RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: 248650 FT/RK 25.1054
vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , hierna te noemen:
verzoekster.
PRCESGANG
Op 26 september 2025 heeft verzoekster een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Het verzoek is ingediend door [schuldhulpverleningsbedrijf] te Zuidlaren.
De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 24 oktober 2025 verzocht aanvullende informatie te verstrekken.
De gevraagde informatie is noch van verzoekster noch van [schuldhulpverleningsbedrijf] ontvangen.
Het verzoek tot toepassing van de Wsnp is behandeld op de zitting van 21 januari 2026. Verzoekster is hoewel zij is opgeroepen niet verschenen. Wel is verschenen de heer [schuldhulpverlener werkzaam bij schuldhulpverleningsbedrijf] .
RECHTSOVERWEGINGEN
Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet verzoekster eerst geprobeerd hebben om met haar schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen (het zogenoemde ‘minnelijk traject’). Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om een minnelijk traject te volgen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat [schuldhulpverleningsbedrijf] namens verzoekster geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers om tot een minnelijke regeling te komen ondanks dat de afloscapaciteit is berekend op € 76,42 per maand. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek bij de rechtbank ingediend. Als reden hiervoor is in het verzoekschrift aangegeven dat nadat de schulden zijn geïnventariseerd alsnog meerdere schulden boven water zijn gekomen. Hieruit is geconcludeerd dat het niet mogelijk is de schuldenlast volledig in kaart te brengen, met als gevolg dat er geen aanbod kan worden gedaan aan de schuldeisers.
De rechtbank is van oordeel dat de motivering die in het verzoekschrift is gegeven voor het overslaan van het minnelijk traject onvoldoende is. Dit maakt de verklaring onvoldoende met redenen omkleed. Onduidelijk is waarom, ondanks dat er sprake is van beschermingsbewind door [beschermingsbewind] sinds 29 augustus 2024, de schulden niet in beeld zijn en welke pogingen zijn ondernomen om dat wel voor elkaar te krijgen. Omdat namens de beschermingsbewind niemand op de zitting is verschenen, heeft de rechtbank één en ander niet kunnen navragen.
De rechtbank stelt dan ook vast dat niet is voldaan aan het vereiste zoals geformuleerd in artikel 285, eerste lid, onder f, jo 285, tweede lid, Fw. Een met voldoende redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt, afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar of een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel c (https://www.inview.nl/openCitation/id1dd9228a29506e5bb8f1455965e7b1b9), van de Wet op het consumentenkrediet, ontbreekt. Verzoekster heeft dus geen volledig verzoekschrift ingediend.
De rechtbank ziet geen aanleiding om op basis van het bepaalde in artikel 287, tweede lid Fw, verzoekster in de gelegenheid te stellen de ontbrekende verklaring alsnog in te dienen en overweegt daartoe het volgende.
Naast de ontbrekende verklaring zijn er andere punten die in de weg kunnen staan aan toelating tot de Wsnp, of die in ieder geval een nadere toelichting behoeven, die niet is verkregen.
Niet duidelijk is of er sprake is van een verslaving. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 24 oktober 2025 daarna gevraagd maar geen antwoord ontvangen. Verzoekster is niet verschenen op zitting zodat de rechtbank dit niet heeft kunnen navragen. De rechtbank had dit willen bespreken met verzoekster omdat uit het door de rechtbank opgevraagde uittreksel van de Justitiële Informatiedienst blijkt dat verzoekster op 25 september 2025 is veroordeeld tot een taakstraf en omdat door het Openbaar Ministerie op 17 juni 2024 een geldboete is opgelegd van € 850,00 wegens rijden onder invloed van drugs op 23 april 2024.
Verder ontbreekt bewijs dat verzoekster niet in staat is om te werken zoals een keuringsrapport of een (medische) verklaring ondanks dat daarom door de rechtbank is verzocht bij brief van 24 oktober 2025.
De rechtbank concludeert dan ook dat het verzoek niet voldoet aan vereisten als bedoeld in artikel 285 Fw, waardoor de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk verklaart in haar verzoek tot toepassing van de Wsnp.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.