RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 11795353 \ EL EXPL 25-11
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 8 juli 2025- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties in conventie
- de akte uitlaten producties van Dexia
- de bij de stukken gevoegde producties.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.
2. De feiten
[gedaagde] heeft drie effectenleaseovereenkomsten met (de rechtsvoorgangster van) Dexia gesloten (hierna gezamenlijk de overeenkomsten te noemen en individueel aangeduid conform de nummering in onderstaande tabel), te weten:
Nr.
Contract
Datum
Naam
Leasesom
Looptijd
Termijnbedrag
1
[nummer]
23 april 2002
Capital Effect
€ 31.476,60
240 mnd
€ 8.394,00 vooruitbetaald, daarna € 174,87 per maand
2
[nummer]
23 april 2002
Capital Effect
€ 17.791,20
180 mnd
€ 4.744,20 vooruitbetaald, daarna € 98,84 per maand
3
[nummer]
23 april 2002
Capital Effect
€ 9.124,20
180 mnd
€ 50,69 per maand
Bij de totstandkoming van de overeenkomst is Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland als tussenpersoon opgetreden.
In het door Dexia overgelegde financiële overzicht (productie 1 bij de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie) is vermeld dat [gedaagde] op grond van de overeenkomsten in totaal € 15.943,26 aan vooruitbetaling en verdisconteerd in de eindafrekening aan Dexia heeft betaald. De overeenkomsten zijn op 27 september 2006 geëindigd met een batig saldo, van in totaal € 311,50 voor de overeenkomsten gezamenlijk.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [gedaagde] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
Bij brief van 22 september 2006, gericht aan Dexia, heeft de gemachtigde van [gedaagde] de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans, dat de overeenkomst wordt vernietigd, althans wordt ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia verzocht en voor zover nodig gesommeerd onder meer binnen twee weken alle door [gedaagde] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen. Ook nadien zijn meerdere brieven namens [gedaagde] aan Dexia verstuurd.
In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige (Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815).
Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel” (Gerechtshof Amsterdam
1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983). In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven (Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003).
Dexia heeft op 24 februari 2025 voor de overeenkomsten een bedrag van
€ 10.666,28 aan [gedaagde] uitbetaald.
Bij brief van 24 juni 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] Dexia gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [gedaagde] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
3. De vordering
in conventie
[gedaagde] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens [gedaagde] tekort is geschoten op de in de dagvaarding genoemde gronden;
II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [gedaagde] te vergoeden;
III. Dexia te veroordelen om de schade die [gedaagde] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen al hetgeen [gedaagde] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, telkens vanaf de dag der door [gedaagde] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
IV. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [gedaagde] conform rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
V. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede in de nakosten, welke nakosten worden begroot op een half punt van het liquidatietarief met een maximum van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.
Dexia voert verweer.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
Dexia vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten Overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
II. [gedaagde] ex artikel 195 Rv te veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [gedaagde] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan zijn ontleend,
zowel in conventie als in reconventie met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. Het geschil en de beoordeling
in conventie
Schending zorgplicht
[gedaagde] verwijt Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dexia heeft dat als zodanig niet weersproken, maar beroept zich op eigen schuld. Zoals hieronder zal blijken, slaagt het beroep van Dexia op eigen schuld niet. Dit betekent dat vast staat dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden. [gedaagde] verwijt Dexia voorts dat zij haar informatieverplichting heeft geschonden. Gelet op het feit dat de schending van de bijzondere zorgplicht door Dexia al vast staat, zal de kantonrechter dit verwijt onbesproken laten.
Schending artikel 41 NR 1999
[gedaagde] stelt voorts, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar als cliënt te accepteren via Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland, terwijl het Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [gedaagde] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft deze stelling gemotiveerd betwist.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arresten van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
[gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[gedaagde] heeft Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland telefonisch benaderd, omdat zij een persoonlijke lening had met hoge maandlasten en hierover advies wilde. Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [gedaagde] door te nemen met een financieel adviseur van Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland. [gedaagde] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gedaagde] . Zo is gesproken over haar inkomen, de maandlasten en haar koopwoning. Tevens is gesproken over haar wens om haar woning op te knappen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. De adviseur adviseerde [gedaagde] om een nieuw doorlopend krediet af te sluiten bij de Nederlandse Voorschotbank van ongeveer € 25.000,00. Met dit krediet kon zij haar bestaande lening van ongeveer
€ 8.000,00 met hoge maandlasten aflossen. Daarnaast adviseerde de adviseur [gedaagde] om drie Capital Effect producten van Dexia af te sluiten waarvan twee met een vooruitbetaling van € 8.000,00 en € 5.000,00, alsmede één met een maandelijkse inleg van ongeveer
€ 50,00. [gedaagde] diende het krediet van de Nederlandse Voorschotbank aan te wenden om daarmee de vooruitbetalingen te voldoen. [gedaagde] heeft bij de adviseur aangegeven dat zij geen hogere maandlasten wilde dan die zij nu al had van haar huidige lening en op basis daarvan heeft de adviseur de hoogte van het nieuwe krediet en de hoogte van de inleg in de Capital Effect overeenkomsten bepaald. Volgens de adviseur zou [gedaagde] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waarmee zij na vijf jaar al het nieuwe krediet weer zou kunnen aflossen en er zelfs nog geld aan over zou kunnen houden. Om zijn verhaal te ondersteunen heeft de adviseur een rekenvoorbeeld getoond. De adviseur heeft [gedaagde] met dit rekenvoorbeeld laten zien dat zij met de winst van de Capital Effect producten van Dexia het krediet van de Nederlands Voorschotbank weer kon aflossen en er ook nog zo’n
€ 900,00 over zou blijven. Na voldoening van de vooruitbetalingen van de Capital Effect producten en aflossing van haar huidige krediet, zou [gedaagde] volgens de adviseur nog een bedrag van € 4.000,00 overhouden voor het opknappen van haar woning. De adviseur heeft [gedaagde] niet geïnformeerd over de specifieke risico's. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en dat er bovendien een restschuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. [gedaagde] heeft de adviseur zelfs specifiek gevraagd of het ook zou kunnen zijn dat de Capital Effect producten van Dexia niet genoeg zouden opleveren om het krediet weer mee af te lossen. De adviseur antwoordde daarop dat dit doemscenario zich alleen voor zou doen als heel Nederland failliet zou zijn en het openstaande krediet dan de laatste zorg van [gedaagde] zou zijn. Als [gedaagde] op deze risico’s was gewezen, had zij de drie Capital Effect producten niet afgesloten. [gedaagde] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd en drie Capital Effect producten afgesloten, waarvan twee met een vooruitbetaling van € 8.394,00 en € 4.744,20 en één met een maandelijkse inleg van
€ 50,69. De aanvragen zijn door de adviseur in orde gemaakt en de overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. Het door de adviseur geadviseerde krediet bij de Nederlandse Voorschotbank heeft [gedaagde] ook afgesloten.
[gedaagde] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
kopieën van de overeenkomsten, waarop de bedrijfsnaam van de adviseur staat vermeld en een ATP-nummer,
kopieën van de eindafrekeningen,
een rekenvoorbeeld,
een rekeningafschrift,
een screenshot van de website van de adviseur,
een sommatie- en 14-dagen brief.
Aanhoudingsverzoek
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(Nieuwe) argumenten Dexia
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [gedaagde] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [gedaagde] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [gedaagde] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [gedaagde] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen, zodat het bewijsaanbod van Dexia wordt gepasseerd. Dat de gemachtigde van [gedaagde] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagde] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [gedaagde] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). In het arrest van 17 juni 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:3987) heeft het hof wetenschap aangenomen bij een zaak waarin Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland heeft geadviseerd. De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Spaar-Adviescentrum Noord-Nederland haar vrijstelling te buiten is gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen in de vorm van beleggingsadvies en dat Dexia daarvan wist, althans behoorde te weten. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten te verifiëren of zij die kon en mocht aangaan. Door de overeenkomsten met [gedaagde] te sluiten in plaats van te weigeren, heeft Dexia haar verplichtingen ingevolge artikel 41 NR 1999 geschonden.
Onrechtmatige daad
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.
Schade
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat Dexia de door [gedaagde] gevorderde schade, bestaande uit de inleg in de overeenkomsten, volledig dient te vergoeden. De geleden schade is door partijen besproken in de processtukken. [gedaagde] heeft haar schade berekend op € 11.729,40. Dexia heeft deze schadeberekening betwist.
Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 10.666,28 dat zij in februari 2025 aan [gedaagde] heeft voldaan als buitengerechtelijke onverplichte uitkering. Volgens Dexia bestaat dit bedrag voor € 5.974,52 uit rente zodat een bedrag van € 4.691,76 in mindering strekt op de schade. [gedaagde] heeft erkend dat zij dit bedrag heeft ontvangen, maar betwist dat sprake is van € 5.974,52 aan rente. De kantonrechter overweegt dat Dexia de opbouw van het bedrag van € 10.666,28 niet heeft onderbouwd. Het enkel opnemen van dit bedrag in een financieel overzicht (productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) is daarvoor onvoldoende. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [gedaagde] betaalde inleg, waarbij rekening dient te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen (zie hierna). Mocht al eerder een schadevergoeding door Dexia aan [gedaagde] zijn betaald, dan geldt ten aanzien van de verrekening daarvan wat daarover is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag. Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 10.666,28.
Weliswaar zijn aan [gedaagde] omstandigheden toerekenbaar die tot haar schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia). Verder kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [gedaagde] te vergoeden, toewijsbaar is.
Verrekening voordelen
Partijen zijn het erover eens dat daadwerkelijk genoten voordeel op de door [gedaagde] geleden schade in mindering mag worden gebracht. Dit betekent dat het door [gedaagde] ontvangen dividend ten bedrage van € 3.031,31 op de gevorderde schadevergoeding in mindering mag worden gebracht. Ook zijn partijen het erover eens dat [gedaagde] een fiscaal voordeel van € 871,05 heeft genoten.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde vergoeding van al hetgeen [gedaagde] aan Dexia heeft betaald, zal worden toegewezen, verminderd met de opbrengst van de eindafrekeningen, dividenduitkeringen en fiscaal voordeel, zoals hieronder weergegeven.
- Betaalde inleg € 15.943,26 +
Totaal door [gedaagde] betaald € 15.943,26
Opbrengst eindafrekeningen € 311,50
Dividenduitkeringen € 3.031,31
Fiscaal voordeel € 871,05 +
Totaal voordeel € 4.213,86
Daarmee komt de totale schade van [gedaagde] op een bedrag van € 11.729,40. Dit bedrag is Dexia aan [gedaagde] verschuldigd, met dien verstande dat:
de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [gedaagde] aan Dexia heeft betaald, toewijsbaar is (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). De door [gedaagde] gevorderde voldoening van voornoemde bedragen binnen drie weken na betekening van dit vonnis zal als niet betwist eveneens worden toegewezen; en
daarop vervolgens het bedrag dat Dexia in februari 2025 aan [gedaagde] heeft voldaan (€ 10.666,28) in mindering dient te worden gebracht, conform hetgeen is overwogen in r.o. 4.20.
Buitengerechtelijke kosten
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
Proceskosten
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het toe te wijzen bedrag. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2,5 punten x € 288,00) +
totaal € 954,47
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald, met inachtneming van het gevorderde bedrag van € 100,00. De gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis.
in reconventie
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [gedaagde] .
Dexia heeft daarnaast een vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [gedaagde] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [gedaagde] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [gedaagde] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [gedaagde] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in haar voorwaardelijke incidentele vordering.
Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op € 576,00 (2 punten × € 288,00) aan salaris gemachtigde.
5. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht);
verklaart voor recht dat [gedaagde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [gedaagde] te vergoeden;
veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 4.25, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 954,47, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 100,00, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 5.3., 5.4. en 5.5.;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
verklaart Dexia niet-ontvankelijk in haar voorwaardelijke incidentele vordering;
wijst de overige vorderingen van Dexia af;
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 576,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
48299/wh