RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] en anderen, allen te Damwâld, eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3194
(gemachtigde: J. Dantuma),
en
(gemachtigde: D. Tilstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] ., gevestigd te Broeksterwâld, vergunninghoudster.
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van vijf appartementen op het perceel [adres] te Damwâld (hierna: het perceel). Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. De rechtbank ziet wel aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 10 oktober 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vijf appartementen op het perceel. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Met het bestreden besluit van 12 juni 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de omgevingsvergunning gebleven (besluit I).
Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluit I.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers hun gemachtigde, [naam] en [naam] , de gemachtigde van het college en namens derde-partij [naam] en [naam] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen ten aanzien van de warmtepompen, de meethoogte waarvan bij het geluidsonderzoek is uitgegaan en mogelijke belemmeringen om te heien.
Vergunninghoudster heeft een aanvraag gedaan tot wijziging van de eerder verleende omgevingsvergunning en daarvoor ook een aangepaste stikstofdepositieberekening met AERIUS projectberekening ingediend.
Het college heeft met het besluit van 8 december 2025 de omgevingsvergunning gewijzigd verleend (besluit II). De wijzigingen zijn: het realiseren van de fundering door te boren (in plaats van te heien) en het realiseren van een bodemwarmtepomp in het gebouw (in plaats van een warmtepomp met buitenunits). Het beroep van eisers heeft van rechtswege ook betrekking op dit besluit.
Op 16 december 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft partijen daarna in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek op 9 maart 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op deze procedure, omdat de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van de Ow.
Het perceel heeft binnen het bestemmingsplan Damwâld de bestemming Wonen.
Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan vanwege het aantal woningen, de maximaal toegestane bouw- en goothoogte en de minimale dakhelling.
Het is vaste rechtspraak dat aan het college beleidsruimte toekomt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Het college moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De rechtbank beoordeelt besluit I, zoals dat is gewijzigd met besluit II.
De rechtbank stelt vast dat met besluit II is tegemoetgekomen aan de beroepsgrond van eisers over de cumulatie van het geluid van de eerder vergunde warmtepomp met buitenunits aan de gevel van het gebouw. Met besluit II is ook tegemoetgekomen aan eisers beroepsgrond dat voor het heien een alternatief moet worden gekozen. De rechtbank zal deze beroepsgronden niet inhoudelijk behandelen omdat eisers daar geen belang meer bij hebben.
Met besluit II wordt niet tegemoetgekomen aan eisers beroepsgrond dat de omgevingsvergunning ten onrechte niet is herroepen en aan de beroepsgrond over verkeer en parkeren. De rechtbank gaat hierna op deze beroepsgronden in.
Juistheid van het besluit in heroverweging
4. Volgens eisers had het college het in bezwaar bestreden besluit (de omgevingsvergunning) moeten herroepen en een nieuw besluit moeten nemen met een juiste grondslag en een aanvullende motivering, overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie.
5. Het college heeft in het besluit op bezwaar de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de wettelijke grondslag en verbetering van de motivering. Het college heeft de omgevingsvergunning niet herroepen omdat het rechtsgevolg van het besluit niet verandert.
6. Uit rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan in het kader van de heroverweging in bezwaar ruime herstelmogelijkheden heeft, waaronder ook de verbetering van de grondslag van een besluit. Daarbij geldt dat het primaire besluit niet hoeft te worden herroepen als het directe rechtsgevolg van het besluit waartegen het bezwaarschrift is gericht, in dit geval de omgevingsvergunning, ongewijzigd blijft.
De rechtbank stelt vast dat in het besluit op bezwaar het directe rechtsgevolg niet gewijzigd is. De omgevingsvergunning is in stand gebleven. Het college heeft in het kader van de heroverweging gebruik gemaakt van de herstelmogelijkheden.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren en verkeer
7. Eisers stellen dat niet wordt voldaan aan de CROW-parkeernorm voor appartementen. Daarnaast voeren zij aan dat de vijf openbare parkeerplekken, die volgens het college kunnen worden gebruikt, al door anderen worden gebruikt. Eisers bestrijden dat op het perceel drie parkeerplekken gerealiseerd kunnen worden. Ten slotte vrezen eisers verkeersonveilige situaties ter hoogte van de nieuwe uitrit.
8. Het college heeft de parkeernorm vastgesteld op 1,5 parkeerplaats per woning, voor het bouwplan in totaal 7,5 parkeerplaatsen. Daarbij is het college uitgegaan van de ondergrens van de categorie appartementen ‘middelduur’ in het gebiedstype ‘resterende bebouwde kom-weinig stedelijk’ uit de CROW 2018, omdat het autobezit bij de doelgroep (senioren) lager is dan het gemiddelde autobezit, dat in 2023 in de gemeente minder dan 1,5 per woning was. Het aantal parkeerplaatsen voldoet volgens het college ook aan de norm uit de CROW 2024.
Volgens het college kunnen vijf parkeerplaatsen op het perceel worden gerealiseerd en kan voor de overige parkeerplaatsen (afgerond drie) gebruik worden gemaakt van vijf openbare parkeerplaatsen, die zijn aangelegd vanwege het eerder maatschappelijk gebruik van het perceel en in de praktijk weinig gebruikt worden. Volgens het college blijkt uit luchtfoto’s van de afgelopen jaren dat steeds maar een klein deel van de aanwezige parkeerplaatsen gebruikt wordt. In de wijk is voldoende parkeergelegenheid, er zijn meerdere openbare parkeerplaatsen en parkeren langs de weg is ook mogelijk. Het college verwacht dan ook geen parkeerproblemen.
Verder verwacht het college dat de nieuwe uitrit juist voor een verbetering van de verkeersveiligheid zal zorgen, omdat daardoor niet achteruit de straat op hoeft worden gereden. Als er een uitritvergunning wordt aangevraagd wordt de verkeersveiligheid verder beoordeeld.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft verkeer en parkeren niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de verleende omgevingsvergunning niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het totaal aantal van 7,5 parkeerplaatsen voor het bouwplan voldoet aan (de ondergrens van) de norm van zowel de CROW 2018 als de CROW 2024. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom van de ondergrens is uitgegaan.
Uit de ruimtelijke onderbouwing leidt de rechtbank af dat op het perceel vijf parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Voor zover eisers dat bestrijden, volgt de rechtbank hen daarin niet. Verder acht de rechtbank het redelijk dat voor de parkeerbehoefte anders dan op het perceel (het gaat om afgerond drie parkeerplaatsen) gebruik gemaakt kan worden van de vijf openbare parkeerplaatsen die zijn aangelegd ten behoeve van de eerdere maatschappelijke functie van het perceel. Ter zitting is vastgesteld dat die parkeerplaatsen feitelijk nog aanwezig zijn. Het college heeft gemotiveerd dat die parkeerplaatsen in de praktijk ook kunnen worden gebruikt. Eisers hebben hun stelling dat die parkeerplaatsen niet kunnen worden gebruikt niet onderbouwd.
De rechtbank ziet voor wat betreft het verkeer of de verkeersveiligheid geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. De verkeers(on)veiligheid die eisers vrezen in relatie tot een nieuwe uitrit op het perceel, wordt beoordeeld als er een aanvraag voor een uitritvergunning wordt gedaan en valt buiten de omvang van dit geding.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen besluit I, zoals gewijzigd bij besluit II, is ongegrond.
Omdat het college pas in de beroepsfase een gewijzigd besluit heeft genomen, waarin aan een deel van de gronden van eisers wordt tegemoetgekomen, ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eisers. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De proceskostenvergoeding per proceshandeling van de gemachtigde bedraagt € 934,-. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Voor het indienen van het beroepschrift en het deelnemen aan de zitting is de proceskostenvergoeding € 1868,-. Daarnaast komen de reiskosten van eiser [naam] voor vergoeding in aanmerking. De reiskostenvergoeding bedraagt € 27,- (gebaseerd op de kosten van een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen Damwâld en Groningen). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen besluit I, zoals gewijzigd bij besluit II, ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 1.895,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.