RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/829
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en
(gemachtigde: mr. A.G. Schlösser).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] B.V., te Boxmeer.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen een termijn van drie maanden na de verzenddatum van dit besluit de bewoning in de vorm van kamerverhuur van het pand [adres] te [woonplaats] te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Daarbij is bepaald dat, indien eiser niet aan deze last voldoet, hij een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 per week met een maximum van € 10.000,00.
Bij besluit van 27 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Voor eiser is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen .
Overwegingen
Feiten
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 2 juli 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.