RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-118016-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Assen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode omvattende de maand maart 2025 te [plaats] , in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, [slachtoffer] ( [functie] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] meermalen opzettelijk dreigend een enveloppe met daarin een of meer kogel(s) en/of (een) kogelpatro(o)n(en), althans (een of meer onderde(e)l(en) van) munitie en/of een of meer bedreigende en/of beledigende teksten toe te zenden en/of op haar werkadres af te leveren (welke door die [slachtoffer] zijn ontvangen), immers heeft verdachte in voornoemde de navolgende enveloppes verzonden en/of afgeleverd naar/op het adres van het notariskantoor
waar die [slachtoffer] werkzaam is,
2
hij op of omstreeks 15 april 2025 te [plaats] , in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân,
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 en 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode omvattende de maand maart 2025 te [plaats] [slachtoffer] ( [functie] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
door die [slachtoffer] meermalen opzettelijk dreigend een enveloppe met daarin
kogels en bedreigende en beledigende teksten toe te zenden en op haar werkadres af te leveren welke door die [slachtoffer] zijn ontvangen, immers heeft verdachte in voornoemde periode de navolgende enveloppes verzonden en afgeleverd op het adres van het notariskantoor waar die [slachtoffer] werkzaam is,
ontvangen en
- te weten op 26 maart 2025 een enveloppe, geadresseerd aan het kantoor waar die [slachtoffer] werkzaam is en die [slachtoffer] , met daarin twee kogels en briefjes met daarop de tekst: "Jij bent net zo'n gestoord ziek kanker mens als mijn moeder. Loeders zo als jouw hadden ze bij de geboorte moeten "Fürsoepen"! vuil, achterbax kankerwijf. Wacht maar af. IK NEEM ALTIJD WRAAK" en "Jij bent een ziek wijf, Letterlijk en Figuurlijk ik haat jouw jij hebt mij onrecht aan gedaan" en "Jammer dat jij niet dood gaat aan die inteelt spierziekte en daar ga je voor boeten, vuile teef" en "Een ziek wijf ben jij. Je bent een griezel XXL" , welke enveloppe met inhoud op 26 maart 2025 door die [slachtoffer] werd ontvangen;
2.
hij op 15 april 2025 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een machinegeweer (waarvan de loop ontbreekt), van het merk Zastava, model M53, kaliber 8x57, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en 33, (volmantel) kogelpatronen (behorende bij en geschikt om af schieten met bovenvermeld machinegeweer), van het merk Prvi Partizan, kaliber 8x57, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van 9 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ook dient als aanvullende bijzondere voorwaarde een contactverbod te worden opgelegd met aangeefster [slachtoffer] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van deels voorwaardelijke taakstraf aan verdachte in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte drinkt geen alcohol meer en zet zich volledig in voor de behandeling van zijn traumas. Ook komt hij alle afspraken na en heeft hij geen contact meer met aangeefster. Dit betekent dat een contactverbod als aanvullende bijzondere voorwaarde niet nodig is, aldus de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 2 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, te weten het voorhanden hebben van traangas, dat hiermee is afgedaan.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op drie verschillende momenten in maart 2025 enveloppen verstuurd naar het slachtoffer, een [functie] in [plaats] . In alle drie de gevallen was de inhoud een kogel, maar daarnaast werden er bij de tweede en derde envelop ook brieven met teksten bijgevoegd die voor het slachtoffer zeer bedreigend en beledigend waren. Het ging van kwaad tot erger en vooral in de laatste brief beschreef verdachte dat het slachtoffer maar dood moest en werd er gerefereerd aan vreselijke levensbedreigende ziekten. Op geen enkel moment heeft hij toen of daarna het besef of de lef getoond om het slachtoffer, dat hij al jarenlang goed kende, te laten weten dat hij de verzender was. Dat kwam pas aan het licht na een uitgebreid en intensief recherchekundig en forensisch onderzoek.
Voor het slachtoffer en haar omgeving zijn de brieven uiterst bedreigend geweest. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit een grote impact op een slachtoffer heeft en dat het slachtoffer nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kan ervaren, wat ook is gebleken uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. Het slachtoffer sprak daarin over grote angst, boosheid, slapeloze nachten, niet meer alleen over straat durven te gaan en steeds door vrienden of collegas te moeten worden begeleid.
Door zijn handelen heeft verdachte op grove en respectloze wijze de integriteit van het slachtoffer geschaad en bij haar en haar omgeving grote onrust veroorzaakt. Tijdens de behandeling ter zitting heeft hij zijn handelingen in woord en houding voortdurend gebagatelliseerd. De rechtbank ziet de door hem
aangevoerde argumenten dat hij destijds slecht in zijn vel zat en dat hij ten tijde van de gepleegde feiten dronken was, geenszins als verontschuldigend. De brieven zijn doordacht geschreven, geadresseerd, gefrankeerd en doelbewust verstuurd.
Daarnaast heeft verdachte een automatisch wapen in zijn bezit gehad. Het ongecontroleerde bezit van een wapen evenals munitie is in onze samenleving onaanvaardbaar omdat daar misdrijven mee gepleegd kunnen worden, hetgeen verdachte overigens met het verzenden van de patronen ook heeft laten zien.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met het strafblad van verdachte. Weliswaar gaat het daarbij om feiten van oudere datum, maar wel met een alcohol- en/of geweldscomponent. Ook houdt de rechtbank rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport en de toelichting ter zitting van reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] , waaruit op onderdelen een redelijk positief beeld van verdachte blijkt.
De rechtbank acht de oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden passend en geboden ter voorkoming van recidive. Deze voorwaarden komen grotendeels overeen met de voorwaarden die nu in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis gelden. De rechtbank zal het advies volgen om het alcoholverbod te veranderen in een controle op middelengebruik. Hiernaast zal het contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde gehandhaafd blijven. Op de zitting is heel duidelijk geworden dat de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer nog steeds gespannen is. Er is alle reden om als bijzondere voorwaarde te bepalen dat verdachte de komende jaren geen actief contact mag leggen. Het slachtoffer verdient deze bescherming.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, passend en geboden is. De rechtbank stelt de proeftijd vast op 2 jaren en verbindt aan de voorwaardelijke straf de door de reclassering voorgestelde voorwaarden. Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod opnemen met slachtoffer [slachtoffer] .
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 179,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de vordering tot schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad.1
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De
vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
3. dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle en de reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
4. dat veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met het slachtoffer in onderhavige zaak, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1989), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Vordering benadeelde partij
Ten aanzien van [slachtoffer] , feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 179,00 (zegge: honderdnegenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2026.
1. Vgl. Hoge Raad 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:840.