ECLI:NL:RBOBR:2019:7830

ECLI:NL:RBOBR:2019:7830

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2019
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 01/993232-16
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf overnemen. De rechtbank legt op een legt op een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993232-16

Datum uitspraak: 17 december 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 27 november en 3 december 2019 (sluiting onderzoek).

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 september 2018.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2015 tot en met 19 november 2015 te Heerlen en/of Eygelshoven, gemeente Kerkrade, en/of Almelo en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (elk) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder methylethylketon (MEK) en/of aceton en/of (geconcentreerd) zoutzuur, zijnde (elk) een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, besteld en/of laten bestellen en/of ingekocht en/of laten inkopen en/of

- (voornoemde) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën in/bij een schuur/loods op/aan de [adres 2] en/of een schuur/loods op/aan de [adres 3] , gemeente Kerkrade, in elk geval een of meer schuren/loodsen, opgeslagen en/of laten opslaan en/of ondergebracht en/of laten onderbrengen en/of voorhanden gehad en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- (een) hoeveelhe(i)d(en) (geconcentreerd) zoutzuur in een of meer (ongeëtiketteerde) jerrycans overgepompt en/of over laten pompen en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar en/of met de verkoper(s)/leverancier(s) (telefonisch) contact gelegd/onderhouden en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 september 2015 tot en met 08 november 2016 op/aan de [adres 4] en/of op/aan de [adres 5] en/of op/aan de [adres 6] , gemeente Beek, in elk geval een of meer locaties in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen van hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 08 november 2016 op/aan de [adres 7] , gemeente Valkenburg aan de Geul, in elk geval enige - niet zijnde de/een in feit 2 genoemde - locatie in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen van hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 september 2015 tot en met 08 november 2016 op/aan de [adres 4] en/of op/aan de [adres 5] en/of op/aan de [adres 6] , gemeente Beek, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) elektriciteit, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) die weg te nemen elektriciteit (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 11 januari 2016 tot en met 08 november 2016 te Maastricht en/of Eindhoven en/of Nijmegen en/of Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten en/of Kerkrade en/of (elders) in Nederland en/of Peer, althans België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) - een totaal van (in elk geval) 40.153,- euro omvattende -, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader (telkens)

wist(en) dat dat/deze voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en zich aldus schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen, hebbende verdachte en/of verdachtes mededader (telkens) met voornoemd(e) geldbedrag(en) (een) contante betaling(en) verricht en/of (een) contante betaling(en) laten verrichten ten behoeve van de verbouwing/(her)inrichting van de/het woning/bedrijfspand ( [adres 8] ) van verdachtes mededader;

6.

hij op of omstreeks 08 november 2016 te Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 29.300,- euro of daaromtrent, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) dat het voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen, hebbende verdachte en/of verdachtes mededader voornoemd geldbedrag (in een doos) onder een bed gestopt of laten stoppen.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen

De beschuldigingen

Verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1) het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a

van de Opiumwet gericht op de productie van amfetamine/MDMA in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 19 november 2015;

2 en 3) het medeplegen van het opzettelijk telen/bereiden/bewerken/verwerken/vervoeren/ opzettelijk aanwezig hebben van (delen van) hennepplanten:

- in de periode van 30 september 2015 tot en met 8 november 2016 op/aan de [adres 4] en/of op/aan de [adres 5] en/of op/aan de [adres 6] (feit 2), en

- in de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 november 2016 op/aan de [adres 7] (feit 3);

4) het medeplegen van diefstal met braak/verbreking in de periode 30 september 2015 tot en met 08 november 2016 op/aan de [adres 4] en/of op/aan de [adres 5] en/of op/aan de [adres 6] van een hoeveelheid elektriciteit;

5) het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 40.153,- in de periode van 11 januari 2016 tot en met 8 november 2016;

6) het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 29.300,- op 8 november 2016.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

Met betrekking tot de [adres 5] (feit 2) dient de bewezen verklaarde periode te worden ingekort, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Onder feit 1 wordt verdachte verweten het medeplegen van strafbare voorbereidings- handelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet door (tezamen en in vereniging):

- een hoeveelheid chemicaliën te verkrijgen, waaronder methylethylketon (MEK) en/of aceton en/of zoutzuur;

- zoutzuur over te pompen in jerrycans;

- contact te hebben/onderhouden met verkopers/leveranciers.

De tenlastelegging onder feit 1 is toegesneden op artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet, waarin onder 1°, 2° en 3° een aantal gedragingen strafbaar zijn gesteld indien deze zien op het voorbereiden of bevorderen van de in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven.

Artikel 10a van de Opiumwet betreft een zelfstandig delict met een eigen karakter. Dat komt tot uiting in de subjectieve bestanddelen van de delictsomschrijving. De dader moet niet alleen weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de goederen met betrekking tot welke hij vorenbedoelde gedragingen verricht heeft, bestemd zijn voor het plegen van een delict als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, hij moet die gedragingen ook verricht hebben om een dergelijk delict voor te bereiden of te bevorderen.

Als het gaat om gedragingen met betrekking tot voorwerpen en stoffen die in principe niet verboden zijn of als het gaat om gedragingen met betrekking tot voorwerpen of stoffen waarvan de verdachte de werkelijke aard niet kent, dient dan meer in het bijzonder te kunnen worden vastgesteld of de verdachte opzet had op die criminele bestemming dan wel ernstige reden had die criminele bestemming te vermoeden, en of hij handelde om de productie van synthetische drugs voor te bereiden of te bevorderen. Alleen wetenschap hebben van de criminele bestemming van de goederen is niet steeds voldoende. Daarnaast moet er ook opzet op voorbereiden of bevorderen zijn. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende, waarvan sprake is indien de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat genoemde omstandigheid zich zal voordoen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 17 september 2015 levert chemieleverancier [naam 5] twee blauwe 200-liter vaten met een totale inhoud van 320 kilo MEK (methylethylketon) bij een loods aan de [adres 9] (zijnde de bedrijfslocatie van [naam 1] en [naam 2] , [bedrijf 2] ’). Binnen een half uur na de levering arriveert verdachte en hij bekijkt de vaten. Ook medeverdachte Wetzels verschijnt binnen een half uur ter plaatse en gaat met verdachte naar binnen. [naam 1] en [naam 2] zijn eveneens bij deze observatie gezien.

Op 20 oktober 2015 lost een vrachtauto om 10.45 uur een blauw vat, een pallet met zakken en een IBC-container bij een loods aan de [adres 10] . Deze loods was op dat moment in gebruik bij [bedrijf 2] . Diezelfde dag hebben verdachte en [naam 1] telefonisch contact waarbij [naam 1] aangeeft dat hij op de loods is en dat de orders vandaag geleverd zijn. Op 21 oktober 2015 om 11.32 uur arriveert verdachte (samen met een onbekend gebleven persoon) bij de loods. Gezien wordt dat zij aceton uit het blauwe vat dat op 20 oktober 2015 door [naam 5] is geleverd overpompen in de jerrycans. De gevulde jerrycans worden in het voertuig geladen en ze vertrekken. Vervolgens wordt om 12.35 uur [naam 1] gebeld door verdachte, waarbij verdachte zegt dat “een man effe die zwarte dingen op komt halen die net gevuld zijn”. Te zien is dat even later een bestelauto arriveert waarin zwarte jerrycans worden geladen en aansluitend vertrekt de bestelauto weer.

Op 22 oktober 2015 zegt verdachte in een telefoongesprek tegen [naam 1] dat “hij wel effe naar daar toe komt om zijn kannetjes om te vullen”. Even later arriveert verdachte (samen met een onbekend gebleven persoon) en wordt de kofferbak geladen met jerrycans. Er zijn bovendien diverse tapgesprekken tussen verdachte en [naam 1] over bestellingen, de opslag, ontvangst van chemicaliën en de huur van opslagloodsen.

[naam 1] heeft bij de politie verklaard dat verdachte vaker chemicaliën bij hem heeft opgehaald en dat de betaling daarvan kwam van ‘Beachwear’. Hij spreekt over ‘drie grote klanten’, waarvan Beachwear er één is. Uit financieel onderzoek is gebleken dat verdachte de chemicaliën betaalde via ‘ [naam 3] ’ (een eenmanszaak op naam van [naam 4] ). Naar voren komt dat op 10 augustus, 5 oktober en 2 november 2015 bedragen van respectievelijk € 2.250,-, € 1.566,94 en € 950,21 zijn overgeboekt ten name van ‘ [naam 1] / [bedrijf 2] ’. [naam 4] heeft verklaard dat hij verdachte niet kent en dat er met zijn bankrekening gefraudeerd is.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres 8] is op een iPod een afbeelding aangetroffen van de Rabo wereldpas van bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam 1] / [bedrijf 2] .

Op 19 november 2015 is een productie- dan wel opslaglocatie van (materiaal voor de productie van) synthetische drugs aangetroffen op de Vogelzankweg in Landgraaf. Op die locatie zijn onder meer de chemicaliën aceton en methylethylketon aangetroffen. Onderzoek naar de bestemming van die chemicaliën (backtracking) heeft de volgende informatie opgeleverd:

- de aangetroffen aceton is door [naam 5] geleverd aan ‘ [bedrijf 3] ’ en is doorgeleverd aan [bedrijf 2] ;

- de aangetroffen methylethylketon is door [naam 5] op 9 september 2015 verkocht aan [bedrijf 2] .

Bij de doorzoeking van de Vogelzankweg zijn, net als bij de doorzoeking van de [adres 3] , dozen aangetroffen met daarin kantoorbenodigdheden (merk SECO) en toners en inktcartridges (merk Kyocera). Over de dozen die zijn aangetroffen op de [adres 3] heeft [naam 1] verklaard dat die van verdachte of “ [naam 13] ” (medeverdachte [medeverdachte 2] ) waren en dat verdachte “in de kantoorartikelen en cartridges” zit. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn op zijn iPod afbeeldingen aangetroffen van dozen met opdruk ‘SECO”.

Op vragen van de politie heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Pas ter terechtzitting van 27 november 2019 heeft verdachte verklaard dat hij enkel driemaal aceton heeft gekocht en opgehaald aan de [adres 3] om de vloer en twee ovens van de bedrijfsruimte aan de [adres 8] schoon te maken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden ongeloofwaardig. Gezien al die omstandigheden in onderlinge samenhang, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte, tezamen en in vereniging met in ieder geval [medeverdachte 2] , [naam 1] , [naam 2] en een onbekend gebleven persoon, voorbereidingen aan het treffen was voor de productie van synthetische drugs. Dat verdachte wist dat de goederen met betrekking tot welke hij vorenbedoelde gedragingen verricht heeft, bestemd zijn voor het plegen van een delict als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet blijkt bovendien uit het valse gebruik van de bankrekening van een zogenaamde katvanger, de eenmanszaak ‘ [naam 6] ’ van [naam 4] . Kennelijk om zijn eigen betrokkenheid te verdoezelen.

Niet bewezen acht de rechtbank dat verdachte zoutzuur heeft overgepompt in jerrycans, zodat hij daarvan partieel wordt vrijgesproken.

Feit 2

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat op 9 maart 2016 en tijdens een zogeheten actiedag op 8 november 2016 hennepkwekerijen zijn ontmanteld aan de:

- [adres 4] (9 maart 2016);

- [adres 5] ;

- [adres 6] ;

- [adres 7] (feit 3).

Tevens werd op 8 november 2016 de woning van verdachte aan de [adres 8] doorzocht.

De rechtbank zal hierna overgaan tot de bespreking van de (eventuele) betrokkenheid van verdachte (en – voor zover hier relevant in het kader van het ‘medeplegen’ – van zijn medeverdachten [naam 7] en [naam 8] ) bij die hennepkwekerijen.

[adres 4]

Op 9 maart 2016 werd naar aanleiding van een melding een onderzoek ingesteld op de [adres 4] en bij dat onderzoek werd uiteindelijk in een ruimte in het achterste deel van de garage een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Bij de doorzoeking op 8 november 2016 van de woning van verdachte aan de Tongerseweg werden diverse goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de hennepkwekerij aan de [naam 1] .

Zo is een iPod aangetroffen die aan verdachte toebehoorde met daarop diverse bescheiden, zoals:

- een offerte van [bedrijf 7] waarin de klantnaam [naam 9] en het leveringsadres [adres 4] is vermeld;

- een factuur en incasso van [bedrijf 4] van 19 februari 2016 gericht aan [naam 9] , [adres 4] .

Medeverdachte [naam 7] heeft bij zijn verhoor door de politie een huurovereenkomst met als huurder [naam 9] overgelegd, waarin werd overeengekomen dat die [naam 9] per 15 december 2015 de bedrijfsruimte op de [adres 4] voor de duur van 1 jaar zou gaan huren. Tevens werden door [naam 7] het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 5] en een kopie van het paspoort van de in het huurcontract vermelde [naam 9] overgelegd.

Nader onderzoek naar genoemde [naam 9] heeft het volgende opgeleverd:

- uit de door de politie gehouden paspoortcontrole van het overgelegde kopie paspoort van [naam 9] bleek dat deze persoon niet bestaat;

- in het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, KvK-nummer [nummer 1] , is te lezen dat [bedrijf 5] is opgericht op 29 januari 2016 met als enig aandeelhouder en bestuurder [naam 9] , geboren op 3 november 1987. Het geboortejaar van [naam 9] wijkt af van het geboortejaar als vermeld in het paspoort, namelijk 1987 (uittreksel) en 1978 (kopie paspoort).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat genoemde [naam 9] als ‘katvanger’ is gebruikt en dat verdachte, blijkens de onder hem aangetroffen bescheiden, daadwerkelijk de huurder was van de bedrijfsruimte op de [naam 1] . Verdachte heeft op vragen van de politie, maar ook ter terechtzitting, geen openheid van zaken gegeven en zich (voornamelijk) op zijn zwijgrecht beroepen.

[adres 5]

Op 8 november 2016 is in een pand op de [adres 5] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

De betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij blijkt uit de volgende onderzoeksresultaten.

Bij een observatie op 11 mei 2016 wordt gezien dat verdachte bij zijn woonadres wordt opgehaald met een Opel Vivaro ( [kenteken 1] ) en dit voertuig wordt gevolgd tot aan de [adres 5] . De mannen stappen uit en lopen dan in de richting van de [adres 5] [nummer 2] . Gezien wordt dat de roldeur van de garage van de [adres 5] vervolgens open stond.

Op 1 juli 2016 wordt gezien dat verdachte met zijn Volvo V60 ( [kenteken 2] ) [naam 7] ophaalt en dat zij de garage aan de [adres 5] binnen rijden.

In een tapgesprek van 12 september 2016 vraagt [naam 7] aan verdachte of hij (verdachte) contact kan opnemen met die “ [bijnaam] ’ in verband met problemen met de elektra op de [adres 5] . Op de bakendata is dan te zien dat de Volvo van verdachte een stop maakt van ongeveer 28 minuten op de [adres 5] .

In de periode vanaf 6 juli 2016 maakt de Volvo van verdachte in totaal 42 stops op (nabij) de [adres 5] en bij de doorzoeking van de zijn woning zijn sleutels aangetroffen die toegang gaven tot de hennepkwekerij aan de [adres 5] .

[adres 6]

Op 8 november 2016 wordt in een bedrijfspand op de [adres 6] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

De betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij blijkt uit de volgende onderzoeksresultaten.

Vanaf 1 oktober 2016 was verdachte de huurder van het bedrijfspand op de [adres 6] . Uit de afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat hij zich bij de tussenpersoon (van de verhuurder) bekend maakt als ‘ [naam 10] ’ en ‘ [naam 10] ’(fonetisch). Ook is gebleken dat verdachte zich bekend maakte met [bedrijf 6] en contracten (energie) sloot op naam van die B.V.

Blijkens de bakendata heeft de Volvo van verdachte in de periode van 6 september 2016 tot en met 6 november 2016 meerdere stops (in ieder geval 24) gemaakt op de [adres 6] .

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn sleutels aangetroffen die toegang gaven tot de hennepkwekerij aan de [adres 6] . Ook zijn documenten aangetroffen die betrekking hebben op de [adres 6] , zoals een huurovereenkomst (met als huurder ‘ [bedrijf 6] ’).

Op grond van al het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen van hennepplanten aan de [naam 1] , de [adres 5] en de [adres 6] .

Periode

De rechtbank ziet aanleiding om de bewezen verklaarde periode in te korten en te laten starten op 15 december 2015, zijnde de datum die staat vermeld op de ‘valse’ huurovereenkomst die door [naam 7] is overgelegd betreffende de [naam 1] .

Medeplegen

Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Het bewust samenwerken ziet op het willens en wetens samenwerken (opzet) met het oog op het verrichten van de strafbare gedraging. Het opzet van de medepleger is behalve op de samenwerking in beginsel alleen gericht op de eigen verrichte gedraging.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte genoemde feiten tezamen en in vereniging met medeverdachte [naam 7] gepleegd. Daartoe is redengevend dat wordt waargenomen dat [naam 7] op meerdere van de hiervoor genoemde locaties activiteiten verricht, dan wel naar binnen gaat. Zo ook in de periode dat verdachte op vakantie is. Voorts is er telefonisch contact tussen [naam 7] en verdachte, bijvoorbeeld over de elektriciteit op de [adres 5] .

Feit 3

Tot slot is op 8 november een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen op de [adres 7] .

Ter terechtzitting van 27 november 2019 heeft verdachte verklaard dat hij op die locatie slechts één keer is geweest om ‘iets’ op te halen. De verdediging heeft derhalve vrijspraak betoogd.

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring gerekwireerd, hij heeft daartoe aangevoerd dat volgens de verklaring van de eigenaar (de heer [naam 12] ) ‘de koelcellen’ (die waren ingericht voor de kweek van hennep) onder andere werden verhuur aan ‘ [verdachte] ’.

De rechtbank overweegt als volgt.

De enkele opmerking van [naam 12] dat hij de loods had verhuurd aan ‘ [verdachte] ’ en een persoon genaamd ‘ [naam 11] ’ en de verklaring van verdachte dat hij eenmaal op de [naam 7] is geweest (aan de hand van onderzoeksbevindingen is dat vermoedelijk op 11 juli 2016 geweest), is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij op dat adres uit af te leiden. Verdachte dient dan ook van het onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Feit 4

Onder feit 4 wordt aan verdachte ten laste gelegd de diefstal met braak/verbreking van een hoeveelheid elektriciteit periode 30 september 2015 tot en met 8 november 2016 aangaande de hennepkwekerijen (feit 2) aan de [naam 1] , de [adres 5] en de [adres 6] .

Bij de bespreking van feit 2 heeft de rechtbank reeds de betrokkenheid van verdachte bij genoemde hennepkwekerijen besproken, zodat daaraan bij de bespreking van dit feit voorbij kan worden gegaan.

[adres 4]

In het loopproces-verbaal staat gerelateerd dat door de netwerkbeheerder [bedrijf 1] . werd vastgesteld dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij op de [naam 1] illegaal was en dat er sprake was van diefstal van stroom. Er is echter geen aangifte van [bedrijf 1] in het dossier opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier dan ook onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De enkele opmerking in het loopproces-verbaal dat de stroomvoorziening illegaal was en dat er sprake was van diefstal van stroom, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Verdachte dient van dit feit (partieel) te worden vrijgesproken.

[adres 5]

In het dossier bevindt zich een aangifte van [bedrijf 1] d.d. 23 november 2016 waaruit blijkt dat de fraude-inspecteur heeft geconstateerd dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was, waardoor schade en hinder werd veroorzaakt. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie. Uit een berekening blijkt voorts dat op deze manier minimaal 35.974 kWh (elektriciteit) illegaal is afgenomen.

[adres 6]

In het dossier bevindt zich een aangifte van [bedrijf 1] d.d. 29 november 2016 waaruit blijkt dat de fraude-inspecteur heeft geconstateerd dat er verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie zijn verricht. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Naar aanleiding van een inventarisatie en het door [bedrijf 1] . ingestelde onderzoek is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 52.416 kWh (elektriciteit) illegaal is afgenomen.

Op grond van al het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een hoeveelheid elektriciteit aan de [adres 5] en de [adres 6] en dat hij die elektriciteit onder zijn bereikt heeft gebracht door middel van verbreking. Namelijk door veranderingen aan te brengen aan de bestaande elektrische installaties.

Medeplegen

Nu reeds is overwogen dat verdachte feit 2 (de hennepkwekerijen) tezamen en in vereniging met [naam 7] heeft gepleegd, omdat is gebleken dat [naam 7] nauw betrokken is geweest bij die hennepkwekerijen, wordt het er ook voor gehouden dat verdachte en [naam 7] de diefstal van stroom op de [adres 5] en [adres 6] tezamen en in vereniging hebben gepleegd, temeer nu uit taps is gebleken dat verdachte en [naam 7] contact hebben over de elektriciteit op de [adres 5] .

Feit 5

Onder feit 5 is verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van het) witwassen van een geldbedrag van € 40.153,-, doordat hij de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld (art. 420bis lid 1 sub a sr.), terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring en hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte genoemd geldbedrag – door daarmee het gedeelte dat als bedrijfsruimte fungeerde aan de [adres 8] te verbouwen – heeft omgezet (art. 420bis lid 1 sub b sr.).

Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte echter te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat het ‘omzetten’ niet ten laste is gelegd. Hetgeen wèl ten laste is gelegd kan volgens bestendige jurisprudentie niet worden bewezen, omdat niet is gebleken dat verdachte de herkomst van het geldbedrag heeft verborgen of heeft verhuld wat de werkelijke aard, herkomst, vervreemding en/of verplaatsing van het geldbedrag was. Het gaat immers enkel om het (deels of geheel) contant betalen van de verbouwingskosten. Verdachte dient dan ook van het onder 5 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Feit 6

Verdachte wordt onder feit 6 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 29.300,-, doordat hij de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld (art. 420bis lid 1 sub a Sr), terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Genoemd geldbedrag is bij de doorzoeking op 8 november 2016 aangetroffen in de woning van verdachte, waar hij destijds samen met medeverdachte [medeverdachte 1] woonde. Het geldbedrag lag in een doosje onder het bed.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de wetsgeschiedenis, ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de criminele herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.

De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de bewijsmiddelen niet meer kan worden afgeleid dan dat onder het bed van verdachte een doos met geld is aangetroffen, niet bewezen kan worden dat verdachte de criminele herkomst van dat geldbedrag heeft verborgen of heeft verhuld wat de werkelijke aard, herkomst, vervreemding en/of verplaatsing van het geldbedrag was.

In dit kader heeft de rechtbank acht geslagen op de bestendige jurisprudentie (o.m. van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2016:2293). De Hoge Raad heeft in die zaak geoordeeld dat de bewezenverklaring van het Hof dat sprake is van ‘verhullen’ gelet op de omstandigheden dat verdachte biljetten van 500,- euro heeft omgewisseld in kleinere coupures, die waren weggestopt in een tas onder een autostoel en in de broekzak van de verdachte ontoereikend is gemotiveerd. Het gaat immers niet om het ‘verstoppen’ van het geld zelf, maar om het verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Verdachte dient dan ook van het onder 6 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 19 november 2015 te Heerlen en Eygelshoven, gemeente Kerkrade, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde amfetamine en MDMA elk een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze/zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- hoeveelheden chemicaliën, waaronder methylethylketon (MEK) en aceton, zijnde elk een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, besteld en/of laten bestellen en/of ingekocht en/of laten inkopen en

- voornoemde hoeveelheden chemicaliën in/bij een schuur/loods aan de [adres 2] en een schuur/loods aan de [adres 3] , gemeente Kerkrade, opgeslagen en/of laten opslaan en/of ondergebracht en/of laten onderbrengen en/of voorhanden gehad en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of

- in het kader van voornoemde activiteiten met elkaar (telefonisch) contact gelegd/onderhouden en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt;

2.

hij in de periode van 15 december 2015 tot en met 8 november 2016 aan de [adres 4] en aan de [adres 5] en aan de [adres 6] , gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 15 december 2015 tot en met 8 november 2016 aan de [adres 5] en aan de [adres 6] , gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden elektriciteit, toebehorende aan [bedrijf 1] ., waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) die weg te nemen elektriciteit telkens onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 40.153,- (feit 5) en een geldbedrag van

€ 29.300,- (feit 6) geëist.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen betreffende synthetische drugs in de zin van de Opiumwet. Ook is hij betrokken geweest bij een drietal in werking zijnde hennepkwekerijen. Door de handelwijze van verdachte heeft hij een bijdrage geleverd aan de keten die zich bezig houdt met de productie van hard- en softdrugs, die zich voornamelijk afspeelt in de (georganiseerde) criminele (onder)wereld waarin grote winsten worden behaald, en welke activiteiten gepaard gaan met vormen van geweld en ondermijning van de legale bovenwereld. Het is voorts algemeen bekend dat (die) verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de individuele gebruikers van deze middelen, maar ook aan de volksgezondheid doordat de productie van synthetische drugs veelal gepaard met de dumping van drugsafval. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van derden.

Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan de diefstal van hoeveelheden elektriciteit ten behoeve van genoemde hennepkwekerijen. De diefstal van elektriciteit middels illegale stroomaansluitingen levert naast materiële schade ook een ernstig (brand)gevaar op voor omwonenden. Verdachte heeft er geen blijk van gegeven zich om die schade en bijkomende gevaren te bekommeren.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.

De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten inmiddels (overwegend) dateren van minst genomen vier jaar geleden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.

De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem/haar terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

Hierbij spelen de aard en ernst van de delicten, de ingewikkeldheid van de zaak, de

processuele houding van de verdachte, de invloed van de verdachte/verdediging op

het procesverloop en de afhandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten een rol

van betekenis.

De rechtbank is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden.

De rechtbank bepaalt het startpunt van de redelijke termijn op 8 november 2015, zijnde het tijdstip waarop in het kader van het onderzoek ‘Snoek’ onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen in de woning en de bedrijfsruimte van verdachte hebben plaatsgevonden en waarbij diverse goederen in beslag zijn genomen.

De rechtbank is niet gebleken van prangende feiten of omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.

Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 17 december 2019 de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan zoals door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft geacht. In beginsel acht de rechtbank gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal verdachte echter compenseren voor de termijnoverschrijding en legt een gevangenisstraf op voor nader te noemen duur. Het voorwaardelijke strafdeel dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op de vrijspraken van het onder 5 en 6 ten laste gelegde zal de rechtbank niet overgaan tot een verbeurdverklaring van de onder die feiten ten laste gelegde geldbedragen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 47, 311 van het Wetboek van Strafrecht;

3, 10a, 11 van de Opiumwet.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3, 5 en 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

t.a.v. feit 1:medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich/een ander gelegenheid/middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffenenstoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. t.a.v. feit 2:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. t.a.v. feit 4:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 4:een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. T. Kraniotis, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,

en is uitgesproken op 17 december 2019.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H.P.G. Wielders
  • mr. R.J. Bokhorst
  • mr. T. Kraniotis

Griffier

  • mr. G. van de Luijtgaarden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?