ECLI:NL:RBNNE:2026:858

ECLI:NL:RBNNE:2026:858

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 25/1177
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Bodemzaak

Samenvatting

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Eiser door politie aangehouden op verdenking van drugshandel. In auto en huis contante geldbedragen aangetroffen. Daarnaast auto gekocht. Vermoeden dat geld verkregen is met drugshandel is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ook niet dat eiser al langer over dit geld zou hebben beschikt. Beroep gegrond. Rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Leeuwarden, eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1177

(gemachtigde: mr. F. Luinstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college

(gemachtigde: A.J. Krol).

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering over de periodes van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 en van

1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering van eiser over voornoemde periodes terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit niet het geval is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met besluiten van 24 juli 2024 en 31 juli 2024 (de primaire besluiten) heeft het college eisers bijstandsuitkering over de periodes van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 respectievelijk van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 ingetrokken en teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 10 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het college hierbij gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. Zij heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten

3. Eiser heeft vanaf 24 juli 2023 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande gehad. Deze uitkering is per 16 januari 2024 gestopt omdat hij vanaf die dag in detentie zat. Op die dag zijn eiser en een medeverdachte, die samen in een auto zaten, door de politie aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet (drugshandel). Vervolgens is in de auto, die op eisers naam stond, een contant geldbedrag gevonden van € 8.305,00 en in zijn woning een contant geldbedrag van € 6.207,50.

Eiser is na zijn detentie op 13 juni 2024 weer gaan samenwonen met zijn echtgenote en hun kinderen en heeft opnieuw bijstand aangevraagd. Tijdens het onderzoek naar het recht op bijstand is gebleken dat eiser op 10 juli 2024 een auto op zijn naam heeft gekregen. Uit desgevraagd door hem geleverd bewijs is gebleken dat hij de auto voor

€ 3.000,00 gekocht heeft. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij dit bedrag geleend heeft van zijn zus. Hij heeft om dat te onderbouwen een leenovereenkomst overgelegd.

Met een besluit van 22 juli 2024 (toekenningsbesluit) heeft het college bepaald dat eiser en zijn echtgenote vanaf 13 juni 2024 een bijstandsuitkering krijgen naar de norm voor gehuwden. Hierbij is aangegeven dat het bedrag van de lening van € 3.000,00 volgens het gemeentelijk beleid verrekend moet worden met de uitkering, hetgeen zou betekenen dat zij in de maand juli 2024 geen recht zouden hebben op bijstand. Omdat het college wil voorkomen dat er betalingsproblemen ontstaan met betrekking tot de vaste lasten, ontvangen eiser en zijn echtgenote in de maand juli 2024 de volledige uitkering. Deze zal wel volledig terugbetaald moeten worden. Tot slot is aangegeven dat eiser en zijn echtgenote over de aflossing van de vordering worden geïnformeerd in een aparte beschikking.

Bestreden intrekking en terugvordering

Periode van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024

4. Het college heeft eisers bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 ingetrokken en de over die periode te veel door eiser ontvangen bijstandsuitkering van € 621,21 van hem teruggevorderd. Het college heeft hierbij aangegeven dat op 16 januari 2024 contante bedragen van in totaal € 14.500,00 in eisers auto en in zijn woning zijn aangetroffen, dat dit geld dus in zijn bezit was en dat aangenomen moet worden dat dit zijn eigendom was. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft de herkomst van het bedrag niet duidelijk gemaakt. Volgens het college wijst alles er op dat eiser de bedragen met drugshandel heeft verworven. Eiser heeft zijn inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat hij in januari 2024 over dat bedrag beschikte. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij die maand tóch recht op bijstand is blijven houden. Eiser heeft niet met enig bewijs ontkracht dat het geld op 1 januari 2024 al als vermogen in zijn bezit was, of dat hij het bedrag in januari (deels) heeft verdiend met drugshandel en het dus inkomen is. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet gesteld en zijn het college ook niet gebleken.

Periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024

Het college heeft eisers bijstandsuitkering van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 ingetrokken en de over die maand te veel uitbetaalde bijstand van € 1.775,75 van eiser en zijn echtgenote teruggevorderd. Het college heeft hierbij aangegeven dat eiser in die maand een bedrag heeft ontvangen van € 3.000,00 dat als inkomen wordt aangemerkt en waarover hij op 10 juli 2024 kon beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Hierbij heeft het college aangegeven dat hij geen eensluidende verklaringen over de herkomst van dit bedrag heeft gegeven, hetgeen het ongeloofwaardig maakt dat hij dit geld van zijn zus heeft ontvangen. Verder heeft het college aangegeven dat bekend is dat eiser al jarenlang actief is in de drugshandel en dat hij daarmee eerder niet gestopt is. Tevens is aangegeven dat het bedrag feitelijk sinds 10 juli 2024 niet meer beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud omdat eiser daarmee een auto had aangeschaft. Daarmee heeft hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond. In dat geval kan zo nodig bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend. Omdat er achterstanden in de betaling van de vaste lasten dreigden te ontstaan, waarvan ook de echtgenote en de kinderen de dupe dreigden te worden, is besloten toch bijstand toe te kennen over juli 2024, maar deze direct terug te vorderen. De toegekende bijstand had niet de reguliere vorm van bijstand om niet, maar van een geldlening die met het toekenningsbesluit direct is teruggevorderd. Daarmee kon het volgende besluit volgens het college in principe alleen nog gaan over de invordering van de bijstand. Dat het primaire besluit toch ook een intrekking en terugvordering omvat is ten overvloede dan wel te zien als een subsidiaire terugvorderingsgrond. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet gesteld en zijn het college ook niet gebleken.

Beroepsgronden

Met betrekking tot periode 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024

5. Eiser stelt dat de geldbedragen die zijn aangetroffen in zijn auto en zijn woning niet van hem zijn. Volgens hem zijn er onvoldoende aanknopingspunten om zonder twijfel te kunnen stellen dat deze bedragen een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikte of kon beschikken. Eiser was niet de enige persoon die in de auto zat. Meerdere personen kunnen van deze auto gebruik maken. Hij wist niet dat het geldbedrag in de auto lag. Voor wat betreft het geldbedrag in de woning stelt eiser zich op hetzelfde standpunt. Daarnaast meent hij dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt vanaf welk moment het geldbedrag tot zijn vermogen zou zijn gaan behoren. Dat eiser al langer in drugs zou handelen is enkel gebaseerd op vermoedens en aannames. Concrete feiten en omstandigheden ontbreken. Eiser wijst er hierbij op dat het gaat om een belastend besluit en de bewijslast dus op het college rust.

Met betrekking tot periode 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024

Volgens eiser kan het geldbedrag van € 3.000,00 niet als lening worden aangemerkt, maar is sprake van een schenking. Hij betwist dat hij geen eensluidende verklaringen over de herkomst heeft afgelegd die ongeloofwaardig maken dat hij het geld van zijn zus zou hebben ontvangen. Volgens eiser hebben zijn verklaringen dezelfde strekking. Hij heeft immers direct aangegeven dat hij het geld heeft gekregen om een auto van te kopen. Voor het geval toch wordt uitgegaan van een lening voert eiser aan dat pas op 1 september 2024 de betalingsverplichting bestond. Volgens hem kan de lening pas op dat moment als middel worden aangemerkt. Tot die tijd kan het bedrag als een schenking worden aangemerkt. Het aanmerken van de lening als inkomen in de maand juli 2024 is volgens eiser dus niet terecht.

Bewijslast

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat volgens vaste rechtspraakintrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is en dat daarom de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie rust. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie – in dit geval het college – de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

Periode 1 januari tot en met 15 januari 2024

7. Volgens eveneens vaste rechtspraak is, indien een betrokkene in het bezit is van een bedrag aan contanten, de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

Vast staat dat op 16 januari 2024 de bedragen aan contanten van in totaal

€ 14.500,00 zijn aangetroffen in de auto die toen op eisers naam stond en in zijn woning. Op grond daarvan heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat deze contanten in eisers bezit waren en toen een bestanddeel vormden van het vermogen waarover hij kon beschikken.Eiser heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Het college gaat er vanuit dat het op 16 januari 2024 aangetroffen contante geld al op 1 januari 2024 tot eisers vermogen behoorde. Dat heeft het college echter niet aannemelijk gemaakt. Zijn stelling dat eiser niet met enig bewijs heeft ontkracht dat het geld op 1 januari 2024 al als vermogen in zijn bezit was of dat hij het bedrag (deels) in januari heeft verdiend met drugshandel, gaat er aan voorbij dat de bewijslast op dit punt niet op eiser, maar op het college rust.Het vermoeden van het college, gebaseerd op de omvang van het bedrag en eisers antecedenten, dat eiser al langer in drugs handelde, is onvoldoende om aan deze bewijslast te voldoen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat eiser in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 al beschikte over de contante bedragen die op 16 januari 2024 in zijn auto en woning zijn aangetroffen. Nu dat niet aannemelijk is gemaakt, kan eiser zijn inlichtingenplicht ook niet geschonden hebben door hiervan geen melding te maken. Dit betekent dat het college ten onrechte een grondslag heeft gezien voor intrekking van eisers bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024.

Uit dit laatste volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat de uitkering over deze periode terecht aan hem betaald is, zodat het college ook niet bevoegd was om deze terug te vorderen. Het college heeft eisers bijstandsuitkering over deze periode dus ten onrechte van hem teruggevorderd.

Periode 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024

8. In het kader van de beoordeling van de intrekking en terugvordering van eisers bijstand over de maand juli 2024, zal de rechtbank hierna, gelet op de standpunten van het college hierover, allereerst bezien in welke vorm deze bijstand is verleend en of met het toekenningsbesluit al is beslist over de terugvordering van de bijstand over deze maand.

Voor het standpunt van het college dat de bijstand die met besluit van 22 juli 2024 aan eiser en zijn echtgenote vanaf 13 juni 2024 is toegekend niet de reguliere vorm van bijstand om niet, maar van geldlening had omdat eiser een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, ziet de rechtbank geen bevestiging in dit besluit. In dit toekenningsbesluit staat dit namelijk niet, en uitgangspunt bij toekenning is dat bijstand om niet wordt verleend. De rechtbank ziet ook niet in dat eiser tóch had moeten begrijpen dat de bijstand in de vorm van een geldlening werd toegekend. Eiser en zijn echtgenote mochten er dan ook vanuit gaan dat de bijstandsuitkering per 13 juni 2024 aan hen om niet is verleend. Dit betekent ook dat de bijstand over juli 2024 niet als geldlening kan worden teruggevorderd en dat aan de terugvordering ook een intrekkingsbesluit ten grondslag moet liggen.

De stelling van het college dat de bijstand met het toekenningsbesluit direct is teruggevorderd, volgt de rechtbank niet. In dit besluit, met als onderwerp “Toekenning bijstand”, staat onder “Ons besluit” alleen dat besloten is dat eiser en zijn echtgenote bijstand krijgen vanaf 13 juni 2024. Er staat niet bij dat ook besloten is tot intrekking en terugvordering van de bijstand over juli 2024. De rechtbank ziet niet in dat dit besluit desondanks mede bedoeld is als besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand over juli 2024, althans dat eiser het toekenningsbesluit redelijkerwijs zo had moeten opvatten. De mededeling in dit besluit onder ‘Inkomsten’, dat de uitkering over de maand juli 2024 volledig terugbetaald zal moeten worden, is daarvoor onvoldoende, te meer daar in de volgende zin staat dat eiser hierover nog in een aparte beschikking geïnformeerd zal worden.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van het college niet, dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand over 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 ten overvloede is genomen. Zij gaat hierna dan ook over tot beoordeling van de rechtmatigheid van de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking en terugvordering over deze periode.

De rechtbank begrijpt dat aan de intrekking en terugvordering van de bijstand over juli 2024 niet het standpunt ten grondslag ligt dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ter zake van het bedrag van € 3.000,00 waarmee hij op 10 juli 2024 een auto heeft aangeschaft. De rechtbank kan dit volgen aangezien het college hiervan bij het nemen van het toekenningsbesluit van 22 juli 2024 al op de hoogte was.

Eiser heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat hij het bedrag op 9 juli 2024 gekregen heeft. Het college gaat er blijkbaar vanuit dat eiser al op 1 juli 2024 over dit bedrag beschikte. Het college heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Zijn vermoeden dat eiser dit geld heeft verworven met drugshandel, volstaat daarvoor niet. Verder is niet in geschil dat eiser in ieder geval sinds 10 juli 2024 niet meer over het bedrag van € 3.000,00 beschikte om in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien, omdat hij daarmee een auto had aangeschaft.

Het college heeft in de omstandigheid dat eiser in juli 2024 de beschikking heeft gehad over dit bedrag dan ook geen grondslag kunnen zien om de bijstand over deze hele maand in te trekken en terug te vorderen. De stelling van het college dat eiser een gebrekkig besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening heeft betoond biedt ook geen grondslag voor de bestreden intrekking en terugvordering over de maand juli 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiertoe dus ten onrechte besloten.

Wel kan worden aangenomen dat eiser op 9 en 10 juli 2024 de beschikking heeft gehad over het bedrag van € 3.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit bedrag als inkomen moet worden aangemerkt en dat eiser daarom geen recht op bijstand heeft. Daarbij komt dat aan de intrekking en terugvordering geen schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag ligt, maar een ’kan’-bepaling, waaruit volgt dat het college niet verplicht is om tot intrekking en terugvordering over te gaan. Dit brengt mee dat het college bij de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering een belangenafweging moet maken, die volgens vaste rechtspraak ook moet plaatsvinden in het kader van de beoordeling of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. De rechtbank is niet gebleken dat een dergelijke belangenafweging aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Naar haar oordeel kan de intrekking en terugvordering van eisers bijstand over voornoemde dagen dus ook niet in rechte stand houden, en is nadere besluitvorming (op bezwaar) aangewezen waarin het college duidelijk maakt of het de intrekking en terugvordering over die dagen wenst te handhaven en zo ja, op welke gronden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, gelet op het oordeel van de rechtbank dat de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 januari 2024 en over de hele maand juli 2024 ten onrechte is ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing te nemen en te bepalen dat de primaire besluiten worden herroepen, met uitzondering van de intrekking en terugvordering van de bijstand over 9 en 10 juli 2024, omdat het college daarover in bezwaar een nader besluit zal moeten nemen.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 3.200,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,00, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 934,00 en een wegingsfactor 1). Andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld of gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 10 februari 2025;

- herroept de primaire besluiten van 24 juli 2024 en 31 juli 2024, het laatste besluit

behoudens voor zover dit de intrekking en terugvordering van de bijstand over 9 juli

2024 en 10 juli 2024 betreft;

- bepaalt dat deze uitspraak, in zoverre de primaire besluiten daarbij zijn herroepen, in de

plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt

op eisers bezwaar, voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand

over 9 juli 2024 en 10 juli 2024;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,00 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.A. Schoenmakers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Participatiewet

Artikel 17, lid 1

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 18, lid 2

Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.

Artikel 48, lid 1

Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.

Artikel 48, lid 2, aanhef en onder b

Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Artikel 54, lid 3

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58, lid 1

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Artikel 58, lid 2

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

Artikel 58, lid 8

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?