ECLI:NL:RBNNE:2026:814

ECLI:NL:RBNNE:2026:814

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 11975727 \ VV EXPL 27-75
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Loonvordering, voldoende aannemelijk dat werknemer meer uren heeft gewerkt dan op de urenlijsten staan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer: 11975727 \ VV EXPL 25-75

Vonnis in kort geding van 18 maart 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te Driezum,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. G. Berghuis,

tegen

[gedaagde] ,

te Leeuwarden,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. M.H.J. Miltenburg.

De zaak in het kort

[eiseres] is sinds 2013 in dienst bij [gedaagde]. Zij ontving een vast maandsalaris voor 100 gewerkte uren per maand. Sinds juli 2025 heeft [gedaagde] het salaris niet meer op tijd betaald. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] te weinig uren gewerkt en daarom heeft zij minuren verrekend met het salaris. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van het achterstallige salaris. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] toewijzen en legt dit oordeel hieronder uit.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de producties van [gedaagde]- de aanvullende producties van [eiseres]- de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [gedaagde].

2. De feiten

[eiseres] is op 1 november 2013 in dienst getreden bij [gedaagde] als bedrijfsleidster/filiaalmanager. Zij werkte in het filiaal in Dokkum.

[gedaagde] is een familiebedrijf. De moeder van [eiseres] en haar twee broers zijn de (middellijk) aandeelhouders van [gedaagde]. De vader van [eiseres] is ook in het bedrijf werkzaam en hij was de leidinggevende van [eiseres].

[eiseres] ontving tot en met juni 2025 een vast maandsalaris van € 1.600,00 bruto op basis van 100 gewerkte uren per maand. Vanaf juli 2025 heeft [gedaagde] het maandelijkse salaris niet meer betaald.

Na diverse sommaties door [eiseres] heeft [gedaagde] in november 2025 tweemaal een voorschot van € 1.500,00 netto uitbetaald voor het salaris over de maanden juli en augustus 2025.

Op 26 januari 2026 heeft [eiseres] een betaling van € 782,75 netto ontvangen van [gedaagde].

[gedaagde] heeft haar bedrijfsactiviteiten per 23 februari 2026 overgedragen aan Naura Groep. [eiseres] is hier per brief van 26 februari 2026 over geïnformeerd.

3. Het geschil

[eiseres] vordert - samengevat - dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van het achterstallige loon over de maanden juli 2025 tot en met januari 2026,

II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke verhoging van 50% over het loon over de maanden juli 2025 tot en met januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaltermijn tot de dag van volledige betaling,

III. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen de betaling van het loon vanaf februari 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, op verbeurte van een dwangsom van €500,00 per dag(deel) dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,

IV. [gedaagde] veroordeelt tot verstrekking aan [eiseres] van deugdelijke specificaties van de onder I en II genoemde bedragen,

V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[eiseres] heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen. Het gaat namelijk om een loonvordering en dus om de mogelijkheid om in haar levensbehoeften te voorzien. Dat [eiseres] enige tijd heeft gewacht met het aanhangig maken van deze procedure en dat zij mogelijk ook inkomen heeft uit vastgoed, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Feit blijft namelijk dat [eiseres] een deel van haar inkomen mist.

Voldoende aannemelijk dat [eiseres] 100 uren per maand werkte

[eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij recht heeft op doorbetaling van haar salaris. Zij heeft haar werkzaamheden verricht tot 2 januari 2026, toen zij wegens ziekte is uitgevallen. Vanaf 2 januari 2026 heeft zij recht op loondoorbetaling tijdens ziekte, aldus [eiseres].

[gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] recht heeft op uitbetaling van haar volledige salaris. Het salaris dat zij maandelijks ontving, was namelijk gebaseerd op 100 gewerkte uren per maand. Uit de door [eiseres] ingevulde urenlijsten volgt echter dat zij maar ongeveer 20 uren per week werkte. De opgegeven uren kloppen bovendien niet, omdat [eiseres] geen pauzes registreerde. Verder was zij vaak niet aanwezig op de werkvloer in de winkel, ook niet op de momenten dat zij wel was ingeroosterd. [eiseres] heeft dus te weinig uren gewerkt en [gedaagde] heeft die minuren verrekend met het te betalen salaris vanaf juli 2025. [gedaagde] heeft tot slot aangevoerd dat zij haar bedrijfsactiviteiten per 23 februari 2026 heeft overgedragen aan Naura Groep. Daardoor is [eiseres] per die datum van rechtswege in dienst gekomen van Naura Groep en is het dienstverband met [gedaagde] geëindigd. [eiseres] heeft daarom met ingang van 23 februari 2026 geen aanspraak meer op loon van [gedaagde], aldus [gedaagde].

De kantonrechter stelt voorop dat een werkgever verplicht is het overeengekomen loon tijdig te voldoen. Ook als de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, moet de werkgever het overeengekomen loon betalen, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.

In dit geval staat tussen partijen vast dat [eiseres] 100 uren per maand moest werken. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres] minder uren heeft gewerkt, maar naar het oordeel van de kantonrechter is dat voorshands onvoldoende vast komen te staan. [eiseres] heeft namelijk toegelicht dat de vaste medewerkers, waaronder zij, jarenlang niet hoefden bij te houden welke uren zij hadden gewerkt. Zij kreeg pas rond week 14 van 2025 de instructie om haar uren bij te gaan houden. Haar leidinggevende (haar vader) heeft volgens [eiseres] tegen haar gezegd dat zij gewoon wat kon invullen, want ‘dan stond er wat’. [eiseres] heeft daarom niet nauwkeurig al haar uren bijgehouden. Dat kon ook bijna niet, want haar werkuren waren erg onvoorspelbaar. [eiseres] was altijd bereikbaar en werd vaak gebeld met een vraag. Dan ging zij daar direct mee aan de slag. Zij had veel taken die zij niet vanuit de winkel kon verrichten, zoals het bijhouden van de social media, de inkoop, de uitverkoop en afprijzingen. Zij werkte niet alleen voor het filiaal in Dokkum, maar ook voor de andere filialen. In het filiaal in Dokkum was geen werkplek met computer beschikbaar, en daarom werkte zij vanuit huis. Haar leidinggevende wist hiervan en vond dit goed. Ondanks dat dit niet uit de urenlijsten volgt, heeft [eiseres] altijd wel degelijk (minimaal) 100 uren per maand gewerkt, aldus [eiseres].

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de uren die zij daadwerkelijk heeft gewerkt, afwijken van wat op de urenlijsten staat. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Zo heeft [gedaagde] niet betwist dat haar leidinggevende tegen [eiseres] heeft gezegd dat zij de urenlijsten niet zo precies hoefde in te vullen. Ook is niet betwist dat [eiseres] bepaalde werkzaamheden niet in het filiaal kon verrichten vanwege het ontbreken van een werkplek met computer en dat [eiseres] toestemming van haar leidinggevende had om thuis te werken. Dat [eiseres] volgens [gedaagde] niet 100 uren per maand in het filiaal aanwezig was, betekent dan ook niet dat zij die uren niet (thuis) heeft gewerkt. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de kantonrechter voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] (minimaal) 100 uren per maand heeft gewerkt.

[gedaagde] moet het salaris inclusief cao-verhogingen tot 23 februari 2026 betalen

Het voorgaande betekent dat niet vast is komen te staan dat [eiseres] te weinig uren heeft gewerkt. [gedaagde] had daarom geen minuren mogen verrekenen met het salaris vanaf juli 2025. [gedaagde] had het overeengekomen salaris moeten doorbetalen.

Volgens [eiseres] bedroeg het salaris tot en met juni 2025 € 1.600,00 bruto per maand, vanaf 1 juli 2025 € 1.639,00 bruto per maand en vanaf 1 januari 2026 € 1.674,00 bruto per maand. Zij volgt hiermee, op grond van de cao, de percentuele verhogingen van het wettelijk minimumloon. [gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] recht heeft op een loonsverhoging per 1 januari 2026. De leidinggevende van [eiseres] heeft namelijk besloten dat er per 1 januari 2026 geen loonsverhoging zou plaatsvinden, aldus [gedaagde].

De kantonrechter overweegt hierover als volgt. [eiseres] heeft gesteld dat de cao Retail Non-Food (hierna: de cao) van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft dit niet betwist, zodat de kantonrechter aanneemt dat de cao inderdaad van toepassing is. In de cao is bepaald dat het salaris van de medewerkers die niet meer verdienen dan het oude maximum van hun schaal op 1 juli 2025 en 1 januari 2026 wordt verhoogd met het indexatiepercentage waarmee het wettelijk minimumloon per die data wordt verhoogd. Geen van partijen heeft gesteld dat het salaris van [eiseres] hoger is dan het maximum van haar schaal, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat deze regeling van toepassing is op [eiseres]. In de cao is verder bepaald dat alleen van de cao mag worden afgeweken ten gunste van de werknemer. Dat betekent dat, ook als vast zou staan dat de leidinggevende van [eiseres] heeft besloten om geen loonsverhoging toe te kennen per 1 januari 2026, dit in strijd met de cao en dus niet rechtsgeldig is. [eiseres] heeft dus recht op de door haar genoemde maandbedragen. Daar dienen echter de door [gedaagde] betaalde bedragen van tweemaal € 1.500,00 en eenmaal € 782,75 netto (in totaal € 3.782,75 netto) vanaf te worden getrokken.

Gelet op de overdracht van de bedrijfsactiviteiten door [gedaagde] aan Naura Groep per 23 februari 2026 is [gedaagde] tot die datum het salaris aan [eiseres] verschuldigd. Vanaf 23 februari 2026 is Naura Groep verantwoordelijk voor de salarisbetaling.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de loonvordering van [eiseres] wordt toegewezen tot 23 februari 2026.

[gedaagde] moet de wettelijke verhoging en de wettelijke rente betalen

[eiseres] heeft verder de wettelijke verhoging gevorderd over het te laat betaalde salaris. [gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht de wettelijke verhoging (aanzienlijk) te matigen. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter de volledige wettelijke verhoging van maximaal 50% toewijsbaar. [gedaagde] heeft namelijk ten onrechte het salaris te laat betaald. Deze te late betaling berust niet op een misverstand tussen partijen, maar op een onjuist ingenomen standpunt door [gedaagde]. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding voor matiging. De kantonrechter merkt hierbij op dat ten tijde van dit vonnis de wettelijke verhoging over het salaris van de maand februari 2026 nog niet is opgelopen tot 50%. Afhankelijk van het tijdstip van betaling is [gedaagde] het dan geldende percentage verschuldigd.

Omdat [gedaagde] te laat is met de salarisbetaling, zal ook de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.

[eiseres] heeft voor de salarisbetalingen vanaf februari 2026 gevorderd dat [gedaagde] een dwangsom van € 500,00 verbeurt per dag dat zij het salaris te laat betaalt. Deze vordering kan niet worden toegewezen, omdat het niet mogelijk is om een dwangsom op te leggen in het geval van een veroordeling tot betaling tot betaling van een geldsom. Nu [eiseres] sinds 23 februari 2026 niet meer in dienst is bij [gedaagde], heeft zij geen belang meer bij haar vordering dat [eiseres] de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in de toekomst moet nakomen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

De vordering van [eiseres] tot veroordeling van [gedaagde] tot het verstrekken van salarisspecificaties zal worden toegewezen, omdat [eiseres] hier recht op heeft.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

155,67

- griffierecht

265,00

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.429,67

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het achterstallige salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 23 februari 2026, te verminderen met een bedrag van € 3.782,75 netto,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke verhoging van maximaal 50% over het salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 23 februari 2026,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 23 februari 2026, vanaf de vervaltermijn van elk maandsalaris tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] tot verstrekking aan [eiseres] van deugdelijke specificaties van de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde bedragen,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.429,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

57910

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?