling had getroffen, maar dat bleek een misverstand.
Uit de Kostenwet invordering rijksbelastingen (de Kostenwet) en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) volgt dat verweerder in dit geval aan eiser een dwangbevel kon betekenen en dat hij daarvoor € 198,- in rekening brengt. Eiser was namelijk in gebreke met het betalen van de terugvordering en had daarvoor al twee herinneringen en een aanmaning ontvangen.
Dat eiser ten onrechte meende dat hij een betalingsregeling had voor de terugvordering van de huurtoeslag over 2023, maakt niet dat het in rekening brengen van de kosten van het dwangbevel onredelijk of onrechtmatig is. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder eiser drie keer heeft herinnerd aan de openstaande schuld (herinneringen van 10 oktober 2024 en 18 december 2024 en een aanmaning van 24 januari 2025). Eiser heeft daarop niet gereageerd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij niet van lezen houdt en daarom de brieven van verweerder niet of niet goed leest. Dat komt voor zijn risico. Als eiser de herinneringen en de aanmaning had gelezen en contact had opgenomen met verweerder, dan had eiser met verweerder een betalingsregeling kunnen afspreken (zoals dat is gebeurd ná het dwangbevel). Het betekenen van een dwangbevel was dan niet nodig geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.