RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
de burgemeester van de gemeente Meppel (burgemeester)
en in zaak LEE 26/800 tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel (het college)
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/670 en LEE 26/800
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in zaak LEE 26/670 tussen
[naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoeker, en [naam 2], uit [woonplaats 2] , verzoekster
gezamenlijk: verzoekers(gemachtigde: mr. G.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. E.M. Oskam),
[naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoeker, en [naam 2], uit [woonplaats 2] , verzoekster
gezamenlijk: verzoekers(gemachtigde: mr. G.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. E.M. Oskam).
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over sluiting van de woning op het [adres] (woning) en over het opleggen van een last onder dwangsom. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om voorlopige voorzieningen en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. De sluiting van de woning wordt geschorst, maar de last onder dwangsom niet. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van de besluiten en procesverloop
2. Op 3 juli 2018 zijn verzoekers eigenaar geworden van de woning. De woning is sindsdien niet bewoond.
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie Eenheid Noord-Nederland van 23 december 2025 en een aanvullende bestuurlijke rapportage van 9 februari 2026 zijn in de jaren 2021 tot en met 2025 (al dan niet anonieme) meldingen gedaan en door de politie waarnemingen gedaan over mogelijk verdachte situaties in of rond de woning. Deze meldingen en waarnemingen hebben eerder niet geleid tot een strafrechtelijk onderzoek omdat er geen indicatie was dat een hennepkwekerij aanwezig was. Wel was er informatie dat verzoeker zich bezighield met opslag en bezit van niet strafbare synthetische drugs (designerdrugs of Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS)).
Op 13 augustus 2025 heeft de politie met verzoeker een stopgesprek gevoerd omdat NPS per 1 juli 2025 op de nieuwe Lijst IA van de Opiumwet is geplaatst. In dit gesprek heeft verzoeker bevestigd dat de chemische website www.homechemistry.nl van hem is.
Op 25 november 2025 heeft de politie de woning doorzocht. Rondom het pand hingen dome-camera’s. De bestuurlijke rapportage beschrijft dat de binnenzijde van het pand was gestript zodat de kale muren en losse elektrabekabeling zichtbaar waren. Op de begane grond was een ruimte afgesloten door een grote stalen deur, met daarbinnen een grote kluisdeur. In de kluisruimte stonden vijf vrieskisten. Onder deze ruimte bleek een kelder aanwezig die slechts bereikbaar was via een lift. In deze kelder stonden dertien kasten. In de kluisruimte en de kelder zijn grote hoeveelheden van de volgende stoffen aangetroffen: N-N Dipropyltryptamine, Noopept, O-DSMT-tabletten, 2-Fluoro-Ketamine (2-FDCK), LSD-delicaten, AMT, O-PCE-tabletten, LSD (niet strafbaar), 4ACODET, Tragacantha, LSZ, 3MEPCE, 5MEOMIPT.2 en HHC-lolly’s. Het totaal van de stof 2-FDCK had een nettogewicht van 27043,74 gram.
Op 19 februari 2026 hebben een toezichthouder en de burgemeesters gemachtigde de woning bezocht. Uit het rapport en de bijgevoegde foto’s blijkt dat de woning ook op dat moment nog niet voor bewoning geschikt was. De vijf vrieskisten vermeld in de bestuurlijke rapportage bleken niet meer aanwezig te zijn. Het was niet mogelijk om de kelder te bekijken omdat, naar mededeling van verzoeker, de afstandsbediening van de lift door de politie was meegenomen.
Bij besluit van 26 februari 2026 (besluit I) heeft de burgemeester door middel van een last onder bestuursdwang de woning gesloten voor de duur van drie maanden, met ingang van 4 maart 2026. De burgemeester baseert de sluiting op verscheidene artikelen van de Opiumwet en op artikel 174a van de Gemeentewet.
Bij besluit van 10 maart 2026 (besluit II) heeft het college door middel van een last onder bestuursdwang de woning gesloten voor de duur van drie maanden, gelijklopend met de sluiting op grond van de Opiumwet. Tevens heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat de woning binnen negen maanden uitsluitend overeenkomstig de woonbestemming gebruikt dient te worden. Het college baseert de sluiting op artikelen van de Woningwet.
Verzoekers hebben tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoekers en namens de burgemeester en het college de gemachtigde, J.J. Feddes, S. Boersma, S. Lindaart en J. Sikkes.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Besluit I (LEE 26/670)
3. De burgemeester baseert de sluiting primair op: artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, subsidiair op artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 11a, van de Opiumwet en meer subsidiair op artikel 174a van de Gemeentewet.
Ter onderbouwing van de sluiting op grond van de Opiumwet brengt de burgemeester naar voren dat ten tijde van het besluit de stoffen 2-FDCK en HHC op Lijst I van de Opiumwet zijn geplaatst.
De voorzieningenrechter overweegt dat de stof 2-FDCK ten tijde van het besluit inderdaad is opgenomen op Lijst I van de Opiumwet, maar nog niet ten tijde van de doorzoeking van de woning. De stof HHC was op beide data niet opgenomen op Lijst I van de Opiumwet.
Dit betekent dat de burgemeester aan de Opiumwet niet de bevoegdheid kan ontlenen om handhavend op te treden, bijvoorbeeld in de vorm van sluiting van de woning. Ten tijde van de doorzoeking van de woning op 25 november 2025 waren in de woning geen stoffen aanwezig die op dat moment op een van de lijsten van de Opiumwet waren opgenomen. Evenmin is gebleken dat dit op een later tijdstip het geval was. De burgemeester is dus niet bevoegd de sluiting te baseren op de Opiumwet.
Over de sluiting op grond van artikel 174a van de Gemeentewet brengt de burgemeester naar voren dat de combinatie van jarenlange leegstand en hermetische afsluiting van de woning, structurele meldingen van omwonenden over onverklaarbare en mogelijk ondermijnende activiteiten, de aanwezigheid van camera’s, een stenen muur en andere beveiligingsmaatregelen, de feitelijke aanwending van de woning als opslag- en distributiepunt voor grote hoeveelheden designerdrugs met ernstige gezondheidsrisico’s, de bekendheid van de woning in de media als centrum van handel in designerdrugs, maakt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving in ernstige mate zijn verstoord. Daarbij komt dat de activiteiten rond de woning aanzienlijke risico’s voor de volksgezondheid meebrengen, juist omdat designerdrugs ernstige gezondheidsproblemen en overlijdens kunnen veroorzaken.
De voorzieningenrechter overweegt dat, zoals uit de stukken blijkt, de woning niet als zodanig werd gebruikt maar als opslagplaats van chemische stoffen. Hoewel dit onwenselijk is (zoals hieronder ook aan de orde komt bij de bespreking van besluit II), blijkt niet dat dit gebruik als opslag tot een concrete verstoring van de openbare orde heeft geleid. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is ook niet naar voren gekomen dat er momenteel wel een dreiging is dat de openbare orde verstoord zal worden. In dat verband is van belang dat niet is vast komen te staan dat zich in de woning verboden stoffen bevinden.
Omdat niet is gebleken dat er een actuele verstoring van de openbare orde is of daarvoor de actuele vrees bestaat, oordeelt de voorzieningenrechter dat artikel 174a van de Gemeentewet geen grondslag biedt voor de sluiting. Hiertoe is de burgemeester dus niet bevoegd.
Besluit II (LEE 26/800)
4. Het college baseert de sluiting van de woning en het opleggen van de last onder dwangsom op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, volgens welke bepaling het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Het college licht toe dat het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het omgevingsplan een omgevingsplanactiviteit is.
De voorzieningenrechter overweegt dat de woning vanaf 2018 niet is gebruikt overeenkomstig de functie wonen die aan de locatie in kwestie is toegekend. Dit levert inderdaad een overtreding op van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Dat zich een overtreding voordoet, leidt tot de bevoegdheid (en de beginselplicht) om tot handhaving over te gaan. Die bevoegdheid komt in dit geval aan het college toe.
Partijen zijn het erover eens dat de woning alsnog geschikt gemaakt moet worden voor bewoning. Verzoekers stellen daar ook mee bezig te zijn door werkzaamheden te laten verrichten aan de woning, maar gezien de situatie van de afgelopen jaren heeft het college er geen vertrouwen in dat dit zonder handhavingsmaatregelen daadwerkelijk zal gaan gebeuren.
Het gebruik van de handhavingsbevoegdheid dient te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient het bestreden besluit, indien bevoegd genomen, geschikt en noodzakelijk te zijn om de beoogde doelen te bereiken en dient de genomen maatregel evenwichtig te zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het college gezien de voorgeschiedenis terecht over tot handhaving. De voorzieningenrechter acht het opleggen van een last onder dwangsom daarvoor een geschikt middel dat ook noodzakelijk is gezien het langdurige afwijkende gebruik. De last onder dwangsom houdt in dat verzoekers het gebruik van de woning volledig in overeenstemming dienen te brengen met de woonfunctie en dat verzoekers zich onthouden van ieder gebruik van de woning dat in strijd is met deze woonfunctie. De begunstigingstermijn van negen maanden, ingaande op 1 april 2026, acht de voorzieningenrechter niet te kort. Of de hoogte van dwangsom terecht is bepaald op € 25.000,- per overtreding dan wel per dag dat deze voortduurt, tot een maximum van € 250.000,-. dient in de heroverweging op bezwaar aan de orde te komen. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de last als onevenwichtig aan te merken. De last is dus niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter ziet echter niet in hoe de sluiting van de woning op adequate wijze kan leiden tot gebruik van de woning overeenkomstig de toegekende functie wonen. Tijdens de sluiting wordt de woning immers helemaal niet gebruikt, terwijl de werkzaamheden om de woning geschikt te maken voor bewoning, stil zullen liggen. Deze maatregel is dus niet geschikt om het beoogde doel te bereiken en daarmee niet evenredig.
Conclusie en gevolgen
5. Gezien het bevoegdheidsgebrek zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening besluit I schorsen. Gezien de strijd met het evenredigheidsbeginsel zal de voorzieningenrechter besluit II schorsen voor zover hierin is besloten tot sluiting van de woning. Besluit II wordt voor het overige niet geschorst.
Dit betekent dat de sluiting van de woning niet doorgaat. De last onder dwangsom blijft wel van kracht.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester en het college de door verzoekers betaalde griffierechten moeten vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. Het gaat om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, te weten voor het indienen van beide verzoeken en voor het verschijnen ter zitting (3 punten met een waarde van € 934,- per punt).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit I (LEE 26/670);
- schorst het besluit II (LEE 26/800) voor zover hierin is besloten tot sluiting van de woning;
- bepaalt dat de burgemeester en het college gezamenlijk de griffierechten van in totaal € 400,- aan verzoekers moeten vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester en het college gezamenlijk tot betaling van in totaal € 2.802,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
Artikel 11a
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 11
(…)
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Artikel 3a
Lijst I (vanaf 28 januari 2026)
(…)
2-fluordeschloorketamine 2-(2-fluorfenyl)-2-(methylamino)cyclohexaan-1-on
(…)
Gemeentewet
Artikel 174a
1. De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien:
2. De in het eerste lid, aanhef, genoemde bevoegdheid komt de burgemeester eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid, onderdeel a, is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken.
3. De burgemeester bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling of het ontstaan van de ernstige verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.
4. Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de ernstige verstoring van de openbare orde wordt beëindigd of voorkomen. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
Omgevingswet
Artikel 5.1.
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.