RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Coevorden, verweerder.
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/417
(gemachtigde: mr. O. Smits),
en
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van om de woning van eiser te sluiten vanwege het bezit van handelshoeveelheden drugs.
Op 27 augustus 2024 heeft verweerder het besluit genomen om aan eiser een last onder bestuursdwang op te leggen en zijn woning met ingang van 16 september 2024 voor een periode van zes maanden te sluiten, tot en met 16 maart 2025. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft op 11 september 2024 (onder andere) uitgesproken dat verweerder het besluit moet heroverwegen en beter moet motiveren.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het eerste besluit gewijzigd door de woning met ingang van 30 januari 2025 te sluiten voor de resterende sluitingstijd, tot en met 16 maart 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit en opnieuw een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft op 5 maart 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de werking van het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op het beroep.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. Vast is komen te staan dat de woningsluiting uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is van oordeel dat eiser hierdoor geen concreet actueel procesbelang heeft. Eiser kan met het beroep immers niet meer het doel bereiken dat hem voor ogen staat. Ook heeft eiser onvoldoende aangevoerd waarom hij toch meent procesbelang te hebben. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Wel is de rechtbank van mening dat er aanleiding bestaat om verweerder op te dragen het griffierecht en de proceskosten van eiser te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het bestreden besluit namelijk nadrukkelijker kunnen intrekken.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook moet hij de vergoeding van eisers proceskosten betalen.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en hij heeft de zitting bijgewoond. Omdat de zaak eenvoudig van aard is en daarom een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. Hierdoor bedraagt de vergoeding voor twee proceshandelingen in totaal € 934,-.
De gemachtigde van eiser is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. De gemachtigde heeft de rechtbank laten weten geen gebruik te zullen maken van deze mogelijkheid.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.