ECLI:NL:RBNNE:2026:824

ECLI:NL:RBNNE:2026:824

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 18.282963.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling ter zake winkeldiefstal gevolgd van geweld, twee keer winkeldiefstal en een opzetaanranding, deels ontkennende verdachte, recidive, benadeelde partij, gevangenisstraf.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18.282963.25

1. ​

hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Leeuwarden één of meerdere blikjes energiedrank en/of één of meerdere zalmfilets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Leeuwarden met een persoon, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het betasten/beetpakken van de (beklede) vagina van die [slachtoffer 2]

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;

parketnummer 18.261687.25

hij op of omstreeks 22 augustus 2025 te Leeuwarden een magnetron maaltijd, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18.240926.25

hij op of omstreeks 12 september 2025, te Leeuwarden, in of uit of bij een winkel, gelegen aan of bij de Nieuwestad, (onder meer) drie verpakkingen/tubes crème (merk Grahams), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het winkelbedrijf [winkel 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

parketnummer 18.240926.25

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2, onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het geweld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de diefstal heeft bekend alsmede het spugen, maar hij ontkent het bij de keel pakken van [slachtoffer 2] en in het gezicht slaan van [slachtoffer 1] . Dit is ook niet op de camerabeelden te zien. Verdachte heeft geen opzet gehad om iemand pijn of letsel toe te brengen. Hij heeft aangeefster [slachtoffer 1] mogelijk geraakt bij het maken van een wegwerpbeweging.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder parketnummer 18.282963.25 onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangeefster in haar kruis heeft geraakt. Verdachte was bezig om los te komen en hij had geen seksuele intentie om aangeefster in haar kruis aan te raken.

Oordeel van de rechtbank

parketnummer 18.261687.25 en parketnummer 18.240926.25

De rechtbank acht het onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;

parketnummer 18.261687.25

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 22 augustus 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025227119 d.d. 10 oktober 2025, inhoudend de verklaring van [naam 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2025, opgenomen op pagina 11 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 12 september 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025248071 d.d. 14 september 2025, inhoudend de verklaring van [naam 2] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2025, opgenomen op pagina 11 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.

parketnummer 18.282963.25

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 22 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik was op 22 oktober 2025 in de [winkel 1] supermarkt in Leeuwarden. Ik heb daar zalmfilet en blikjes energiedrank weggenomen zonder ervoor te betalen. Ik heb in het gezicht van één van de medewerksters gespuugd. Ik wilde naar buiten en weg.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025287571 d.d. 30 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ik ben werkzaam bij de [winkel 1] supermarkt aan de [adres] te Leeuwarden. Vandaag, woensdag 22 oktober 2025 was ik aan het werk. Ik bekeek dus beelden terug en ik zag daarop dat een jongeman drie pakken zalm in een tas stopte die over zijn schouder hing.

Ik zag dat de jongeman dus met de tas met daarin kennelijk de zalm de kassa passeerde en niet de inhoud van de tas ter betaling aanbood bij de kassa. Ik zou de jongeman samen met collega's [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegenhouden bij de uitgang. Ik hoorde de jongeman zeggen dat hij niet mee wilde gaan. Ik zag dat de jongeman ineens voorbij ons rende en via de uitgang van de winkel naar buiten rende. Ik zag dat hij het parkeerterrein buiten onze winkel op rende. Ik rende samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar buiten toen en we renden achter de jongeman aan.

In ons kantoor werd de jongeman echter gelijk weer agressief. Ik zag dat hij probeerde de deur van ons kantoor open te maken. Ik hoorde [slachtoffer 2] toen tegen de jongeman zeggen: "nee je gaat niet weg, dat gaat niet gebeuren". Ik zag toen dat de jongeman mijn collega [slachtoffer 2] recht in haar gezicht spuugde. Ik zag dat de jongeman op ongeveer een halve meter afstand van collega [slachtoffer 2] stond en haar aankeek en heel doelbewust haar in het gelaat spuugde. Ik zag een grote fluim vanuit zijn mond komen. Ik zag dat deze fluim met veel snelheid uit zijn mond kwam. Ik hoorde daarbij een spugend geluid. Ik zag aan de reactie van [slachtoffer 2] dat ze schrok en dat ze de jongeman verder achteruit duwde, bij haar vandaan.

Ik zag dat de jongeman wederom probeerde om de deur te openen om het kantoor te verlaten. Ik hoorde [slachtoffer 2] weer zeggen dat dat niet ging gebeuren. Ik zag toen dat de jongeman heel dicht met zijn gezicht bij het gezicht van [slachtoffer 2] kwam. Ik hoorde hem heel intimiderend zeggen tegen [slachtoffer 2] : "wat wil jij dan?!" Ik zag toen dat de jongeman ineens [slachtoffer 2] bij haar keel greep. Ik durf niet te zeggen met welke hand hij haar vast pakte.

Ik zag duidelijk dat de jongeman de keel van [slachtoffer 2] vast pakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] tussenbeide kwam en riep ho ho ho! Ze zorgde ervoor dat de jongeman [slachtoffer 2] niet

meer kon aanraken. Ik zag dat de jongeman toen zichzelf nog groter maakte als hij al was en hij liep toen op [slachtoffer 1] af. Ik zag dat [slachtoffer 1] schrok en achteruit deinsde. Ik zag toen dat de jongeman met de rug van zijn rechterhand met kracht een klap gaf tegen de linkerzijde van het gelaat van [slachtoffer 1] . Ik hoorde gelijk het geluid van een soort pats. Ik hoorde dat de hand van de jongeman het gelaat van [slachtoffer 1] raakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] schrok en daarna met haar handen haar gezicht vast pakte.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op woensdag 22 oktober 2025 was ik aan het werk bij de [winkel 1] gelegen aan de [adres] te Leeuwarden. Op het moment dat we buiten stonden, lukte het de verdachte om zich uit mijn greep los te trekken. Ik zag dat de verdachte vervolgens wegrende richting de openbare weg. Ik rende, samen met nog een collega, achter de verdachte aan. Vervolgens liep ik, terwijl ik en mijn collega de verdachte nog vast hadden, terug naar het kantoor. Ik

voelde, terwijl ik met de verdachte terugliep naar het kantoor, dat hij zich nog steeds probeerde los te trekken. Ik voelde dat de verdachte met kracht, mijn linkerpols met zijn hand vastpakte. Ik had mijn horloge om deze hand. Ik voelde dat het bandje van mijn horloge in mijn pols werd geduwd. Ik voelde direct een snijdende pijn. Ik liep, samen met de verdachte, langs een auto welke geparkeerd stond op het parkeerterrein. Ik merkte dat de verdachte, met zijn lichaam, mij tegen de auto probeerde aan te duwen.

Ik denk dat hij

dit deed zodat ik hem los zou laten. Ik voelde hierna dat de verdachte zijn hand naar mijn vagina bracht.

Ik stapte vervolgens met de verdachte het kantoor in. Ik zag dat daar ook collega's stonden. Ik zag dat de verdachte naar de deur liep en de deur van het slot probeerde te krijgen. Ik probeerde de verdachte tegen te houden door zijn hand weg te duwen van de deur. Ik zag dat de verdachte heel dicht op mij ging staan. Ik en de verdachte stonden hierdoor met de gezichten naar elkaar toe. Ik denk dat er ongeveer 20/30 cm tussen het gezicht van mij en de verdachte zat. Ik hoorde dat de verdachte een geluid maakte wat ik herken als spugen. Ik hoorde dit geluid uit de mond van de verdachte komen. Ik voelde vervolgens een warme vloeistof op mijn onderlip en kin terechtkomen. Ik gaf de verdachte hierna met mijn linkerhand een duw om hem van mij af te duwen.

Ik zag dat de verdachte vervolgens weer in mijn richting stapte. Er zat toen geen meter tussen ons in. Ik zag en voelde dat de verdachte met zijn linkerhand mij met kracht bij mijn

keel vastpakte. Ik voelde dat de man met zijn linkerhand in mijn keel kneep. Ik voelde druk op mijn keel en ik voelde een stekende pijn.

Ik zag dat mijn collega [slachtoffer 1] tussen mij en de verdachte in kwam staan. Ik zag dat verdachte zich groot maakte en dicht op [slachtoffer 1] kwam staan. Ik zag dat er nog geen meter tussen [slachtoffer 1] en de verdachte inzat. Ik zag dat de verdachte, met kracht, zijn linkerarm omhoog zwaaide. Ik zag dat deze hand tegen de mond van [slachtoffer 1] aankwam.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Tijdens de worsteling buiten greep hij mij daar. Ik had een schort aan en

deze zat nog tussen zijn hand en mijn broek. Maar hij greep me echt. Hij ging met zijn hand naar mijn vagina en legde zijn handpalm op de bovenkant zeg maar aan de voorkant. Zijn vingers raakte nog net niet mijn clitoris zeg maar. Ik voelde dat hij daar met zijn vingers drukte. Ik voelde echt dat hij greep, dat hij een vuist maakte en dat hij het wou grijpen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op woensdag 22 oktober 2025 omstreeks 13:20 uur was ik werkzaam bij [winkel 1] supermarkt gelegen aan de [adres] te Leeuwarden. Wij hebben de persoon meegenomen richting ons kantoor. Hierop werd de persoon verbaal agressief naar mijn collega [slachtoffer 2] .

Op dit zelfde moment spuugde de persoon in de richting van [slachtoffer 2] . Ik zag dat het spuug ter hoogte van de mond en neus kwam. Ik zag dat de persoon [slachtoffer 2] bij haar keel greep. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] snakte naar adem en rood aanliep in het gezicht. Hierop ben ik richting de persoon gelopen om de arm los te maken. Hierdoor verplaatste de aandacht van [slachtoffer 2] naar mij. De persoon kwam op mij afgelopen. De persoon sloeg mij vervolgens met een platte hand in mijn gezicht. Door de klap had ik pijn in mijn wang dan wel lip. Het voelde alsof mijn tand door mijn lip ging. Door de klap is mijn wang rood en heb ik een kleine verdikking in mijn lip.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 2 e.v. van het aanvullend proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 18-282963-25 d.d. 18 december 2025, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op donderdag 18 december 2025 heb ik, verbalisant [verbalisant] , nogmaals de beelden

bekeken van de winkeldiefstal met geweld bij de [winkel 1] aan de [adres] te Leeuwarden. Nadat ik wederom de beelden heb bekeken zag ik verbalisant het volgende: CAMERABEELD: NVR_BUITEN

13:26:07

Op genoemd tijdstip strekt de verdachte zijn linkerarm uit waardoor zijn hand ter hoogte van de schaamstreek van aangeefster kwam. Vervolgens buigen de verdachte vingers als zijnde dat hij naar het kruis grijpt.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte blikjes energiedrank en zalmfilets bij de [winkel 1] heeft weggenomen zonder deze af te rekenen. Het winkelpersoneel zag dit en ze hebben verdachte hierop aangesproken. Verdachte is vervolgens weggerend waarop het personeel achter hem aan is gerend. Na duw- en trekwerk is verdachte in het kantoor van de winkel gebracht. Uit de aangiftes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , alsmede de verklaring van getuige [getuige] , volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte hier geweld heeft uitgeoefend jegens aangeefster [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De geweldshandelingen bestonden uit het spugen in het gezicht en het bij de keel pakken van [slachtoffer 2] en het slaan in het gezicht slaan van [slachtoffer 1] . De raadsman heeft betoogd dat deze handelingen niet op de camerabeelden te zien zijn. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer dat de camera niet de volledige kantoorruimte in beeld brengt. Een deel van de handelingen van verdachte is niet door de camera geregistreerd. Dat er geen beelden zijn van een deel van de tenlastegelegde handelingen is daarmee niet in tegenspraak met de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte aangiftes en getuigenverklaringen.

Met betrekking tot het spugen overweegt de rechtbank dat verdachte aangeefster onder meer in haar gezicht heeft gespuugd om weg te kunnen komen. Het spugen in het gezicht veroorzaakte een hevige onlust bij het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige context ook het spugen als onderdeel van het geweld om de vlucht mogelijk te maken moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld om de vlucht mogelijk te maken.

Feit 2.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van vol opzet of de ondergrens van de opzetvariant voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Volgens de wetsgeschiedenis is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij daarvoor geen toestemming heeft en dat daarmee in elk geval opzet kan worden bewezen:

“De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk

handelen” (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 20222023, 36 222, nr. 3, p. 18).

Ten aanzien van feit 2 komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de opzetaanranding jegens de aangeefster [slachtoffer 2] op basis van de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 2] en de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant. Hieruit volgt dat verdachte aangeefster [slachtoffer 2] onverhoeds bij haar vagina heeft aangeraakt. Het aanraken van de (beklede) vagina kwalificeert als een seksuele handeling. [slachtoffer 2] was op dat moment druk doende om verdachte naar binnen te geleiden en er was voor verdachte geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij zijn aanraking zou willen.

Uit de verklaring van aangeefster en de beschrijving van de beelden blijkt daarnaast niet dat verdachte aangeefster per ongeluk in haar vagina heeft geraakt in een poging om los te komen. Daarmee acht de rechtbank de vereiste opzet bewezen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2, onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18.282963.25

1.

hij op 22 oktober 2025 te Leeuwarden meerdere blikjes energiedrank en meerdere zalmfilets, die geheel aan [winkel 1] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door

2.

hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Leeuwarden met een persoon, te weten [slachtoffer 2] een seksuele handeling heeft verricht, te weten het beetpakken van de beklede vagina van die [slachtoffer 2] terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;

parketnummer 18.261687.25

hij op 22 augustus 2025 te Leeuwarden een magnetron maaltijd, dat aan [winkel 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18.240926.25

hij op 12 september 2025, te Leeuwarden, in een winkel gelegen aan de Nieuwestad, drie verpakkingen crème, merk Grahams, die aan het winkelbedrijf [winkel 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18.282963.25

parketnummer 18.261687.25 diefstal

parketnummer 18.240926.25 diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2, onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met een proeftijd van 3 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de duur van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest te stellen met daarnaast een groot voorwaardelijk deel en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte kan dan samen met de reclassering op zoek naar een geschikte woonvorm om verdere recidive te voorkomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen en een winkeldiefstal gevolgd van geweld. Verdachte heeft geprobeerd na betrapping te vluchten en hij heeft hierbij geweld gebruikt. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen en heeft hij hinder, schade en overlast veroorzaakt. Uit de verklaringen van het winkelpersoneel van de [winkel 1] volgt dat het geweld van verdachte een behoorlijke impact heeft gehad. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van een winkelmedewerkster van de [winkel 1] . Hij heeft haar bij haar beklede vagina beetgepakt. Hiermee heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Uit het reclasseringsrapport van 20 januari 2026 volgt dat verdachte een 28- jarige man is met een langdurige en complexe combinatie van ernstige verslavingsproblematiek, psychiatrische stoornissen en een belaste voorgeschiedenis. Hij staat sinds 2020

geregistreerd als veelpleger. De reclassering signaleert instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, waaronder huisvesting, financiën, dagbesteding, sociale relaties en psychosociaal functioneren. Ondanks langdurige betrokkenheid van hulpverlening en justitie, waaronder een volledige ISD-maatregel, is er geen sprake van duurzame gedragsverandering of stabilisatie. Verder is er geen sprake van responsiviteit met betrekking tot gedragsverandering. Reguliere reclasseringsinterventies en forensische behandelingen zijn tot nu toe niet effectief gebleken. Uit zijn strafblad blijkt van aanhoudende recidive met een ontwikkeling richting steeds ernstiger en complexer delictgedrag, waarbij middelengebruik en psychische ontregeling een centrale rol spelen. De reclassering adviseert daarom desondanks wel bijzondere voorwaarden op te leggen om verdachte zodoende te kunnen blijven monitoren en waar mogelijk toe te leiden naar een passende woonplek.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte is onder meer op 23 juli 2023 door de meervoudige kamer veroordeeld tot een ISD-maatregel. Deze ISD-maatregel eindigde op 3 augustus 2025. Binnen twee maanden na het eindigen van deze maatregel heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan winkeldiefstallen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor een winkeldiefstal met na betrapping geweld te gebruiken en bij veelvuldige recidive geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Voor een eenvoudige winkeldiefstal waarbij sprake is van veelvuldige recidive geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Voor opzetaanranding is geen oriëntatiepunt opgenomen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank met name mee dat verdachte kort na het eindigen van de ISD-maatregel zich weer schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geconcludeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk is nu er geen bedrag is ingevuld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de door hem bepleite vrijspraak. De raadsman heeft geen inhoudelijke opmerkingen over de vordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat er geen bedrag is ingevuld.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft geen bedrag ingevuld en dit aan de rechtbank gelaten. De rechtbank overweegt dat het aan de benadeelde partij is een bedrag aan de geleden schade te verbinden. Nu dat niet is gebeurd, kan de rechtbank niet anders dan de vordering niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 241, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18.282963.25 onder 1 en 2, onder parketnummer 18.261687.25 en onder parketnummer 18.240926.25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Ten aanzien van parketnummer 18.282963.25 feit 1 en 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om [slachtoffer 2] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.728,99 (zegge: duizend zevenhonderdachtentwintig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 28,99 aan materiële schade en 1.700,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.282963.25 feit 1

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Eckert, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.P. Eckert
  • mr. R.B. Maring
  • mr. C.A.M. Veenbaas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?