RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen
Stichting Sirene, te Steenbergen, eiseres
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 19/1778
(gemachtigde: H. Baptist)
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink, V. Bax, J. Bertens, W. Michiels en mr. D. Oostvogels).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] B.V., te [vestigigingsplaats] , gemachtigde mr. F.H. Damen.
Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de inrichting aan de [adres] , gemeente Steenbergen, afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ermee ingestemd dat het bezwaar, met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), door de bestuursrechter wordt behandeld als rechtstreeks beroep.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 september 2019, samen met zaak SHE 16/2957.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij is [naam] verschenen, alsmede de gemachtigde en [naam] .
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2. In het bestreden besluit stelt verweerder dat de meting een momentopname betreft en dat de hoeveelheid geëmitteerde ammoniak niet alleen afhankelijk is van de werking van de luchtwassers maar ook van andere factoren zoals het aantal aanwezige varkens en het gewicht van de varkens. Op grond van de vergunning van 9 augustus 2016 mag 1.021,80 kg ammoniak per jaar worden geëmitteerd. Aangezien het gaat om een hoeveelheid per jaar kan volgens verweerder niet worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning is overtreden.
3. Eiseres vraagt zich af of onzekerheden in het voordeel van vergunninghoudster mogen worden uitgelegd gelet op de dwingende verplichtingen in artikel 6.2 en 6.3 van de Habitatrichtlijn. Zij vindt dat de resultaten van metingen openbaar moeten worden gemaakt ongeacht de instemming van vergunninghoudster.
4. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat het bestreden besluit gaat over handhaving, niet over het openbaar maken van informatie. Het bestreden besluit bevat geen beslissing op een openbaarmakingsverzoek. De rechtbank laat daarom in het midden of verweerder de resultaten van de metingen openbaar had moeten maken.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat het verzoek om handhaving ziet op het vermeend handelen in strijd met de gehele geldende omgevingsvergunning van 9 augustus 2016. Deze omgevingsvergunning ziet op twee activiteiten en niet alleen op een toestemming voor het realiseren van een project bij een Natura 2000-gebied. Aan de (milieu-)toestemming voor het wijzigen van de inrichting is voorschrift 9.1 verbonden waarin staat dat de stallen moeten worden uitgerust met een gecombineerd luchtwassysteem met 85% ammoniakreductie. Op basis van de omgevingsvergunning en artikel 3.123, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) is de derde-partij verplicht de inrichting in werking te hebben met het voorgeschreven luchtwassysteem. Verweerder heeft niet onderkend dat het handhavingsverzoek ook ziet op naleving van voorschrift 9.1 (handelen in strijd met artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wabo) en op het mogelijk in werking zijn van het stalsysteem conform de technische beschrijving in strijd met artikel 3.123, tweede lid van het Abm.
6. Volgens de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat op basis van een momentopname niet kan worden geconcludeerd dat meer dan 1.021,80 kg ammoniak per jaar wordt geëmitteerd. Er is geen overtreding vastgesteld en verweerder is in zoverre niet bevoegd handhavend op te treden. In het midden kan blijven of onzekerheden in de meting in het voordeel van vergunninghoudster moeten worden uitgelegd, reeds omdat een overtreding in dit geval niet kan worden vastgesteld op basis van een enkele meting. De rechtbank is verder van oordeel dat op basis van de momentopnames ook niet kan worden gesteld dat een overtreding klaarblijkelijk dreigt. Er is dus ook geen aanleiding voor een preventieve handhaving op basis van artikel 5.7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zoverre heeft verweerder het verzoek van eiseres terecht afgewezen. De rechtbank ziet niet in dat artikelen 6.2 of 6.3 van de Habitatrichtlijn verweerder zouden verplichten om in dit geval in afwijking van hoofdstuk 5 van de Awb uit voorzorg een last onder dwangsom op te leggen of bestuursdwang toe te passen. Voor beide sancties geldt dat verweerder pas bevoegd is om dit te doen als sprake is van een overtreding of als een overtreding klaarblijkelijk dreigt en dat is hier niet aan de orde. Evenmin hoeft de derde-partij doorlopend aan te tonen dat er geen sprake is van een verslechtering van het betrokken Natura 2000-gebied. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de derde-partij wel is gehouden om de werking van de luchtwassers in de gaten te houden en te registreren, gelet op artikel 3.125 van het Abm. Deze verplichting acht de rechtbank voldoende.
7. Verweerder heeft geconstateerd dat er weliswaar een luchtwassysteem in werking was maar dat dit luchtwassysteem geen 85% ammoniakreductie behaalde, mogelijk omdat de aanwezige luchtwassers niet werkten conform de technische beschrijving van het betreffende stalsysteem (in strijd met artikel 3.123, tweede lid van het Abm). De derde-partij heeft inmiddels aanpassingen uitgevoerd, zodat wel wordt voldaan aan de technische beschrijving van het stalsysteem. Dit is door verweerder en eiseres niet bestreden. In zoverre heeft het verzoek om handhaving van eiseres effect gehad en is het doel bereikt: de overtreding is opgeheven en de benodigde ammoniakreductie wordt gehaald. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat verdere handhaving daarom geen toegevoegde waarde heeft. Ook de rechtbank is van oordeel dat verweerder nu kan afzien van handhaving.
8. Omdat verweerder het verzoek van eiseres te beperkt heeft opgevat, is het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd, voor zover niet is beslist op het verzoek om handhaving van artikel 2.3, van de Wabo en artikel 3.123 van het Abm. Gelet op de motivering van verweerder op de zitting, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit wordt vernietigd, in stand te laten. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit hierover te nemen.
9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres. Dit zijn de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. Ook zal verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 oktober 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.