ECLI:NL:RBNNE:2026:906

ECLI:NL:RBNNE:2026:906

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer LEE 23/3921, 23/3923 en 23/4189
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Einduitspraak na tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het college de gebreken in de besluitvorming heeft hersteld met de aanvullende motivering en de onderliggende deskundigenonderzoeken (verkeer en geluid). Met het verkeersonderzoek heeft het college inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn voor de verkeersveiligheid en waarom het college dit aanvaardbaar acht. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de gekozen inritconstructie de veiligste oplossing is en dat de straat, waar het verkeer op uitkomt vanaf de uitrit, het aantal (extra) verkeersbewegingen ruimschoots op kan vangen. Met het akoestisch onderzoek heeft het college inzichtelijk gemaakt dat de realisatie van de parkeerplaats niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. In het onderzoek is een juiste invulling gegeven aan het maatgevende gebruik, waarbij gebruik door bezoekers, werknemers en de eigenaar van de State is meegenomen. Ook heeft het onderzoek gekeken naar geluid bij gebruik in de avonduren. Het onderzoek heeft de af te wegen belangen in kaart gebracht. Op grond van de beperkte overschrijding van het maximale geluidniveau in de avond op één woning, en gelet op het soort geluid (dichtslaande portieren) en de bezwaren tegen het nemen van maatregelen om het maximale geluidniveau verder te beperken, heeft het college kunnen concluderen dat de vergunning toch verleend kon worden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser I,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 23/3921, 23/3923 en 23/4189

[eiser 2] , eiser II,

[eiser 3] , eiser III,

uit [woonplaats] , gezamenlijk te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, het college

(gemachtigde: F.P. Doting).

Als derde-partij neemt aan het geding deel Gemeente Smallingerland te Drachten, derde-partij.

Procesverloop

In het besluit van 23 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van tien parkeerplaatsen en het maken van een uitrit op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2024. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is D. de Haan verschenen.

In de tussenuitspraak van 13 februari 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

In de tweede tussenuitspraak van 7 mei 2025 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om de gebreken te herstellen, verlengd tot twee weken na verzending van de verlengingsuitspraak.

Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend, waarbij het college twee deskundigenrapporten heeft overgelegd. Dit betreffen een akoestisch rapport van DGMR en een verkeerskundig rapport van Over Verkeer en Meer.

Eisers I en II hebben hierop schriftelijke gereageerd.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en J. de Booij. Namens derde-partij is D. de Haan verschenen.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college onvoldoende onderzocht heeft wat de gevolgen van het gebruik van het parkeerterrein voor het woon- en leefklimaat van de dichtstbij het parkeerterrein gelegen woning van eisers I en II zouden zijn. De akoestische gevolgen zijn onvoldoende in beeld gebracht. Daarmee heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd dat bij de woning van eisers I en II sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook ten aanzien van de verkeersveiligheid, heeft het college onvoldoende onderzocht wat het toegestane gebruik voor gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid ter plaatse. Een verkeersonderzoek ontbreekt. Ook op dit punt is geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen, via een aanvullende motivering of een nieuw besluit. Daarbij dient het college te motiveren waarom het gerealiseerde parkeerterrein niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat voor de nabijgelegen woning en waarom het project niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Daartoe moest het college op een inzichtelijke en controleerbare manier de gevolgen van het project voor het woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid in beeld brengen.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank ook geoordeeld dat niet gebleken is dat het verplaatsen van het parkeerterrein niet uitvoerbaar is of in strijd is met gemeentelijk beleid. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank nog geen oordeel gegeven over de beroepsgrond van eisers over alternatieven, omdat het college bij gebruikmaking van de herstelmogelijkheid zou moeten bezien of het aangevraagde project aanvaardbaar was en of de verleende omgevingsvergunning ongewijzigd in stand zou blijven.

3. Het college heeft ervoor gekozen het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten en de gebreken te herstellen met een aanvullende motivering. Daarbij heeft het college een akoestisch onderzoek overgelegd van DGMR en een verkeersonderzoek van Over Verkeer en Meer. Het college stelt zich op basis van deze onderzoeken op het standpunt dat voldoende onderbouwd is dat het woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid niet onaanvaardbaar aangetast worden door realisatie van het parkeerterrein.

Verkeersveiligheid

4. Eiser II stelt dat het in het verkeersrapport van Over Verkeer en Meer genoemde aantal van 1.350 verkeersbewegingen per dag een verdubbeling betekent van het aantal verkeersbewegingen voordat het parkeerterrein aangelegd was. Daarvoor wordt verwezen naar verkeerstellingen door omwonenden. Bovendien staat de helft van de State nu leeg. Eiser II vraagt zich dan ook af wat het aantal verkeersbewegingen zal zijn bij een volledig verhuurd pand. De totale capaciteit van 5.000 tot 6.000 verkeersbewegingen die de straat, volgens de CROW-normen, aan zou moeten kunnen acht eiser II voor een 30 km-zone en rustige woonomgeving buitenproportioneel. Deze weg is bedoeld voor minder auto’s, maar het tegenovergestelde vindt hier nu plaats. Het rapport stelt bovendien dat er maar weinig te hard wordt gereden. Eiser II vraagt zich daarom af waarom er dan alsnog snelheidsremmende maatregelen moeten worden genomen. Eisers I en III hebben zich hierbij aangesloten.

Het college verwijst naar het verkeersrapport van Over Verkeer en Meer en stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid niet in het geding is door de realisatie van het parkeerterrein. Het parkeren vindt apart van de rijbaan plaats en de uitritconstructie biedt de meest veilige oplossing voor deze situatie. Voor verkeersdeelnemers blijkt ook duidelijk de voorrangssituatie.

De rechtbank stelt vast dat het college aan de aanvullende motivering een deskundigenonderzoek ten grondslag heeft gelegd. In het bestreden besluit ging het college nog uit van het gebruik van het parkeerterrein door alleen werknemers van de State. De rechtbank stelt vast dat in de aanvullende motivering en het onderliggende verkeersonderzoek van Over Verkeer en Meer (hierna: het verkeersonderzoek) wordt uitgegaan van gebruik van het parkeerterrein door de eigenaar, werknemers en bezoekers van de State. Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het parkeerterrein bestemd is voor deze groep en dat de verleende vergunning ook daarvoor geldt. Een verdere beperking is in de vergunning niet gemaakt. Met de vergunde inrichting van het parkeerterrein en het bij het parkeerterrein geplaatste bordje heeft het college ook voldoende duidelijk gemaakt dat alleen gebruik door deze groep toegestaan is. In het verkeersonderzoek mocht dit gebruik daarom ook als uitgangspunt genomen worden. Voor zover eisers aanvoeren dat het parkeerterrein ook zou (kunnen) worden gebruikt door anderen is dat in strijd met de verleende vergunning en daarmee een handhavingskwestie. Datzelfde geldt voor het gebruik van het parkeerterrein voor meer dan tien parkeerplaatsen. Bovendien heeft het college in de aanvullende motivering aangegeven zo nodig te overwegen om een passend hekwerk te plaatsen indien dat nodig zou zijn om de private situatie te onderstrepen, maar dat hiervoor geen noodzaak blijkt.

Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de deskundige heeft geconcludeerd dat het gebruik van het parkeerterrein niet leidt tot een onveilige verkeerssituatie op de [straat 1] . In het verkeersonderzoek wordt daartoe van belang geacht dat het parkeren apart van de rijbaan plaatsvindt waardoor geen gevaarlijke situaties met fietsende scholieren of ander verkeer ontstaan. Bovendien is de uitritconstructie volgens de deskundige de meest verkeersveilige oplossing voor deze situatie en is de uitrit ook op de juiste wijze ingericht. De zichtlijnen vanuit de uitrit zijn goed en het is voor verkeersdeelnemers duidelijk dat het een voorrangssituatie is. In het onderzoek wordt erkend dat door de extra verkeersbewegingen extra conflictpunten ontstaan, maar dit leidt volgens de deskundige niet tot onveilige situaties vanwege de lage snelheden op de [straat 1] en de goede zichtbaarheid. In het onderzoek wordt verder geconcludeerd dat de [straat 1] een erftoegangsweg is binnen een 30 kilometerzone met een maximale capaciteit van 5.000 à 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De vastgestelde verkeersintensiteit van 1.350 voertuigen per etmaal blijft daar ruim onder. Ook ten aanzien van de verkeersintensiteit leidt de realisatie van het parkeerterrein daarom, volgens het onderzoek, niet tot problemen.

De rechtbank is van oordeel dat het college met het verkeersonderzoek en de aanvullende motivering voldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat het gebruik van het vergunde parkeerterrein voor gevolgen heeft voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid. Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft het college mogen concluderen dat de realisatie van het parkeerterrein niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid. Eisers zijn het niet eens met de conclusies en aannames in het onderzoek. Hetgeen eisers daarover aangevoerd hebben, is voor de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. In het verkeersonderzoek worden gegevens en getallen gehanteerd uit de richtlijnen van het CROW. Het gebruik van deze richtlijnen is erkend en gebruikelijk in verkeersonderzoeken. Het verkeersonderzoek is verricht door een deskundige. Eisers hebben geen tegenonderzoek in het geding gebracht. De enkele stelling van eisers dat een verkeerscapaciteit van 5.000 à 6.000 motorvoertuigen per etmaal voor de [straat 1] buitenproportioneel zou zijn, is niet voldoende om de conclusies uit het verkeersonderzoek niet te volgen. Eisers stelling dat met de komst van het parkeerterrein het aantal verkeersbewegingen verdubbeld is en dat bovendien geen rekening is gehouden met een volledig bezette State kan, wat daar verder van zij, evenmin tot een ander oordeel leiden, omdat dan nog steeds de conclusie uit het onderzoek overeind blijft dat de [straat 1] het aantal extra verkeersbewegingen ruimschoots op kan vangen en dat er geen onaanvaardbare gevolgen zijn voor de verkeersveiligheid.

Ten aanzien van de snelheidsremmende maatregel is op zitting gebleken dat de weginrichting nabij het parkeerterrein inmiddels is gewijzigd. Er is een zogenaamde attentie-punaise gerealiseerd. Gelet op de bevindingen van de verkeersdeskundige over de verkeerveiligheid ter plaatse, de toelichting van het college op zitting dat het een aanvullende en geen noodzakelijke maatregel is om de verkeersveiligheid te borgen en het feit dat de maatregel inmiddels is gerealiseerd, is thans voldoende duidelijk dat hierover geen voorschrift in de vergunning nodig was.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek ten aanzien van de verkeersveiligheid met het nadere (deskundigen)onderzoek en motivering is hersteld. Dit betreft zowel het onderdeel ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als het onderdeel ‘maken van een uitweg’ van het bestreden besluit.

Woon- en leefklimaat (geluid)

5. Eiser II voert aan dat uit het rapport van DGMR blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet beperkt is. Uit het rapport volgt dat 70 auto’s gebruik zullen maken van het parkeerterrein. Volgens het rapport zal er maximaal door tien personenauto’s gelijktijdig worden geparkeerd, maar dit aantal wordt volgens eiser II veelvuldig overschreden. Het geplaatste bordje dat ervoor moet zorgen dat alleen bezoekers van de State gebruik zullen maken van het parkeerterrein, heeft geen enkele juridische betekenis. Eiser II vraagt zich dan ook af hoe het toegestane gebruik geborgd zal worden. Verder heeft eiser II zijn zorgen geuit over bewoning van de State en de mogelijke ontwikkeling tot appartementengebouw. Eiser II vreest de gevolgen wanneer er door permanente bewoning dag en nacht geparkeerd kan worden. Hij wijst er op dat één van de gebruikers overnacht in de State. Eiser I stelt dat de geluidoverlast in zijn woning hoger zal zijn dan waarvan in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan. Het rapport gaat uit van gesloten ramen, maar door onregelmatige werktijden wordt er ook overdag geslapen. Overdag en ’s avonds zijn de ramen (enkel glas) open. Hierdoor zal het geluidsniveau in de woning 70 dB(A) zijn, wat onaanvaardbaar is. Eiser I vindt daarom dat het bezoekersparkeren niet op het parkeerterrein mag plaatsvinden, zodat het aantal verkeersbewegingen zo laag mogelijk blijft en de geluidsoverlast van parkeren daardoor ook.

Het college verwijst naar het rapport van DGMR en stelt zich op het standpunt dat uit dit rapport volgt dat er ook bij de woning van eisers I en II sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Uit het rapport volgt ook dat de overschrijding van het maximale geluidniveau bij één woning in de avond beperkt is in omvang en duur. De overschrijding wordt veroorzaakt door dichtslaande autoportieren en het aantal verkeersbewegingen op het parkeerterrein in de avondperiode is beperkt tot maximaal dertien auto’s. Het is niet mogelijk deze verkeersbewegingen verder terug te brengen. Bron- en organisatorische maatregelen zijn niet mogelijk. Ook een overdrachtsmaatregel in de vorm van een scherm is vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt niet mogelijk. Het gaat bovendien om een omgevingseigen geluid dat niet te onderscheiden is van het dichtslaan van andere portieren in de omgeving. Het college is daarom van mening dat de overschrijding in dit geval aanvaardbaar is. De realisatie van het parkeerterrein en het toegestane gebruik daarvan zullen dus niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

De rechtbank stelt vast dat het college voor de motivering van de ruimtelijke aanvaardbaarheid aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (hierna: VNG-brochure). In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college gebruik mocht maken van de VNG-brochure. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het college uit kon gaan van een gemengd gebied en dat het navolgbaar is dat het college aansluit bij richtafstanden voor een parkeerterrein. Voor de aanvullende motivering heeft het college zich gebaseerd op akoestisch onderzoek van DGMR (hierna: het akoestisch onderzoek). Hierin is gebruik gemaakt van de systematiek uit de VNG-brochure. DGMR is uitgegaan van het planologisch toegestane gebruik van de State. Het akoestisch onderzoek heeft verder gebruikgemaakt van de CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers’ en heeft de kengetallen voor het meest belastende (toegestane) gebruik gehanteerd. Daarbij is uitgegaan van de functie ‘commerciële dienstverlening’. Op grond van deze gegevens komt DGMR in het akoestisch rapport tot de conclusie dat in de dagperiode maximaal 70 personenauto’s te verwachten zijn en in de avondperiode maximaal dertien personenauto’s, waarbij voor het aantal verkeersbewegingen uitgegaan is van tweemaal het aantal personenauto’s per dagdeel. In de nachtperiode worden geen verkeersbewegingen verwacht.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich wat betreft het maatgevende gebruik van het parkeerterrein redelijkerwijs heeft mogen baseren op het akoestisch onderzoek. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat DGMR niet is uitgegaan van een representatieve invulling van wat op grond van het bestemmingsplan “Drachten Noord-Oost” maximaal is toegestaan binnen de bestemming “Gemengd-1”. Daarbij is de maximale verkeersgeneratie voor de functie ‘Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)’ gehanteerd. Hierdoor is rekening gehouden met het gebruik door bezoekers, naast het gebruik door werknemers en de eigenaar. Hiervoor is al overwogen dat in de bestreden omgevingsvergunning geen beperking voor het gebruik van bezoekers is opgenomen. Daarmee is in het onderzoek rekening gehouden. In het akoestisch onderzoek is bovendien rekening gehouden met het mogelijke gebruik in de avondperiode. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat met de verleende vergunning, de inrichting van het parkeerterrein en het bij het parkeerterrein geplaatste bordje niet voldoende geborgd is dat alleen gebruik door deze groep toegestaan is. Voor zover het parkeerterrein ook zou worden gebruikt door anderen dan gebruikers, de eigenaar en bezoekers van de State is dat in strijd met de verleende vergunning. Datzelfde geldt voor het gebruik van het parkeerterrein voor meer dan tien parkeerplaatsen. Voor zover eiser II zorgen heeft geuit voor de parkeergevolgen van een appartementengebouw in de State, met mogelijke gevolgen gedurende de gehele dag, overweegt de rechtbank dat de ter plaatse geldende bestemming daarin niet voorziet. Daarmee heeft het college (en DGMR in het akoestisch onderzoek) geen rekening hoeven houden.

Eiser I voert nog aan te vrezen voor te hoge akoestische belasting in zijn woning. Daarbij wijst hij er op dat ramen meestal open staan. Het college acht de akoestische gevolgen voor de omgeving niet onaanvaardbaar en legt daaraan het akoestisch onderzoek van DGMR ten grondslag. DGMR geeft in het akoestisch onderzoek aan de systematiek uit de VNG-brochure toegepast te hebben. Omdat niet wordt voldaan aan de afstandseis (stap 1), is een akoestisch onderzoek verricht (stap 2). Hieruit blijkt dat met het project kan worden voldaan aan de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dagperiode en avondperiode op de omliggende woningen. Dat geldt ook voor de maximale geluidsniveaus, behoudens de woning van eisers I en II. Hier wordt het maximale geluidsniveau in de avondperiode van 65 dB(A) overschreden (70 dB(A)). Dat komt door het geluid van dichtslaande portieren. DGMR heeft toegelicht dat, omdat deze overschrijding samenhangt met aan- en afrijdend verkeer, het college moet motiveren waarom de geluidsbelang toch aanvaardbaar wordt geacht (stap 3). DGMR heeft in paragraaf 6.4.1 van het akoestisch rapport uiteengezet waarom DGMR de situatie aanvaardbaar acht. Het college heeft dat overgenomen.

De rechtbank overweegt ten eerste dat DGMR deskundig is op het gebied van geluid. De rechtbank stelt vast dat in het akoestisch rapport de af te wegen belangen in beeld zijn gebracht. Daarbij heeft DGMR vastgesteld dat het nemen van maatregelen om het maximale geluidniveau te verlagen niet mogelijk is in verband met organisatorische en ruimtelijke bezwaren. Daarbij wordt erop gewezen dat een andere ontsluitingsroute niet mogelijk is, omdat uit een locatiestudie deze locatie naar voren is gekomen. Verder heeft DGMR geconcludeerd dat de overschrijding van het maximale geluidniveau zich alleen voordoet door het sluiten van autoportieren in de avondperiode en dat het aantal personenauto’s in de avondperiode maximaal dertien zal bedragen. DGMR wijst erop dat het gezien de functie van de State en het feitelijk gebruik niet aannemelijk is dat deze situatie zich dagelijks voordoet. Het aantal geluidpieken is daarnaast beperkt omdat er tien parkeerplekken zijn. Bovendien betreft het sluiten van portieren een geluid dat normaliter eveneens in de omgeving van de woning van eisers I en II te horen is, gelet op de ligging van deze woning. DGMR acht het sluiten van portieren op het vergunde parkeerterrein akoestisch niet te onderscheiden van het sluiten van de portieren in de omgeving. Tot slot heeft DGMR in het akoestisch onderzoek toegelicht dat, gelet op de te verwachten gevelwering van 20 dB(A), het maximale geluidniveau in de relevante geluidgevoelige ruimten ten hoogste 50 dB(A) bedragen in de avondperiode, waardoor geen schrikreacties of slaapverstoring op zullen treden. Op basis van het voorgaande komt DGMR tot de conclusie dat het maximale geluidniveau in de avondperiode aanvaardbaar is. Het college volgt dat deskundigenoordeel en heeft dat ook in de aanvullende motivering uiteengezet. Eisers hebben hier geen tegenrapport tegenover gesteld. Wel wijst eiser I op enkele bijzondere omstandigheden die voor hem gelden (het onregelmatig werken en de keuze voor open ramen). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet heeft mogen baseren op het deskundigenrapport van DGMR. Het college heeft bovendien een eigen afweging gemaakt die blijkt uit de aanvullende motivering. De rechtbank ziet geen grond van het oordeel dat het college redelijkerwijs niet tot die motivering heeft kunnen komen. De bijzondere omstandigheden die eiser I aanvoert geven geen aanleiding om anders te oordelen.

Alternatieven

6. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank nog geen oordeel gegeven over de beroepsgrond van eisers dat het college onvoldoende gekeken heeft naar alternatieven die door omwonenden zijn aangedragen. De reden daarvoor was dat het college nog de mogelijkheid kreeg om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen en nog niet duidelijk was of het bestreden besluit ongewijzigd in stand zou blijven en dus nog niet duidelijk was of het college voor een alternatieve oplossing zou kiezen. Nu het college het bestreden besluit ongewijzigd in stand heeft gelaten, zal de rechtbank deze beroepsgrond van eisers beoordelen.

Volgens vaste rechtspraak dient het college te besluiten op de aanvraag zoals die is ingediend. Als het aangevraagde project op zichzelf aanvaardbaar is, noopt het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat zo’n situatie zich voordoet. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dergelijke alternatieven bestaan. De rechtbank licht dat hierna verder toe.

Het Van Haersmapark is een rijksmonument. In de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat de realisatie van het parkeerterrein onderdeel is van de renovatie van het Van Haersmapark. Het aantal parkeerplaatsen voor de State is altijd beperkt geweest. Dat had als gevolg dat er in het park werd geparkeerd. Dit doet volgens de ruimtelijke onderbouwing afbreuk aan de kwaliteit van het park en de uitstraling van de state. Eén van de doelstellingen van het verbeteren van het park is een beterbeeld op de State te realiseren vanaf de [straat 2] . Daarom wordt met het vergunde project voorzien in een parkeervoorziening op een andere locatie. Het college heeft toegelicht dat er verschillende locaties zijn bestudeerd, maar dat de vergunde locatie de enige haalbare locatie is. Met de keuze voor deze locatie hoeven geen monumentale bomen te worden gekapt en er bestaat geen risico op aantasting van of schade aan monumentale bomen. Voor dit project is een positief advies gegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg (Hûs en Hiem).

Voorafgaand aan het bestreden besluit is een aantal locaties beoordeeld en ook omwonenden hebben alternatieven aangedragen. Het college heeft in de nota van zienswijzen en het verweerschrift toegelicht dat deze alternatieven niet wenselijk zijn. Het college heeft daartoe aangevoerd dat onder leiding van een onafhankelijke derde (Arendz) met alle betrokkenen is gekeken of tot een breed gedragen oplossing kon worden gekomen. Daarbij zijn meerdere alternatieven de revue gepasseerd. Twee daarvan zijn nader door het college onderzocht. Het eerste betreft het alternatief dat partijen de combinatie P5/P6 noemen. Dit alternatief kwam naar voren als te onderzoeken alternatief uit het advies van Arendz. Deze is voorgelegd aan de RCE, Hûs en Hiem en aan het Steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Het college heeft toegelicht dat hierover negatief is geadviseerd. Vervolgens heeft het college nog gekeken naar een alternatief van omwonenden over parkeren aan de zuidzijde van het park onder bestaande bomen. Dit alternatief is nader onderzocht door een onafhankelijk bureau (Boom KCB). De conclusie was dat door dat alternatief uiteindelijk enkele oude bomen zouden afsterven. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende heeft toegelicht dat met de hiervoor besproken alternatieven geen gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In wat eisers verder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat deze of andere alternatieven, voor het college aanleiding hadden moeten zijn om de aangevraagde vergunning te weigeren. Het enkele feit dat met een andere locatie meer tegemoet zou komen aan de belangen van eisers, is daarvoor niet voldoende.

Overige gronden

7. Ter nadere zitting heeft eiser II nog enkele gronden aangevoerd waarover de rechtbank in de tussenuitspraak al geoordeeld had, namelijk over de uitvoerbaarheid van de verplaatsing van het parkeerterrein. Op grond van vaste rechtspraak kan de rechtbank alleen in uitzonderlijke gevallen terugkomen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank zal deze gronden dan ook niet opnieuw beoordelen en verwijst naar de tussenuitspraak (onder 8 e.v.).

8. Op zitting heeft eiser II de grond over de hoogte van de (liguster)haag ingetrokken.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak de door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat komt er op neer dat derde-partij gebruik mag maken van de verleende omgevingsvergunning.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Dat betekent dat het college aan elk van de eisers een bedrag van € 184,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers I, II en III gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers I, II, en III te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?