ECLI:NL:RBOBR:2019:7833

ECLI:NL:RBOBR:2019:7833

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-07-2019
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 01/875003-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur voor medeplegen van poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/875003-19 en 01/875006-19 (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 19 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juli 2019.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 8juni 2019 en 3 juni 2019. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de De Bleekvelden, in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermaals schoppen en/of slaan (tegen het lichaam) van die voornoemde [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 09 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

::ware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend

- een mes aan die voornoemde [slachtoffer 1] getoond en/of

- (daarbij) op die voornoemde [slachtoffer 1] afgestapt en/of

- met dat mes in de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] gewezen en/of

- met dat mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] ;

3.

hij op of omstreeks 09 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, aangifte heeft gedaan dat een strajbaarfeit is gepleegd,

door toen aldaar ten overstaan van een hoofdagent van politie (genaamd [verbalisant 1] , werkzaam bij de politie Oost-Brabant),

opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen inhoudende dat hij, verdachte, op 9 december 2018 door [slachtoffer 1] (op of aan de openbare weg, [adres 2] ) met een mes in zijn rechte,pink is gesneden,

wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd,·

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer O1/875006-19 tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2018 tot en mei 3 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een motorscooter (merk Piaggio), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten om een (proej)rit te maken, in elk geval anderszins rechtmatig onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 oktober 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (merk Piaggio), in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [slachtoffer 2] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen.

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

(parketnummer 01/875003-19.feiten 1, 2 en 3)

Op 9 december 2018 ontvangt de politie een melding van [medeverdachte] , zijnde de stiefvader van verdachte, dat er op het adres [adres 1] te Geldrop een ruzie zou zijn geweest. [slachtoffer 1] zou daar aan de deur zijn gekomen, een mes getrokken hebben en iemand (rechtbank: verdachte) zou daarbij licht verwond zijn. Even later komt er

een melding van de spoedeisende hulp van het ziekenhuis te Geldrop dat [slachtoffer 1] daar gewond binnengebracht was door twee getuigen. [slachtoffer 1] verklaart tegenover de verbalisanten dat hij bij [bedrijf] te Geldrop met een hakbijl mishandeld is door [medeverdachte] en een andere persoon die een mes bij zich had, waarbij hij na de eerste slag met de bijl direct merkte dat zijn onderann gebroken was. Hierop wordt [medeverdachte] door de politie aangehouden. Door verdachte wordt dezelfde dag aangifte van mishandeling door [slachtoffer 1] gedaan. Uit het onderzoek van de politie blijkt vervolgens dat het incident zich niet op [adres 2] heeft afgespeeld, maar bij [bedrijf] en dat de aangifte van [verdachte] vermoedelijk vals is. Verdachte wordt thans verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan - kort gezegd - openlijk geweld, bedreiging en het doen van een valse aangifte .

(parketnummer 0118 75006-19)

Op 25 oktober 2018 is aangifte gedaan door [slachtoffer 2] dat zijn motorscooter op 22 oktober 2018 te Geldrop is verduisterd door twee personen die zich als potentiële kopers van de motorscooter voordeden. Uit het onderzoek van de politie blijkt vervolgens dat deze twee personen [betrokkene] en verdachte betroffen. [betrokkene] heeft hierover verklaard dat verdachte degene is die met de motorscooter is weggereden en er even later mee vandoor is gegaan. Dit is aan verdachte ten laste gelegd als verduistering subsidiair diefstal van de motorscooter .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle vier de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals aangehaald in zijn schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van het openlijk geweld heeft de raadsman aangevoerd dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft geschopt, maar dat dit hem niet geheel toegerekend kan worden gelet op de omstandigheden. Hierbij heeft de raadsman gewezen op de voortslepende ruzie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 1] en het feit dat verdachte door toedoen van [medeverdachte] in de vechtpartij is meegetrokken. Ook kan worden bewezen dat verdachte aangever een mes heeft getoond maar dit is niet te kwalificeren als een bedreiging, zodat hiervoor vrijspraak dient te volgen. Nu niet vastgesteld kan worden hoe verdachte aan de snee in zijn vinger is gekomen, dient eveneens vrijspraak voor de valse aangifte te volgen. Bovendien is de aangifte ingefluisterd door [medeverdachte] .

Voor de aan verdachte ten laste gelegde verduistering dan wel diefstal van de motorscooter ontbreekt het wettig bewijs. De verklaring van [betrokkene] is aantoonbaar onjuist en dat verdachte opzet gehad zou hebben op het plegen van het feit blijkt niet uit het dossier.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inhoud van de relevante bewijsmiddelen naar de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage en overweegt voorts het volgende.

t.a.v. parketnummer 01/875003-19 feit 1

De rechtbank acht op grond van de aangifte, de verklaring van getuige de heer [getuige] en de verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting inhoudende 'dat hij degene was die aangever heeft geschopt', wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld in vereniging. Dat verdachte in deze situatie

verzeild is geraakt door toedoen van [medeverdachte] , zoals door de raadsman is aangevoerd, staat naar het oordeel van de rechtbank aan een bewezenverklaring niet in de weg.

feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte een mes vast had toen hij samen met [medeverdachte] het onder feit 1 ten laste gelegde openlijk geweld pleegde. Ook staat vast dat aangever dit mes heeft gezien. Aangever heeft tevens verklaard dat hij tijdens het gevecht meermalen met een hakbijl is geslagen. Door aan aangever onder deze omstandigheden een mes te tonen, kon bij aangever naar het oordeel van de rechtbank de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat uit de aangifte niet met zoveel woorden blijkt of bij aangever daadwerkelijke vrees werd gewekt doet hier niet aan af. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft bedreigd door hem een mes te tonen.

feit 3

Op grond van het proces-verbaal tijdslijn van verbalisant [verbalisant 2] , de aangifte door verdachte, de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het incident met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden bij [bedrijf] en dat hij niet precies weet hoe hij aan de snee in zijn vinger is gekomen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, tijdens het opmaken van de aangifte in strijd met de waarheid heeft verklaard.

Immers heeft verdachte in zijn aangifte verklaard dat [slachtoffer 1] naar zijn woning in [adres 2] is gekomen, dat [medeverdachte] en [slachtoffer 1] voor de woning hebben gevochten en dat hij voelde hoe [slachtoffer 1] met een mes in zijn pink sneed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. Dat niet kan worden vastgesteld hoe verdachte aan de snee in zijn vinger is gekomen en dat hij heeft verklaard dat hij bij het doen van de aangifte is geïnstrueerd door [medeverdachte] maakt dit oordeel niet anders.

t.a.v. parketnummer 0J/875006-19

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de dagvaarding met parketnummer O1/875006-19 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat niet hij de persoon was die op 22 oktober 2018 op de motorscooter van aangever [slachtoffer 2] is gaan zitten en er mee weg gereden is, maar dat dit [betrokkene] is geweest. [betrokkene] was degene die de motorscooter wilde gaan kopen en hij had verdachte meegevraagd naar de afspraak. Verdachte is enkel achterop gesprongen in de veronderstelling dat ze een proefrit zouden gaan maken. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van [naam] . Immers verklaren ook zij dat [betrokkene] degene is die de motorscooter bestuurde.

Daarnaast blijkt uit de telefoongegevens van [betrokkene] dat hij degene is geweest die contact heeft gehad met [naam] , degene die bemiddelde bij de verkoop. Hier tegenover staat slechts de verklaring van [betrokkene] die heeft verklaard dat het verdachte was die weggereden is op de motorscooter. Nu de verklaring van [betrokkene] niet wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat deze terzijde geschoven dient te worden en dat uitgegaan moet worden van de verklaring van verdachte.

Ook het medeplegen van de verduistering dan wel diefstal acht de rechtbank niet bewezen nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de verduistering dan wel diefstal van de motorscooter.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 9 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, De Bleekvelden, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meermaals schoppen en slaan tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer 1] .

2.

op 09 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, [slachtoffer 1] heeft

bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een mes aan die voornoemde [slachtoffer 1] getoond.

3.

op 09 december 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door toen aldaar ten overstaan van een hoofdagent van

politie (genaamd [verbalisant 1] , ·werkzaam bij de politie Oost-Brabant), opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte te doen inhoudende dat hij, verdachte, op 9 december 2018 door [slachtoffer 1] (op of aan de openbare weg, [adres 2] ) met een mes in zijn rechte1pi11k is gesneden,

wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Door de raadsman is een beroep op overmacht gedaan in die zin dat verdachte betrokken is geraakt bij de gebeurtenissen op 9 december 2018 door de druk die vanuit zijn stiefvader [medeverdachte] op hem werd uitgeoefend. De rechtbank verwerpt dit verweer nu er, behalve de niet nader onderbouwde verklaring ter terechtzitting van verdachte dat hij zich onder druk gezet voelde door [medeverdachte] om mee te gaan, geen aanwijzingen in het dossier gevonden kunnen worden die het oordeel dat er sprake was van een van buiten komende

drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, kunnen dragen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een werkstraf voor de duur van 140 uur waarvan 70 uur voorwaardelijk gevorderd en een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarden dienen hierbij te worden opgelegd reclasseringstoezicht, meewerken aan dagbesteding en meewerken aan (trauma)behandeling indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Een verplichting mee te werken aan een onderzoek door een psycholoog zoals tevens geadviseerd door de Raad voor de kinderbescherming kan gezien de houding van verdachte, mede gelet op de toelichting hierop ter zitting door de deskundige, achterwege blijven. Aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient verdachte een bedrag van€ 300,00 te betalen en het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu dit niet goed is onderbouwd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank voor wat betreft de feiten zoals in de dagvaarding 01/975003-19 tenlastegelegd komen tot een strafoplegging dan verzoekt de raadsman een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Ten aanzien van de hierbij op te leggen voorwaarden heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Voor de verduistering danwel diefstal van de motorscooter dient verdachte te worden vrijgesproken en de benadeelde partij dient in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is minderjarig en wordt berecht onder het jeugdstrafrecht. Bij het jeugdsanctierecht gelden lagere richtlijnen voor de straftoemeting. Verder wordt bij het bepalen welke straf passend is veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt veel meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn stiefvader schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Met deze handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en tevens inbreuk gemaakt op de openbare orde, waardoor gevoelens van angst en onrust in de samenleving teweeggebracht kunnen worden. In ieder geval één

echtpaar is hiervan getuige geweest. Deze getuigen hebben verklaard dat zij dachten dat het slachtoffer dood geslagen zou worden. Daarnaast heeft verdachte tijdens de geweldpleging het slachtoffer bedreigd door hem een mes te tonen en heeft hij nadien een valse aangifte gedaan tegen het slachtoffer. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt evenwel dat verdachte deze feiten heeft gepleegd onder invloed van een volwassene (zijn stiefvader), de feitelijke aanstichter van het geweld. Ook is het aandeel van verdachte in de openlijke geweldpleging aanzienlijk kleiner dan dat van zijn mededader.

Verder heeft de rechtbank gelet op het door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport van 25 juni 2019. Uit dit rapport blijkt dat [verdachte] opgroeit in een zorgwekkende opvoedingssituatie met daarin vele risicofactoren. Zo is hij veelvuldig geconfronteerd met ingrijpende levensgebeurtenissen zoals o.a. geweld, alcoholgebruik en een inval door de politie. Dat hij veel onveiligheid heeft gekend in het verleden maakt hem een kwetsbare jongen. Ook heeft hij niet altijd het juiste voorbeeld gekregen als het bijvoorbeeld gaat om het aangaan van relaties en omgaan met conflicten, hetgeen vermoedelijk een rol speelt bij de vaardigheidstekorten die [verdachte]

heeft. Dat [verdachte] verzeild is geraakt in een vete tussen twee volwassen mannen zegt enerzijds iets over die vaardigheidstekorten bij [verdachte] , namelijk dat het hem niet gelukt is een andere keuze te maken, anderzijds zegt het iets over de omgeving waarin [verdachte] opgroeit.

Ook de schoolgang en dagbesteding van [verdachte] verloopt al lange tijd zeer moeizaam vanwege zijn gedrag. Dat hij op dit moment (opnieuw) gestart is bij BAASS met een individueel traject vindt de Raad dan ook zeer positief. Het hebben van een structurele dagbesteding is namelijk een belangrijke beschermende factor voor het voorkomen van herhaling van politiecontacten. De begeleider bij BAASS gaat [verdachte] helpen zijn toekomst vorm te geven. Het hebben van een toekomstperspectief kan [verdachte] helpen bij motivatie voor

een dagbesteding. Daarnaast heeft [verdachte] ter terechtzitting zelf verklaard graag zijn traject bij BAASS verder voort te zetten om iets van zijn leven te kunnen gaan maken. De Raad vindt het daarnaast wenselijk dat er meer zicht komt op de vrije tijdsbesteding van [verdachte] . Een goede invulling daarvan kan eveneens beschermend werken.

Om kans op herhaling te voorkomen heeft de Raad een leerstraf overwogen gelet op de vaardigheidstekorten bij [verdachte] . Echter de Raad is van mening dat er eerst meer zicht moeten komen op de onderliggende problematiek van [verdachte] . Vanuit daar kan er gewerkt worden aan het vergroten van zijn vaardigheden (waar ook bij Stichting BAASS aandacht voor is).

Daarom is de Raad van mening dat een geheel voorwaardelijke werkstraf het meest passend is. Aan deze voorwaardelijke straf dienen als voorwaarden te worden verbonden toezicht en begeleiding door de Jeugdreclassering, deelname aan dagbesteding en meewerken aan een eventueel psychologisch onderzoek en eventuele (trauma)behandeling.

De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de Raad en zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf opleggen. Het opleggen van een onvoorwaardelijk deel acht de rechtbank niet aangewezen nu uit het dossier blijkt dat de feiten zijn gepleegd onder invloed van een volwassene en het conflict met het volwassen slachtoffer een uitgebreide voorgeschiedenis kent. Hulp en steun aan de minderjarige dient naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke werkstraf de door de geadviseerde voorwaarden verbinden om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, met uitzondering van de in het rapport geadviseerde verplichte medewerking aan een psychologisch onderzoek. Verdachte heeft ter zitting aangegeven hier geen heil in te zien en

de informatie die een dergelijk onderzoek oplevert, kan, zo blijkt uit de ter terechtzitting door de namens de Raad verschenen deskundige gegeven toelichting, ook op andere wijze worden verkregen.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 188 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 01/875006-19 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. 0J/875003-19 feit 1:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

t.a.v. 0J/875003-19feit 2:

bedreiging met zware mishandeling

t.a.v. 01/875003-19 feit 3:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf.

T.a.v. 0J/875003-19 feit ],feit 2,feit 3:

Werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen

die worden gegeven door de jeugdreclassering van de Jeugdbescherming Brabant, Sobriëtasplein 102, 5701 MJ Helmond, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat veroordeelde zal meewerken aan (trauma)behandeling;

- zich gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zal deelnemen aan dagbesteding.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarbij

heeft te gelden dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en hij zijn medewerking verleent aan

het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek

van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

t.a.v. 01/875006-19 primair en subsidiair:

Verklaart benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. J.H.L.M. Snijders en mr. J.O.Y. Elagab, leden en beiden tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 19 juli 2019.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J.W. Hermans
  • mr. J.H.L.M. Snijders
  • mr. J.O.Y. Elagab

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand