ECLI:NL:RBNNE:2026:971

ECLI:NL:RBNNE:2026:971

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer LEE25/2015
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten. Ter uitvoering van een eerdere uitspraak van deze rechtbank heeft het Instituut een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. Eiseres is het nog steeds niet eens met de hoogte van de vergoeding en de herstelwijze. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit voor zover het schades 1, 3, 4 en 5 betreft gebaseerd is op onzorgvuldig onderzoek. De rechtbank bepaalt dat het Instituut voor deze schades een aanvullende vergoeding aan eiseres moet betalen van € 9.399,66. Het Instituut heeft naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke beschadiging aan de fundering. Aan de hand van dit onderzoek heeft het Instituut toereikend aannemelijk gemaakt dat de fundering niet beschadigd is, en daarom kan het Instituut volstaan met herstel van scheurvorming op basis van het calculatiemodel.

Uitspraak

Vastgoed Company B.V., uit Veendam, eiseres

(gemachtigde: mr. S. van Gent),

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mr. B.C. Rots en mr. I. Pijper ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten. Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 23 maart 2022 heeft het Instituut een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 mei 2020 genomen. Het Instituut heeft het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en aan eiseres een aanvullende vergoeding toegekend. Eiseres is het nog steeds niet eens met de hoogte van de vergoeding en de herstelwijze die het Instituut daaraan ten grondslag heeft gelegd. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en totstandkoming van het besluit

2. Eiseres is sinds 2017 eigenaar van het bedrijfspand aan [adres] (het pand). Het pand is gelegen in het centrum van [plaats] en is gebouwd in 1899. De benedenverdieping is deels ingericht als winkel en de bovenverdieping bestaat uit een tweetal appartementen.

Op 7 januari 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor schade aan het pand.

In het adviesrapport van deskundige Duinstra van CED zijn 14 schades opgenomen en wordt geadviseerd om een schadevergoeding toe te kennen van € 10.378,49 omdat invloed van mijnbouwactiviteiten op de schade niet is uit te sluiten.

Eiseres heeft daarop een zienswijze ingediend waarin zij aangeeft dat de schade niet compleet is en dat de fundering helemaal ontzet is. Ook vindt eiseres dat de geadviseerde schadevergoeding te laag is omdat cosmetisch herstel niet volstaat.

In het herzien adviesrapport heeft deskundige Van der Beek van CED toegelicht dat een funderingsonderzoek niet nodig is, omdat er geen aanleiding bestaat om schade aan de fundering te vermoeden. De primaire oorzaak van de schades zijn namelijk breekwerkzaamheden. Overbelasting door trilling kan wel enige invloed hebben gehad op de schade.

Het Instituut heeft bij besluit van 13 mei 2020 een schadevergoeding toegekend van € 10.378,49 exclusief bijkomende kosten en wettelijke rente.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarin zij de herstelmethode van schade 1 tot en met 5 betwist. Daarbij heeft zij een contra-expertise rapport overgelegd van Vergnes. Vergnes adviseert om de rechterzijgevel geheel te vernieuwen, omdat deze gevel als gevolg van schade in de fundering op vele plaatsten scheurvorming vertoont. Volgens Vergnes moet het metselwerk worden vervangen en de fundering worden hersteld. Ook zijn vier aanvullende schades in het rapport opgenomen.

De Bezwaaradviescommissie (de commissie) adviseert om de vier aanvullende schades in een nieuwe aanvraag te beoordelen en nader onderzoek naar de fundering kan dan ook aan de orde komen. Verder concludeert de commissie dat de door Van der Beek opgenomen herstelmethode (scheurherstel) en herstelkosten voor schade 1 tot en met 5, rekening houdend met de staat van onderhoud van het pand, voorzien in een adequaat herstel. Schades 1 tot en met 5 zijn ontstaan door ongelijke zetting en verbouwingswerkzaamheden. Aangezien niet uitgesloten kan worden dat trillingen de scheurvorming hebben verergerd, is de schadevergoeding beperkt tot scheurherstel. Het Instituut heeft bij brief van 26 maart 2021 het bezwaar daarom ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld.

De rechtbank heeft met de uitspraak van 23 maart 2022 het besluit van

26 maart 2021 vernietigd en het Instituut opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak, waarin is geoordeeld dat de vier aanvullende schades onderdeel zijn van onderhavige procedure. Tevens dient het Instituut te bezien of de door Vergnes ingediende factuur van € 1.149,50 voor vergoeding in aanmerking komt.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het Instituut deskundige J.J. Timmer van CED gevraagd een nieuwe schadeopname van het pand uit te voeren. Op 1 mei 2025 heeft het Instituut een herzien besluit genomen (bestreden besluit), waarin zij het advies van Timmer volgt en een aanvullende vergoeding van € 1.613,81 toekent, plus € 391,04 wettelijke rente, € 1.609,30 proceskostenvergoeding in bezwaar en € 250,- extra overlastvergoeding.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft een regiezitting gehouden. Afgesproken is dat het Instituut een verweerschrift indient en eiseres hierop een reactie geeft. Partijen hebben hier gehoor aan gegeven.

De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [functie] van eiseres de heer [naam] , ing. P.J. Vrieling van Vernes, de gemachtigden van het Instituut en

ing. J.J. Timmer van CED.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader

3. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Op grond van deze bepaling wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

Volgens de vaste werkwijze van het Instituut is het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport aantoont dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht.

Van het Instituut wordt daarbij niet gevraagd dat met 100% zekerheid uitgesloten kan worden dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie hiertoe de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Het is een voldoende grote mate van zekerheid als de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie daarvoor de uitspraak van de ABRvS van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75.

Het Instituut gaat bij zettingsschades uit van het advies dat is gegeven in het op

16 december 2020 uitgebrachte rapport ‘over de invloed van trillingen door bevingen op zettingen van gebouwen’ door ir. P.C. van Staalduinen en ing. H.J. Everts. Daarin is als meest krachtige ontzenuwing van het bewijsvermoeden bij zettingen weergegeven:

- een onderzoek ter plaatse, waarbij wordt vastgesteld dat er zettingen zijn en waarbij de oorzaak voor het ontstaan van de zettingen wordt aangetoond;

- een onderzoek waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de trillingen als gevolg van de opgetreden bevingen zo gering in sterkte zijn geweest, dat daardoor de zettingen niet kunnen zijn ontstaan of vergroot.

Verder is benadrukt dat in overeenstemming met het advies van het Panel van deskundigen van 22 januari 2019 in alle gevallen een oorzaak voor het ontstaan van de schade moet worden aangetoond. Dit geldt ook in geval de trillingssnelheid geringer is dan de in de notitie geformuleerde grenzen.

Dit betekent dat het Instituut ook bij zettingen eerst moet toetsen of zij met een voldoende mate van zekerheid kan uitsluiten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan, en zo ja, waardoor de schade dan wel is ontstaan.

In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het Panel van deskundigen. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met

100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS, mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.

Wat was de uitkomst van de voorgaande procedure?

4. De rechtbank heeft het besluit van 26 maart 2021 vernietigd. In de contra-expertise van Vergnes is melding gemaakt van schades aan de rechtervoorzijde in het pand, terwijl in het herzien adviesrapport een conclusie mede is gebaseerd op de veronderstelling dat er geen schade aan de rechtervoorzijde is. De rechtbank oordeelde daarom dat het Instituut in strijd met artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. Het Instituut is opgedragen opnieuw op bezwaar te beslissen en daarbij rekening te houden met de vier door Vergnes aanvullend opgenomen schades.

Hoe luidt het bestreden besluit?

5. In het bestreden besluit heeft het Instituut een aanvullende vergoeding toegekend van € 1.613,81 excl. wettelijke rente, extra overlastvergoeding en proceskostenvergoeding (€ 3.864,15 incl.) voor de vier nieuw opgenomen schades. Voor de overige schades is een andere oorzaak aangewezen. Schades 1 tot en met 5, 1a, 1d, 1f, 9a en 14e zijn veroorzaakt door ongelijke zetting door de aanwezigheid van een kelder en overbelasting van de fundering als gevolg van verbouwingen. Nader onderzoek naar de fundering is niet nodig. Uit de inspectie van de kelderruimte en kruipruimte is gebleken dat de oude fundering op bogen niet is aangepast aan de verbouwingen die hebben plaatsgevonden. Geconcludeerd wordt dat de scheefstanden en de scheuren geen verband houden met mijnbouwactiviteiten. Bovendien is de maximale trillingssnelheid ter plaatse ruim lager dan 10 mm/s, waardoor zettingsschade door trillingen niet aannemelijk is. Ook kunnen de schades niet zijn verergerd door trillingen als gevolg van bevingen omdat de maximale trillingssnelheid van 2,68 mm/s ruim onder de geldende grenswaarde van 5 mm/s ligt. Schades 1b en 1g zijn veroorzaakt als gevolg van doorbuiging van het metselwerk zonder lateifunctie.

Waar gaat het geschil (nog) over?

6. In geschil is of het bewijsvermoeden met betrekking tot de zettingsschades is weerlegd. Verder zijn partijen het niet eens over de herstelmethode en herstelkosten van schades 1, 1c en 1e, 2 tot en met 5.

Wat is de oorzaak van de zettingsschades?

7. Ten aanzien van de zettingsschades stelt eiseres dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd. Er is namelijk niet aangetoond dat de gestelde gewichtstoename dusdanig was, dat dit heeft geleid tot extra consolidatie- en kruipzetting van de ondergrond die uit zand bestaat. Het Instituut heeft ook niet aangetoond dat de fundering de gestelde gewichtstoename niet zou kunnen dragen: het draagvermogen van de fundering is niet berekend. Daarnaast is niet vastgesteld wanneer verbouwingen hebben plaatsgevonden en welk effect dit heeft gehad op het gebouw en de fundering. Ter zitting heeft de heer [naam] verklaard dat dit in ieder geval is gebeurd vóórdat het pand in 1997 in privébezit kwam. Ook de twee woonappartementen op de verdieping waren naar zijn zeggen toen al aanwezig. De veronderstelling dat de bodemopbouw niet homogeen zou zijn is bovendien niet navolgbaar. Er is namelijk geen grondonderzoek gedaan en ook geen onderzoek naar de aanlegdiepte van de fundering.

Gelet op het bouwjaar van het gebouw, de laatst bekende constructieve aanpassing op de hoofddraagconstructie omstreeks 1966 en de grondsamenstelling is zowel de primaire zetting als de secundaire zetting reeds uitgewerkt. Daarom kan niet worden aangetoond dat er zettingen zijn opgetreden die een andere oorzaak hebben dan mijnbouwactiviteiten.

Het Instituut meent dat deskundige Timmer met een voldoende hoge mate van zekerheid een autonome oorzaak voor het ontstaan van de zettingsschades heeft aangewezen. Volgens Timmer zijn er na 1966 ingrijpende verbouwingen aan het pand uitgevoerd. Op plattegronden van 1966 in het bouwdossier bij de gemeente zijn namelijk slechts ‘beperkte’ verbouwingen terug te vinden. Alle andere geconstateerde verbouwingen staan niet op deze plattegrond en moeten dus daarna hebben plaatsgevonden. De verbouwingen hebben tot substantieel zwaardere en verschillende belasting van de oude fundering gezorgd. De verbouwingen hebben ook geleid tot vermindering van de constructieve samenhang. Daardoor is schade ontstaan. Timmer heeft ook gegevens van het Dino-loket gebruikt, waaruit blijkt dat er sprake is van niet-homogene zandondergrond. Het is volgens Timmer mogelijk om de exacte bodemopbouw en aanlegdiepte van de fundering vast te stellen, maar dat maakt voor de conclusie niet uit. Ook is het niet noodzakelijk om een exacte berekening te geven van het draagvermogen van de fundering omdat er sprake is van een substantiële gewichtstoename. Timmer concludeert als volgt:

Alles overziend is het evident dat er na 1966 bouwkundig veel te fors is ingegrepen in het pand, ook nog eens zonder de vereiste vergunningen en zonder het aanpassen van de fundering . Op een dergelijke wijze een pand zodanig verbouwen in deze situatie, dat gaat niet “ongestraft”.’

De rechtbank is van oordeel dat het Instituut erin is geslaagd een autonome oorzaak aan te wijzen voor de zettingsschades. De rechtbank overweegt hiertoe dat het Instituut voldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke oorzaken van de verzakking. Uit de bouwtekeningen uit 1966 blijkt dat er sindsdien aanzienlijke aanpassingen aan het pand zijn gedaan, en niet is gebleken dat de fundering is aangepast aan deze veranderingen. -Het betoog van eiseres dat zettingsprocessen al zijn uitgewerkt, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Daarnaast heeft het Instituut voldoende beschreven waar de gewichtstoename uit bestaat. Anders dan eiseres betoogt, is het -nu in dit geval voldoende vaststaat dat sprake is van de hiervoor genoemde ingrijpende verbouwingen en niet is gesteld door eiseres dat in dat kader de nodige bouwkundige maatregelen zijn genomen met name in verband met de fundering- niet noodzakelijk dat de zetting door middel van een berekening moet worden aangetoond. Een autonome oorzaak moet worden aangewezen met een hoge mate van zekerheid, maar een 100% of natuurwetenschappelijke zekerheid is niet vereist.

Al met al heeft het Instituut voldoende aannemelijk gemaakt dat gewichtstoename en verbouwingen hebben geleid tot de zettingsschades en eiseres heeft hier onvoldoende tegenin gebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Herstelmethode

8. Eiseres stelt dat gelet op het schadebeeld dient te worden uitgegaan van herstel waarmee het constructieve verband in de gevel zowel aan de buitenzijde als binnenzijde wordt hersteld. De scheuren lopen op meerdere plaatsen in de gevel door tot aan de binnenzijde en op meerdere plaatsen in de gevel is een scheefstand van de gevel waargenomen, waardoor het volledige constructieve verband uit de betreffende gevel is verdwenen. Daarom stelt eiseres dat de scheurvorming niet partieel kan worden hersteld. Het betreffende metselwerk dient te worden vervangen om het verband in de gevel te kunnen herstellen. Daarnaast lopen de scheuren door in de fundering. Gelet op de doorlopende scheuren tot aan het maaiveld en de scheurwijdte kan met zekerheid aangrenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de betreffende scheuren niet stoppen bij het maaiveld. Ter zitting is ook naar voren gekomen dat uit de foto’s die Timmer in de kruipruimte heeft gemaakt, blijkt dat de fundering beschadigd is. Voor een deugdelijk herstel, is het volgens eiseres noodzakelijk om de rechterzijgevel te vervangen en de fundering te herstellen. De herstelkosten worden begroot op € 101.466,-.

Het Instituut stelt zich op het standpunt dat de schade in beginsel begroot wordt aan de hand van de kosten die de aanvrager zou moeten maken om de schade te herstellen om uit te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Bij het calculeren gaan de door het Instituut ingeschakelde deskundigen na welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om de situatie ‘in oude toestand’ te herstellen. Daarbij hanteren zij het calculatiemodel. Met de omschreven herstelmethoden wordt het pand volgens het Instituut in oude toestand hersteld. Het is niet nodig om de rechterzijgevel te vervangen en de fundering te herstellen omdat voor het ontbreken van het constructieve verband een autonome oorzaak is gegeven. Van schade aan de fundering is niet gebleken na onderzoek onder de grond. Uit de foto’s onder de grond blijkt niet dat de fundering beschadigd is, maar dat de betonnen ‘vulling’ tussen de bogen is gezakt, waardoor er ruimte tussen de vulling en de boog in het midden van de fundering te zien is.

Ten aanzien van de herstelmethoden van schades 1, 3, 4 en 5 volgt het Instituut het advies van contra-expert Vergnes dat het voor een deugdelijk herstel noodzakelijk is om het stucwerk bij schade 1 over te zetten en bij schades 3, 4, en 5 de voorzetwand te vervangen. Het Instituut verzoekt de rechtbank daarom het beroep gegrond te verklaren en een aanvullende vergoeding toe te kennen van € 9.399,66 (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot en met de dag van uitbetaling.

De rechtbank oordeelt dat het beroep voor wat betreft de herstelmethode en herstelcalculatie voor zover dit ziet op schades 1, 3, 4 en 5 gegrond is. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op die punten is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek. Omdat de berekening van Vergnes ziet op het totale herstel, gaat de rechtbank uit van de door het Instituut genoemde aanvullende vergoeding van € 9.399,66 (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot en met de dag van uitbetaling. Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.

Het Instituut heeft voldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke beschadiging aan de fundering. Aan de hand van dit onderzoek heeft het Instituut toereikend aannemelijk gemaakt dat de fundering niet beschadigd is. De enkele (mogelijke) scheefstand van het pand, is onvoldoende om aan te nemen dat het fundament daarmee ook beschadigd is. Uit de door het Instituut gemaakte en ingebrachte foto’s van de funderingsbogen kan de rechtbank ook niet concluderen dat deze beschadigd zouden zijn. Dat er ruimte is ontstaan tussen de opvulling van de funderingsboog en de boog zelf, doet niets af aan de oorspronkelijke draagfunctie van de boog. Bovendien wijst de rechtbank erop dat dit deel van de fundering, dat gelegen is in het midden van het pand, niet in verband met staat met de schade boven de grond, omdat die schade zich aan de rechterzijkant van het pand bevindt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Instituut kan volstaan met herstel van de scheurvorming op basis van het calculatiemodel. Deze beroepsrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij is geoordeeld over de vergoeding van schades 1, 3, 4 en 5.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat de aanvullende vergoeding die het Instituut aan eisers moet betalen € 9.399,66 (incl. btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2019 tot en met de dag van uitbetaling, bedraagt.

Omdat het beroep gegrond is, moet het Instituut het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Zoals ter zitting besproken is, overlegt eiseres facturen voor rechtsbijstand en de contra-expertise aan het Instituut.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, mr. M.R. Gans en mr. L. M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.Y.B. Jansen
  • mr. M.R. Gans
  • mr. L. M. Praamstra

Griffier

  • mr. H.L. Brandes-Boers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?