RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Assen
parketnummer 18/216674-25
Vonnis van de economische politierechter d.d. 16 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. D.G. Hassink, advocaat te Zwolle, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer radioapparaten, te weten (onder meer) een (mobiele) zendmast en/of een antennesysteem en/of een zogeheten topbuis en/of een of meerdere zendversterker en/of een of meerdere zender(s) en/of een of meerdere vermogenversterker(s) en/of een of meerdere ontvanger(s) heeft aangelegd, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder(s) van die radioapparaten geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er op 24 oktober 2024 radioapparaten zijn aangetroffen op het adres [adres 2] . De apparatuur was in gereedheid gebracht om uit te zenden. Daarnaast was veel reserveapparatuur aanwezig. Op een locatie 800 meter verderop - het perceel [adres 3] - is een zendmast (met toebehoren) aangetroffen; dit betreft een zogeheten onbemande constructie.
De radioapparaten op beide percelen waren met elkaar verbonden. Verdachte heeft zich op enig moment bij de politie gemeld als eigenaar van de op het perceel [adres 3] aangetroffen radioapparaten en overige goederen. Daarmee is er in de zaak tegen verdachte voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig gehad hebben van radioapparaten zonder vergunning. De officier van justitie heeft in dit verband, voor de context van de gebeurtenissen op 24 oktober 2024, nog verwezen naar het mutatierapport, opgemaakt op 26 oktober 2024 door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte was op 24 oktober 2024 niet in Nederland, maar in Denemarken, van welk verblijf namens verdachte ter terechtzitting stukken zijn overgelegd ter onderbouwing. Dat verdachte zich op enig moment heeft gemeld bij de politie en daar heeft aangegeven eigenaar te zijn van de op het perceel [adres 3] aangetroffen en inbeslaggenomen radioapparaten en overige goederen, betekent niet dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig gehad hebben van radioapparaten. Uit het dossier blijkt niet van enige wetenschap van verdachte omtrent wat er op 24 oktober 2024 met zijn radioapparaten (door anderen) is gedaan.
Vooraf
De economische politierechter merkt vooraf het volgende op.
Bij de zich aan de economische politierechter ter beschikking staande digitale stukken in de zaak van verdachte [verdachte] , bevindt zich (als eerste) een proces-verbaal d.d. 5 november 2024, RVB-nummer 20241024-350-PV, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden inspecteur bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (hierna: RDI). Op pagina 1 van dat proces-verbaal staat, linksboven, het parketnummer 18/216666-25 vermeld. Dat is niet het parketnummer van de zaak tegen verdachte
[verdachte] . Het parketnummer van verdachte [verdachte] (18/216674-25) staat niet op dat proces-verbaal vermeld.
Desgevraagd heeft de officier van justitie aan het begin van de terechtzitting aangegeven dat het parketnummer 18/216666-25 het parketnummer is van de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , de eigenaar van het perceel [adres 3] . Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] zitten in een- en hetzelfde procesdossier. Het procesdossier bevat in totaal 41 paginas. Gevraagd naar de stand van zaken in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , heeft de officier van justitie aangegeven dat de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] is geseponeerd.
Oordeel van de economische politierechter
Anders dan de officier van justitie acht de economische politierechter op grond van de voorhanden stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft begaan.
De economische politierechter overweegt daartoe als volgt.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte [verdachte] zich op enig moment - op welk moment precies blijkt niet uit te stukken en is ook ter terechtzitting niet kunnen blijken - heeft gemeld bij de politie, met de mededeling dat hij ( [verdachte] ) eigenaar is van de radioapparaten en overige goederen die op 24 oktober 2024 zijn aangetroffen op het perceel [adres 3] . Dit is het (woon)adres van [medeverdachte] . Dat het perceel [adres 3] (op 24 oktober 2024) (mede) in eigendom zou toebehoren aan verdachte [verdachte] - hetgeen zou (kunnen) volgen uit het vermelde op pagina 21 (onderaan) van het procesdossier, onder “Perceelaanduiding” -, berust naar het oordeel van de economische politierechter op een tekstuele onduidelijkheid. Daar staat:
“Perceelaanduiding
Na bevraging bij de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in Nederland bleek mij, [verbalisant] , dat het onderhavige perceel kadastraal bekend is onder [perceelaanduiding] en (mede) in eigendom toebehoort aan betrokkene voornoemd.”
De economische politierechter heeft ter terechtzitting, met de officier van justitie en de raadsman, vastgesteld dat de terugwijzing naar betrokkene voornoemd kan slaan op betrokkene 1
( [medeverdachte] ) dan wel op betrokkene 2 ( [verdachte] ). Gelet op de voorhanden stukken in het dossier, acht de economische politierechter niet aannemelijk dat verdachte [verdachte] (op 24 oktober 2024) (mede) eigenaar was van het perceel [adres 3] .
Ten slotte bevindt zich in het procesdossier (vanaf pagina 24) een proces-verbaal van verhoor, op 7 maart 2025, van verdachte [verdachte] . In dat verhoor verklaart verdachte [verdachte] dat hij woont op het adres [adres 1] ; dat hij op 24 oktober 2024
- de dag van de inbeslagname van de radioapparaten en overige goederen -, op zijn werk in Denemarken was; dat hij op 8 november 2024 terug was; dat alle goederen die op 24 oktober 2024 op het adres [adres 3] in beslag zijn genomen, van hem zijn; dat hij geen aankoopbewijzen van die goederen heeft; en dat hij op zijn woord moet worden geloofd.
Gelet op al het voorgaande is de economische politierechter van oordeel dat het procesdossier waarover zij beschikt, onvoldoende bewijs bevat waaruit kan blijken dat verdachte [verdachte] het aan hem ten laste gelegde heeft begaan. De enkele verklaring van verdachte dat de op 24 oktober 2024 op het perceel [adres 3] in beslag genomen goederen, zijn eigendom zijn, is daarvoor onvoldoende.
Dit alles leidt ertoe dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Inbeslaggenomen goederen
De volgende goederen zijn op 24 oktober 2024 in beslag genomen, op het perceel [adres 3] : 1x Radioapparaat power amplifier
1x Diesel tank 1000 Liter (Gevuld 800 liter) 1x Link Receiver
1x diverse aansluit-, verbinding- en coaxmaterialen en kabels 1x aluminium mastdeel 20 meter
8x FM-dipoolantenne 1x Antenne Analyzer
1x Mobiele mast 60 meter
1x 80 Meter Coax kabel ter plaatse vernietigd 1x Aggregaat.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het beslag is gelegd onder [medeverdachte] , dit beslag ook onder [medeverdachte] dient te worden afgedaan. De officier van justitie zal daartoe een afzonderlijke onttrekkingsvordering indienen zoals bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte [verdachte] kan zich in die procedure stellen als belanghebbende, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de goederen weliswaar onder [medeverdachte] in beslag zijn genomen, maar dat deze aan verdachte [verdachte] toebehoren. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij niet de eigenaar is van de goederen. Er bevindt zich een beslaglijst in het procesdossier van verdachte [verdachte] . De raadsman is daarom van mening dat het beslag kan worden aangemerkt als gelegd onder verdachte [verdachte] . Verdachte moet op zijn minst als belanghebbende worden aangemerkt.
Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat er ook goederen in beslag zijn genomen die niets met radioapparatuur te maken hebben. Bedoelde goederen vertegenwoordigen een aanzienlijke waarde. Het betreft de mobiele mast (kraanwagen; omschrijving: 60 meter), de tank (omschrijving: 1000 liter (gevuld 800 liter)) en de aggregaat. Deze goederen moeten worden teruggegeven aan verdachte. Wat de overige goederen betreft, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de economische politierechter.
Oordeel van de economische politierechter
De economische politierechter zal in dit vonnis niet overgaan tot het nemen van een beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.
Daarbij heeft de economische politierechter laten wegen dat uit de kennisgeving van inbeslagname op 24 oktober 2024, welke kennisgeving ziet op de radioapparatuur en de daarmee samenhangende goederen op het perceel [adres 3] , blijkt dat die radioapparatuur en de samenhangende goederen onder [medeverdachte] in beslag zijn genomen. Nu het beslag niet is gelegd onder verdachte [verdachte] , kan in deze strafzaak geen beslissing omtrent het beslag worden gegeven. Dat verdachte eigenaar zou zijn van (een deel van) de inbeslaggenomen goederen, maakt dat niet anders.
Daarbij heeft de economische politierechter betrokken dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangekondigd een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer te zullen indienen, zoals bedoeld in artikel 36b lid 1 onder 4 Sr, in welke procedure verdachte [verdachte] zich kan stellen als belanghebbende.
Uitspraak
De economische politierechter
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, economische politierechter, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze economische politierechter op 16 maart 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.