RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
[eisers], allen uit Groningen, eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4927
(gemachtigde: mr. M. Helmantel),
en
(gemachtigde: mr. T.M. Senff).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eisers tegen een verleende omgevingsvergunning niet-ontvankelijk te verklaren. Eisers zijn het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het college een vergunning verleend voor het herbouwen en uitbreiden van een atelier, hobbyruimte, tuinkamer en terras aan [adres]. Het gaat om een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met de planregels.
Eisers hebben op 4 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Ook hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer LEE 25/391. Met de uitspraak van 5 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het verzoek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kennelijk ongegrond omdat eisers onvoldoende spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorziening.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend vóór die datum, namelijk op 19 november 2023, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.
Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan deze belanghebbenden. Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, kan het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaar te laat is ingediend. De omgevingsvergunning is verleend met het besluit van 16 april 2024. Dat besluit is op 17 april 2024 aan de aanvrager toegezonden, waardoor de bezwaartermijn van zes weken op 18 april 2024 is begonnen. Een bezwaarschrift kon dus worden ingediend tot en met uiterlijk 30 mei 2024. Eisers hebben hun bezwaarschrift ingediend op 4 oktober 2024. Dat betekent dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren omdat het te laat is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de eisers in verzuim zijn geweest. De rechtbank moet dus beoordelen of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest. In dat geval is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 volgt dat de rechtbank, voor het beantwoorden van de vraag of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest, moet beoordelen of het niet tijdig indienen van het bezwaar- of beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Er kan grond bestaan voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook wegens andere redenen. Als de termijnoverschrijding aan de indiener kan worden toegerekend is deze niet verschoonbaar.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
4. Eisers stellen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe voeren zij als eerste aan dat zij ten onrechte niet zijn meegenomen in het voortraject dat heeft geleid tot het verlenen van de vergunning. Verder betwijfelen eisers of het college de aanvraag en het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen op de juiste manier heeft gepubliceerd. Daarnaast stellen eisers dat zij de publicatie van de aanvraag en de vergunning niet hebben gezien, omdat de vergunning ziet op de [adres]. Zij voelen zich geen belanghebbende bij wat daar gebeurt, waardoor zij niet alert zijn op overheidspublicaties over de [adres]. Op de zitting hebben eisers verder aangevoerd dat zij de publicaties wel hebben gezien maar dat daaruit niet duidelijk wordt dat de feitelijke werkzaamheden voornamelijk plaatsvinden aan de [straat 1] en de [straat 2]. Daarom had het college volgens hen de kadastrale percelen waar de werkzaamheden plaatsvinden moeten noemen in de publicaties.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die zouden maken dat eisers niet in verzuim zijn geweest. Hoewel het volgens het college aanbeveling verdient dat vergunninghouders in gesprek gaan met hun buurt is er in dit geval geen verplichte participatie, waardoor dat geen aanvraagvereiste is waaraan is getoetst. Verder stelt het college dat de aanvraag en het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen op de juiste manier zijn gepubliceerd. Dat eisers deze publicaties niet hebben gezien of dat zij de gevolgen van een bouwplan aan de [adres] hebben onderschat is volgens het college geen bijzondere omstandigheid, omdat zij rekening moeten houden met een bouwplan aan een straat die naast of parallel aan hun straat ligt. Zij hadden contact op kunnen nemen met de gemeente om te vragen wat de aanvraag precies inhield en of deze hun belangen zou kunnen beïnvloeden. Ook weegt het college mee dat sprake is van een forse termijnoverschrijding van vier maanden, waardoor de rechtszekerheid van de vergunninghouder in het geding komt als de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet is toe te rekenen aan eisers. Daarom is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank overweegt allereerst dat het college op basis van de rechtsregels die van toepassing zijn niet verplicht was om eisers te betrekken bij het voortraject dat heeft geleid tot het verlenen van de vergunning. Daarom is het ontbreken van participatie geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding niet aan eisers kan worden toegerekend
De rechtbank overweegt verder dat het college de vergunningaanvraag en het besluit om de vergunning te verlenen op de juiste wijze heeft gepubliceerd. De aanvraag ziet namelijk op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. De aanvraag moest daarom gepubliceerd worden in het Gemeenteblad. Dat heeft het college gedaan op 28 november 2023. Deze publicatie is te raadplegen via officielebekendmakingen.nl. Ook het besluit om de vergunning te verlenen moest, zo snel mogelijk na de bekendmaking, in het Gemeenteblad gepubliceerd worden. Deze publicatie van 25 april 2024 is te raadplegen via officielebekendmakingen.nl. Omdat de vergunning ruim binnen de bezwaartermijn is gepubliceerd, konden eisers op tijd kennisnemen van het besluit om de vergunning te verlenen. Dat eisers niet alert zijn op bouwplannen die in straten naast of achter hun huis worden gerealiseerd moet naar het oordeel van de rechtbank voor hun eigen risico komen. Binnen ons systeem is het namelijk de eigen verantwoordelijkheid van eisers is om ervoor te zorgen dat zij op de hoogte raken van het verlenen van vergunningen. Daarom is het feit dat eisers de publicatie van het besluit niet hebben gezien geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding niet aan hen kan worden toegerekend.
Ten aanzien van de stelling van eisers dat uit de publicatie niet duidelijk wordt dat de feitelijke werkzaamheden plaatsvinden aan de [straat 1] en de [straat 2], waardoor het college de kadastrale percelen had moeten noemen in de publicaties, overweegt de rechtbank dat er geen rechtsregel is die het college daartoe verplicht. Van een juridische grondslag op basis waarvan het college de kadastrale percelen had moeten benoemen in de publicaties is niet gebleken. Het college heeft een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning op het adres waar de vergunning voor werd aangevraagd, [adres] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college moet beslissen op een aanvraag zoals deze is ingediend. Het college heeft dan ook een omgevingsvergunning verleend voor [adres]. Als eisers door de publicaties onvoldoende duidelijkheid hadden over het aangevraagde project en de feitelijke gevolgen daarvan, hadden zij contact op kunnen nemen met de gemeente. Eisers hebben onderschat dat een bouwplan aan de straat naast, dan wel parallel aan, hun eigen straat feitelijke gevolgen zou kunnen hebben voor hun belangen. Dat kan gebeuren, maar moet naar het oordeel van de rechtbank wel voor hun eigen risico komen. Daarom is ook dat geen bijzondere omstandigheid die maakt dat dat de termijnoverschrijding niet aan hen kan worden toegerekend.
Had het college eisers moeten horen?
5. Eisers stellen dat het college hen in een hoorgesprek had moeten horen voordat het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Daarom mocht volgens het college op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, worden afgezien van het horen van eisers voordat het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat daarvan sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat het college eisers in een brief van 15 oktober 2024 heeft verzocht aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Eisers hebben daarop gereageerd dat zij de publicaties over de omgevingsvergunning niet hebben gezien omdat zij niet alert zijn op publicaties over de [adres] omdat dat een ver-van-hun-bed-show is en zij zich geen belanghebbenden voelen met betrekking tot werkzaamheden aan de [adres]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift, omdat dit geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat de termijnoverschrijding niet aan eisers kan worden toegerekend. Daarom heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en mocht het afzien van het horen van eisers.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:41
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Artikel 7:2
Artikel 7:3
1. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: