RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing
Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/253720 / KG RK 26/166
Beslissing van 18 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. P.G. Wijtsma,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 2 maart 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek is vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 12 maart 2026.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. P.G. Wijtsma, bestuursrechter, die is belast met de behandeling van de procedures met zaaknummers [zaaknummer] en [zaaknummer] .
De rechtbank begrijpt uit het proces-verbaal waarin het mondelinge verzoek tot wraking is gedaan dat de verzoekster de rechter heeft gewraakt vanwege diens relatiesfeer.
3. Het standpunt van de rechter
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 12 maart 2026.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat door de verzoekster niet is onderbouwd dat sprake zou zijn van enige (schijn van) partijdigheid aan de zijde van de rechter.
4. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
Ingevolge artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de procedures met zaaknummers [zaaknummer] en [zaaknummer] worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevonden;
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan- de verzoekster;
- de gewraakte rechter, mr. P.G. Wijtsma;- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 18 maart 2026 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.