RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.303243.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2022 tot en met 15 september 2022 te Assen, althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, immers was hij, verdachte, werkzaam bij [werkgever] , althans [afdeling] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , zijnde een medewerker met een arbeidsbeperking, die zich als cliënt aan zijn, verdachtes, hulp en/of zorg had toevertrouwd, door
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet werkzaam was in de maatschappelijke zorg en het ten laste gelegde feit daarom niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [werkgever] vanuit de Wet sociale werkvoorziening is opgezet om cliënten te ondersteunen bij hun zelfredzaamheid. Op basis van voornoemde wet werkte ook verdachte - gelet op zijn verleden - als voorman binnen [werkgever] . Verdachte was niet de leidinggevende van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en de verhouding tussen verdachte en [slachtoffer] was in die zin niet anders dan de arts die een relatie aangaat met de verpleegster. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier niet is gebleken dat [slachtoffer] als gevolg van haar licht verstandelijke beperking haar wil niet duidelijk kenbaar heeft kunnen maken. Daarnaast is [slachtoffer] goed in staat mee te doen in de maatschappij. De raadsvrouw concludeert dat de door verdachte verrichte handelingen derhalve met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden en niet ontuchtig zijn geweest.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [slachtoffer] wisselend heeft verklaard en haar verklaringen lijken te zijn ingegeven door gevoelens van versmading. Derhalve moet er naar de mening van de raadsvrouw geen waarde worden gehecht aan de door [slachtoffer] aan verdachte verstuurde berichten, zodat de aangifte ook onvoldoende wordt ondersteund door de overige inhoud van het dossier.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Binnen [werkgever] werkte ik als voorman op een afdeling waar personen werken die niet kunnen deelnemen aan de reguliere arbeidsmarkt. Het is een soort dagbesteding. Op de werkvloer bepaalde ik wat er moest gebeuren en begeleidde ik de werknemers. [slachtoffer] werkte ook op die afdeling en was kwetsbaar. De relatie tussen [slachtoffer] en mij was niet gelijkwaardig. Op enig moment heb ik [slachtoffer] bij mij thuis uitgenodigd en hebben wij seksuele toenadering gezocht. [slachtoffer] is twee keer op mijn uitnodiging bij mij thuis geweest. Ik heb [slachtoffer] meermalen op haar mond gezoend.
Ook heb ik [slachtoffer] een foto van mijn ontblote penis gestuurd.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14
augustus 2024, opgenomen op pagina 85 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024082098 d.d. 3 september 2024, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Wat is [slachtoffer] voor meisje?
A: Een meisje met veel innerlijke persoonlijke problemen. Daar zocht ze ook hulp voor bij maatschappelijk werk.
V: Wat werken er voor mensen bij [werkgever] ?
A: Daar werken mensen met gedragsproblemen of mensen die op een zorgboerderij woonden. Er waren ook wel mensen die op zichzelf woonden met begeleiding. Het waren mensen die niet konden deelnemen aan het normale arbeidstraject. Je kunt wel zeggen dat het een soort dagbesteding was maar dan in een andere vorm.
V: Kende jij de begeleidingsbehoefte van de mensen waarover jij de leiding had? A: Ja
V: Wat weet jij over [slachtoffer] ? Waarom werkte zij bij [werkgever] ?
A: Zij had bepaald gedrag waardoor ze niet in het normale arbeidsproces kon werken. Ze was wispelturig en had moeite om met andere mensen om te gaan.
V: Uit de aangifte van [naam 1] blijkt dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft, van een zmlk-school komt, ze moest werken aan haar zelfstandigheid, ze door haar beperking alleen beschut kon werken en een grote begeleidingsbehoefte had. Wat kun jij daarover zeggen?
A: Ik heb haar ook begeleid en haar ook doorverwezen naar maatschappelijk werk omdat ik die problemen ook wel zag.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[naam 1] :
V: Je doet aangifte namens [slachtoffer] . Zij weet dat jij namens haar aangifte komt doen? A: Ja.
V: Waarom werkt [slachtoffer] bij [werkgever] ?
A: Bij [werkgever] werken mensen met een vastgestelde arbeidsbeperking. [slachtoffer] heeft een verstandelijke beperking. Ze komt van een ZMLK-school. Ze liep stage bij ons en die begeleider leerde haar steeds meer zelfstandigheid. Op basis van de begeleidingsbehoefte die zij heeft is er beschut werk aangevraagd. Dit wordt afgegeven door het UWV. Die stelt eigenlijk vast dat de begeleidingsbehoefte zo groot is dat een reguliere werkgever die niet kan bieden. Zij heeft dit advies gekregen en daardoor heeft zij een dienstverband gekregen in het kader van beschut werken.
V: In hoeverre is een voorman op de hoogte van iemands beperking?
A: Ze weten welke begeleidingsbehoefte mensen nodig hebben en ze weten dat wij een doelgroep bedienen met een vastgestelde arbeidsbeperking. In dit geval zou de voorman ook weten dat zij een licht verstandelijke beperking heeft.
V: Wat was de functie van [verdachte] binnen het bedrijf? A: Voorman.
V: Wat houdt dit in bij [werkgever] ?
A: De sturing van de medewerkers wordt gedaan door een voorman. Hiërarchisch gezien staan die boven de werknemers. [slachtoffer] is een een medewerker van de inpak-hallen.
V: Staat de beperking van iemand vastgelegd? A: Ja.
V: Kunnen voormannen dit ook in zien?
A: Er staat genoteerd wat iemand nodig heeft met betrekking tot begeleiding.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal uitwerking studioverhoor,
opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 25 april 2024 werd in de kindvriendelijke studio gehoord de getuige:
Achternaam: [slachtoffer] Voornamen: [slachtoffer] Geboren: [geboortedatum] 2000
V: Waarover kom jij vandaag met mij praten?
A: Over mijn oude voorman die mij misbruikt heeft. Het was in de TT-week en ik kreeg een appje van [verdachte] . Er stond in van: Wil je morgenmiddag bij mij thuis komen? En toen was het zo dat ik dus bij hem thuis ben geweest. En toen was het zo dat hij zijn pielemuis in mij deed. Ik heb ook nog een geluidsopname van wat hij tegen mij heef gezegd in een spraakbericht en ik heb ook nog fotos van wat hij heeft gestuurd.
V: Hoe heet [verdachte] nog meer? A: [verdachte]
V: En wat is dan precies een voorman?
A: Dat is zeg maar een soort assistent van de teamleider. Zeg maar de taken voeren, mensen besturen, zulke dingen als de teamleider er niet is.
V: En wat voor soort taken doe jij?
A: Ik werk in de productie. Dus ik pak in. Ik moet naar hem luisteren wat hij zegt. V: En dat hij dat bij jou deed, is dat één keer of vaker gebeurd?
A: Dat is wel vier of vijf keer gebeurd.
V: En weet je ook waar hij woont?
A: Hij woonde in het centrum van [plaats] .
V: En dan kom je op bed en dan lig je bloot op dat bed, en dan?
A: Toen was het zo dat hij overal aan ging zitten. Toen daarna ging hij naar mijn borsten toe. V: Hoe raakte hij jouw borsten aan?
A: Ook vastpakken. Hij had heel vaak geknepen. Daarna ging die over mijn geslachtsdeel. Daar ging die ook al wat voelen.
V: En is dat dan met één hand of twee handen?
A: Dat was eerst met twee en daarna werd het vier, met twee vingers zeg maar. V: En waar voelt hij dan aan?
A: Bij mijn schaamlippen.
V: En wat doet hij dan precies bij je schaamlippen? A: Voelen en dan gewoon zijn vingers erin.
V: En wat deed hij met die vingers daarin? A: Vingeren.
V: En zijn de vingers dan stil of bewegen ze dan?
A: Het was eerst een klein beetje en toen werd het echt heel snel, zeg maar met zijn vingers. V: Een klein beetje wat?
A: Bewegen.
V: En toen?
A: Toen was het zover dat hij zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel deed. V: En wat doet hij dan?
A: Heen en weer een paar keer.
V: En hoe ging dat met dat zoenen?
A: Eerst één kusje en toen begon het met tongzoenen. V: En toen?
A: En toen ging hij op zijn hurken en toen ging hij mijn geslachtsdeel likken. V: Wat likte hij dan bij jouw geslachtsdeel?
A: Mijn schaamlippen ging hij likken. V: En waar was die tong dan van hem?
A: In het geslachtsdeel voelde ik van mij. Toen is hij naar mijn geslachtsdeel gegaan. Want hij had zijn pielemuis in mij gedrukt. Alweer. In mijn vagina.
V: En wat doet hij dan? Want dan heeft hij weer zijn pielemuis in jou. A: Heen en weer.
V: En dat was de tweede keer? A: Ja.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2024, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik hoorde dat [slachtoffer] tijdens haar gesprek aangaf dat zij een spraakbericht en een afbeelding had ontvangen van de verdachte. Ik ontving deze bestanden van [naam 1] . De afbeeldingen betroffen:
1 afbeelding met daarop een zogenaamde dickpic;
1 afbeelding met daarop een tijdlijn met data waarop [slachtoffer] bij verdachte zou zijn geweest.
(De rechtbank leest in voornoemde tijdlijn de navolgende data: 24 juni 2022, 29 juni 2022, 19 juli 2022,
15 augustus 2022 en 25 augustus 2022).
Het geluidsfragment is een berichtje van 15 seconden. [slachtoffer] had aangegeven dat zij dit berichtje van verdachte [verdachte] had ontvangen. Ik hoor op het bericht een mannenstem die een tekst inspreekt. De tekst van dit berichtje was:
"Ik ben onderweg naar Groningen. Gisteravond eerst [naam 2] geneukt, vanmorgen is ze weggegaan toen heb ik [naam 3] geneukt Toen is er een vriendinnetje gekomen, heb ik die geneukt, toen [naam 3] weer en nu ben ik onderweg naar Groningen en ik wil dat jij morgenochtend naar mij toekomt en dan ga ik jou neuken.”
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlagen, d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik heb de onder verdachte in beslag genomen telefoon digitaal onderzocht. Door verdachte was in zijn verklaring aangegeven dat wij [slachtoffer] niet onder haar eigen naam in zijn telefoon als contact aan zouden treffen maar onder de naam Borderline. Ik heb in de zoekbalk met betrekking tot het berichtenverkeer daarom ook de naam Borderline ingetoetst en ik zag dat er een drietal vermeldingen waren met berichtenverkeer tussen de nummers onder de naam Borderline en het nummer van de “owner” van de telefoon. Ik zag dat dit de volgende vermeldingen waren:
- Berichtenverkeer tussen 4 juli 2022 en 1 mei 2024, verwerkt in bijlage Report 1.
De berichten in Report 1 zijn verzonden via whatsapp. In alle berichten is er sprake van berichtenverkeer tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is bekend als zijnde het nummer van de verdachte [verdachte] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is onbekend en staat als gebruiker Borderline in de telefoon opgeslagen. Uit de gesprekken en de verklaring van verdachte maak ik op dat deze in het bezit is of is geweest bij [slachtoffer] . Door slachtoffer [slachtoffer] was aangegeven dat zij in de TT-week van 2022 door [verdachte] was benaderd. De motorrace van 2022 werd gehouden op zondag 26 juni 2022.
Bijlage Report 1:
Incoming Maar ik mis de seks wel hoor en je aanwezigheid 24-11-2022 Incoming Wanneer mag ik eens bij jou slapen dan 2-12-2023
Incoming Je hebt met mij seks gehad paar keer 4-12-2023
Incoming Wie weet heb je een andere neukertje zodat je mij weer 4-12-2023 laat stikken
Incoming 1 stoute vraag tussendoor wanneer krijg ik weer een 31-12-2023 beurtje van jou?
Incoming wat heb ik jou gedaan je wou altijd met mij seks hebben 31-1-2024 en ik kwam altijd zelfs toen je zo moe was waarom
hadden we anders seks met elkaar.?
Bewijsoverwegingen
De rechtbank acht het ten laste gelegde op grond van de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De seksuele handelingen
De rechtbank merkt op dat [slachtoffer] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij haar zou hebben verricht en onder welke omstandigheden dit is gebeurd. Gelet op de inhoud van het gehele dossier - in onderling verband en samenhang bezien - stelt de rechtbank echter vast dat [slachtoffer] op onderdelen niet naar waarheid heeft verklaard. In het bijzonder uit de inhoud van de WhatsApp-berichten tussen [slachtoffer] en verdachte volgt dat er, anders dan [slachtoffer] heeft verklaard, geen sprake is geweest van dwang of bedreiging door verdachte. De rechtbank gaat er op basis van deze berichten van uit dat [slachtoffer] bij de politie niet heeft willen toegeven dat zij gevoelens heeft (gehad) voor verdachte en met instemming seksuele handelingen heeft ondergaan.
Hoewel de rechtbank op grond van het bovenstaande van oordeel is dat de verklaring van [slachtoffer] op onderdelen ongeloofwaardig is, is de rechtbank ook van oordeel dat deze verklaring, hoewel daarmee behoedzaam moet worden omgegaan, niet (volledig) terzijde moet worden geschoven als bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] wél geloofwaardig zijn voor zover zij heeft verklaard dat er meermalen diverse seksuele handelingen tussen haar en verdachte hebben plaatsgevonden. De verklaring van [slachtoffer] wordt op dit punt namelijk ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De rechtbank is van oordeel dat het steunbewijs voor de door verdachte verrichte seksuele handelingen zich ten eerste bevindt in het WhatsApp-contact dat [slachtoffer] met verdachte heeft gehad. In de berichten die [slachtoffer] aan verdachte heeft gestuurd schrijft zij meerdere keren over de seks die zij met verdachte heeft gehad. Verdachte heeft de inhoud van deze berichten vervolgens op geen enkel moment tijdens het WhatsApp-contact ontkend of ontkracht. De verklaring van [slachtoffer] over het seksuele contact met verdachte past in zoverre dus bij de berichten die zij - ook ver vóór het afleggen van haar verklaring bij de politie - aan verdachte heeft gestuurd. De verklaring van [slachtoffer] vindt naar het oordeel van de rechtbank ook bevestiging in het door verdachte aan [slachtoffer] verstuurde spraakbericht over het hebben van seks en de door verdachte verstuurde foto van zijn ontblote geslachtsdeel. Tot slot vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in de verklaring die verdachte heeft afgelegd. Verdachte heeft immers verklaard dat [slachtoffer] meermalen bij hem thuis is geweest, zij seksuele toenadering tot elkaar zochten en hij [slachtoffer] meermalen op haar mond heeft gezoend en met haar heeft getongzoend.
Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] - voor zover zij heeft verklaard over de door verdachte verrichte seksuele handelingen - als uitgangspunt en stelt de rechtbank op basis van voornoemd steunbewijs vast dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in de tenlastelegging beschreven seksuele handelingen.
Werkzaam in de maatschappelijke zorg
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of voornoemde seksuele handelingen zich hebben voorgedaan tussen een persoon, te weten verdachte, die werkzaam was in de maatschappelijke zorg met een persoon, zijnde [slachtoffer] , die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.
Anders dan de raadsvrouw beantwoordt de rechtbank die vraag bevestigend. De rechtbank stelt daarbij voorop dat met de strafbaarstelling in artikel 249, tweede lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) is beoogd aan afhankelijke personen strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele handelingen van de zijde van hulp- en zorgverleners. Het gaat daarbij om de bescherming van de patiënt of cliënt tegen onder meer misbruik van het psychisch overwicht dat de hulp- of zorgverlener op hem of haar heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen in de hulp- of
zorgverlener (vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1505). Aan het bestanddeel werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg geeft de Hoge Raad een ruime uitleg die ertoe strekt om in alle gevallen waarin sprake is van misbruik van
psychische overmacht door hulpverleners bescherming te bieden. Er hoeft daarbij geen sprake te zijn van een behandelingsovereenkomst of van een erkende hulpverlener. Bepalend is of er een feitelijke hulpverleningsrelatie bestaat tussen de verdachte en het slachtoffer.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen vast dat [werkgever] een sociale werkplaats betreft. Vanwege de verstandelijke en/of fysieke beperking van de werknemers bood deze werkplek immers een vorm van begeleiding die ten doel had om kwetsbare personen te ondersteunen bij hun deelname aan de samenleving. Gelet op het hierboven geschetste kader is [werkgever] daarom aan te merken als een instelling voor maatschappelijke zorg.
Omdat [slachtoffer] als gevolg van haar verstandelijke- en arbeidsbeperking een nadrukkelijke begeleidingsbehoefte heeft, kon zij niet deelnemen aan het reguliere arbeidstraject en kwam zij in aanmerking voor beschut werken bij [werkgever] . Verdachte werkte als voorman op de afdeling waar [slachtoffer] werkte en was verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing op de werkvloer. Het was aldus de taak van verdachte om ervoor te zorgen dat [slachtoffer] haar dagelijkse werkzaamheden goed kon uitvoeren. Daarbij diende hij rekening te houden met haar mogelijkheden en beperkingen. Uit de inhoud van de door [naam 1] namens [slachtoffer] ingediende aangifte en de verklaringen van verdachte maakt de rechtbank op dat verdachte zich ook bewust was van de kwetsbaarheid en beperkingen van [slachtoffer] en op de hoogte was van haar begeleidingsbehoefte. Verdachte heeft tevens ter terechtzitting verklaard dat zijn relatie met [slachtoffer] geen gelijkwaardige relatie is geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte sprake is geweest van afhankelijkheid, zoals in de regel bestaat tussen iemand die werkzaam is in de maatschappelijke zorg en zij die zich als cliënte aan zijn zorg heeft toevertrouwd. De rechtbank stelt daarom vast dat de feitelijke relatie tussen verdachte en [slachtoffer] er één was van zorgverlener en cliënte, zoals bedoeld in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3, Sr (oud) .
Ontuchtige karakter van de seksuele handelingen
De vraag die tot slot beantwoord moet worden is of de seksuele handelingen tussen [slachtoffer] en verdachte een ontuchtig karakter hebben gehad. In dat verband overweegt de rechtbank dat, indien er seksuele handelingen plaatsvinden in een hulpverlener/cliënt-relatie, het ontuchtige karakter van die handelingen in beginsel wordt aangenomen. In een dergelijk functionele relatie bestaat namelijk een bepaalde mate van afhankelijkheid die gevolgen kan hebben voor de vrijwilligheid bij het aangaan van een seksuele relatie.
Dit is anders indien de relatie tussen de cliënt en de hulpverlener bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, in die zin dat bij de cliënt sprake is geweest van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie bestaat, niet van invloed is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke uitzondering in het onderhavige geval geen sprake geweest.
Verdachte was de voorman van [slachtoffer] en stond in hiërarchie boven haar. Van [slachtoffer] werd verwacht dat zij zich liet aansturen door verdachte. Hierdoor was er sprake van een relatie waarin [slachtoffer] afhankelijk was van verdachte. Verdachte had daarbij psychisch overwicht op [slachtoffer] , te meer nu verdachte wist dat zij kwetsbaar was en zij zeer hechtte aan haar contact met verdachte. Voorts neemt de rechtbank het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen [slachtoffer] (destijds 22 jaar) en verdachte (destijds 55 jaar) in aanmerking.
De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsvrouw dat de functionele relatie tussen verdachte en [slachtoffer] niet van invloed is geweest op de seksuele handelingen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de functionele relatie tussen verdachte en [slachtoffer] een aanzienlijke rol heeft gespeeld bij de seksuele handelingen. Dat maakt dat de seksuele handelingen naar het oordeel van de rechtbank een ontuchtig karakter hebben gehad.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vanuit zijn functie binnen de maatschappelijke zorg ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als cliënte aan de zorg van verdachte had toevertrouwd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 17 juni 2022 tot en met 25 augustus 2022 te Assen, terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, immers was hij, verdachte, werkzaam bij [werkgever] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , zijnde een medewerker met een arbeidsbeperking, die zich als cliënt aan zijn, verdachtes, zorg had toevertrouwd, door
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] .
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen met betrekking tot een eventueel aan verdachte op te leggen straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 28 februari 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een periode van circa twee maanden in zijn functie als voorman binnen een sociale werkplaats ontucht gepleegd met het slachtoffer terwijl zij op dat moment een cliënte was binnen die sociale werkplaats. Verdachte heeft in voornoemde functie een bijzondere relatie met het slachtoffer opgebouwd, waarbij verdachte het slachtoffer meermalen in zijn woning heeft uitgenodigd en aldaar diverse seksuele handelingen met haar heeft verricht. Door aldus te handelen heeft verdachte niet de noodzakelijke professionele grenzen in acht genomen die van hem mochten worden verlangd. Het slachtoffer is een jonge, kwetsbare vrouw met een licht verstandelijke beperking. Door het slachtoffer in het kader van voornoemde relatie bij hem thuis uit te nodigen en over te gaan tot verregaande seksuele handelingen heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de afhankelijkheidsrelatie die het slachtoffer met verdachte had. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Persoon van verdachte
De reclassering schrijft in het advies van 28 februari 2025 dat verdachte beperkte verantwoordelijkheid neemt, zich niet bewust is van de ernst van het bewezenverklaarde en het hem lijkt te ontbreken aan
inlevingsvermogen. Enerzijds toont verdachte zich onvoldoende bewust van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en anderzijds presenteert verdachte zich als een sociale en behulpzame man. De reclassering schrijft dat met name de pro-criminele houding van verdachte een criminogene factor vormt, te meer nu er geen sprake is geweest van impulsief gedrag of cognitieve beperkingen. Doordat verdachte destijds niemand heeft geïnformeerd over onderhavige verdenking heeft zijn sociale netwerk geen corrigerende houding kunnen aannemen ten aanzien van eventueel delictgedrag. Hoewel de reclassering dit als risicofactor ziet schat de reclassering de kans op seksuele en geweldsrecidive, conform de toegepaste risicotaxatie-instrumenten, in als matig-laag. De reclassering ziet geen aanwijzingen voor de noodzaak tot inzet van forensische zorg of een zedenbehandeling. Omdat er bij verdachte sprake zou zijn geweest van machtsmisbruik is het naar het oordeel van de reclassering zinvol verdachte middels een delictanalyse bij De Waag en/of AFPN inzicht te laten verkrijgen in zijn grensoverschrijdende gedrag.
Indien en voor zover de rechtbank tot oplegging van een voorwaardelijke straf komt, adviseert de reclassering aan dat voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich meldt bij de reclassering en zich ambulant zal laten behandelen. Ook geeft de reclassering de rechtbank in overweging aan verdachte op te leggen de bijzondere voorwaarde dat hij op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer] .
Strafoplegging
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Om de ernst van het bewezen verklaarde te benadrukken zal de rechtbank daarnaast aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf niet de bijzondere voorwaarden verbinden dat verdachte zich meldt bij de reclassering en zich ambulant laat behandelen. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding gelet op het laag-matige recidiverisico en de hulp die verdachte uit eigen beweging heeft gezocht. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank voorts ook geen aanleiding om een contactverbod met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het contact vooral is geïnitieerd door [slachtoffer] en er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er een risico bestaat dat verdachte zelf contact zal opnemen met [slachtoffer] .
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 545,00 ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de inhoud van het dossier onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij de gevorderde materiële schade heeft geleden. Naar het oordeel van de officier van justitie dient de vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich voor wat betreft het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij stelt materiële schade te hebben geleden, bestaande uit de waarde van een blouse die door verdachte kapot zou zijn gescheurd en de waarde van een ketting die verdachte zou hebben weggenomen. De gevorderde schade aan de blouse is niet nader onderbouwd. Ter onderbouwing van laatstgenoemde post heeft de benadeelde partij een foto van een ketting en een basis van die foto opgemaakte taxatie overgelegd. De rechtbank merkt op dat de betreffende juwelier bij het opmaken van de taxatie is uitgegaan van een 14 karaat gouden ketting en een echte robijn zonder dat de juwelier de ketting fysiek heeft kunnen onderzoeken. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgegaan van de juistheid van genoemde taxatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de gevorderde materiële schade dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding afwijzen.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank overweegt hiertoe dat sprake is van een normschending door verdachte die naar haar aard ernstig is te noemen en die zeer ernstige gevolgen heeft gehad voor de (geestelijke) gezondheid van de benadeelde partij en haar levensvreugde, op grond waarvan de rechtbank aanneemt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij aanspraak op immateriële schadevergoeding.
Bij het bepalen van de hoogte van het te vergoeden bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de tot nu toe bekende gevolgen ervan voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. De rechtbank heeft voorts aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
Gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, de duur en frequentie daarvan en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat er in onderhavige zaak aansluiting moet worden gezocht bij de categorie 15.3 onder c (ontucht met binnendringen, tamelijk ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de 1.500,00 en 6.000,00.
Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het strafbare feit dat in het onderhavige geval bewezen is verklaard, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van 2.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2022 en de vordering voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 92 (tweeënnegentig) dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. H.M. Lenting en
mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2026.